Alle hoeders van het recht duiken weg voor verantwoordelijkheid
Letselschade . . Inspraak . . Klokkenluider <==> SDN . . Antecedenten juristen . . Recht . . Bijbanen

Het boek is goed ontvangen. Het is besproken in het Nederlands Juristenblad

Harry Teernstra presenteert zijn derde boek over juridisch letsel. Juridisch letsel is pijn, verdriet en machteloosheid die ontstaat door fouten van juristen, advocaten en rechters. Thema van het boek is het droevige feit, dat mensen als het gaat om fouten van advocaten, curatoren, rechters en andere hoeders van het recht niet voor recht in aanmerking komen bij gebrek aan een advocaat

Het boek is goed ontvangen. Het is besproken in het Nederlands Juristenblad (NJC) en zal uitgebreid besproken worden in het februarinummer van 2005 van het Tijdschrift voor Insolventierecht en ook in het advocatenblad. Delen ervan worden als verplichte leerstof voorgeschreven aan studenten van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid te Tilburg. De Vereniging van Insolventieadvocaten INSOLAD, waarvan de betrokken curatoren geen lid zijn, heeft Teernstra gevraagd om mei 2005 aan een symposium bij te dragen waarbij de faillissementsproblematiek aan de orde gesteld zal worden.

Het Centrum voor Aansprakelijkheidsrecht te Tilburg heeft kennisgenomen van de in het boek aangegeven structurele problemen rondom aansprakelijkheid van de curatoren. Vele juristen en geïnteresseerden hebben het boek aangeschaft.

De eerste druk van het boek is weggevlogen. De tweede druk is in voorbereiding. Er zijn vele reacties van herkenning op het boek gekomen: lezers/justitiabelen herkennen de onvrede, machteloosheid en woede van Teernstra. Juristen en rechtswetenschappers hebben begrip voor zijn voorstellen tot verbeteringen in het rechtsbedrijf. Desalniettemin zwijgen de media dit boek compleet dood, zoals zovele boeken, en ernstige feiten, die ons Recht en de verslaggeving ervan betreffen. Dat is voor de SDN reden om ook dit boek op haar site te plaatsen en alle feiten en zeker de 'rekening" van de betreffende curatoren (pagina ... ) openbaar te maken.

Lees mijn boek RECHT IN DE OGEN GEKEKEN, waaruit blijkt dat de advocatuur, rechtbanken, gerechtshoven en tuchtraden een aaneengesloten kartel vormen dat zich richt tegen de burger die schade geleden heeft door elitaire bolwerken als het medisch circuit, banken, verzekeraars en vooral de Staat der Nederlanden. Dit als het directe gevolg van de oekaze van de oud-voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak mr. Bert van Delden: "Dat onder alle omstandigheden geen jurisprudentie mag ontstaan waarbij het advocaten strafbaar verboden wordt om te liegen, bedriegen, misleiden, lasteren, smaden vervalsen, karaktermoord en meineed te plegen in een rechtsprocedure in het belang van hun cliënt. Zie: Advocatenorde


    UITGEVERIJ JURILET: documentatie juridisch letsel
    BERICHT VOOR DE MEDIA :

    DERDE BOEK OVER JURIDISCH LETSEL

    Jur Terharte : Een faillissement dat nimmer went, zolang geen hoeder van mijn Recht zijn ongelijk erkent: (200 pagina's - prijs € 15, - voor wie dat bedrag kan betalen)

    Na 'Een ongeluk komt zelden alleen' en 'Recht in de ogen gekeken [1] een nieuw, verontrustend verhaal van Jur Terharte, dat :

    • de opmerkelijke gang van zaken beschrijft in een 'faillissementszaak' vanaf een door het Gerecht te Zutphen gemaakte fout.
    • uiteenzet dat het Gerecht die fout wel erkent, maar een oordeel over de schadelijke gevolgen van die fout overlaat aan de rechter, dat wil zeggen aan een advocaat.
    • gedetailleerd verslag doet van het opmerkelijke feit dat en hoe vervolgens 23 advocaten, onder wie niet de geringste, weigeren de onafhankelijke rechter om dat oordeel te vragen.
    • de vinger legt op de zere plekken van het rechtsbedrijf en laat zien en voelen wat er fundamenteel mis mee is.
    • tot op het bot het onvermogen van Justitie duidelijk maakt om met haar eigen fouten om te gaan
    • de rechteloosheid laat spreken van alle slachtoffers van Justitie.
    • niet goed verkocht, maar goed door de juiste mensen gelezen moet worden en daarom verplichte literatuur zou moeten zijn voor studenten Recht en voor rechters, advocaten en andere personen die zich beroepshalve met recht en onrecht bezig houden........
    • kortom een boek dat geschreven is vanuit de diepgewortelde overtuiging dat er andere gewichten in de schaal van ons Recht moeten en dat daarvoor een brede maatschappelijke discussie bitter hard nodig is. De volksvertegenwoordiger / oud-rechter mr. A. Wolfsen en de wetenschapper / oud-rechter, prof.mr. A.F.M. Brenninckmeijer hebben met het voorwoord en nawoord hun naam aan het boek verbonden.

    De tekenaar Bert Witte heeft zich door het boek laten inspireren en er 5 prachtige spotprenten voor gemaakt. Alle exemplaren van de eerste beperkte druk zijn de deur uitgevlogen. Een nieuwe druk is in voorbereiding. Bestellingen bij de uitgever per e-mail : Advocadur@hetnet.nl of per telefoon: 0314 - 681196.

    Net als deel 1 en 2 zal dit boek (uitgebreider) geplaatst worden op Internet en wel op de site van de onvolprezen stichting Sociale Databank Nederland, die belangeloos domicilie verleent aan vele rechteloze mensen. Daarnaast zal het aan de landelijke bibliotheekdienst worden aangeboden, zodat zoveel mogelijk mensen er kennis van kunnen nemen.

    Nadere informatie: Uitgeverij JURILET
    documentatie: juridisch letsel
    Keppelseweg 27 - 7031 AR WEHL
    Tel/fax : 0314-681196
    E-mail: Advocadur@hetnet.nl

    P.s.: Deze boeken zijn momenteel slechts via de bibliotheek te leen.

    EEN FAILLISSEMENT
    DAT NIMMER WENT

    zolang geen hoeder van mijn Recht
    zijn ongelijk erkent

    a

    Met Recht een ander gewicht in de schaal 4

    Uitgeverij Jurilet

    Motto: Niets went zo snel als het onrecht bij een ander

    Voor alle hoeders van ons Recht.

    Voor alle mensen die tevergeefs naar Recht zoeken.


    © Uitgeverij Jurilet
    Keppelseweg 27, 7031 AR WEHL
    Tel. / fax: 0314 - 681196.
    E-mail: Advocadur@hetnet.nl

    Ontwerp omslag: uitgeverij Jurilet
    Foto omslag en tekstadviezen: Vrienden Stichting Advokater
    Grafische vormgeving: uitgeverij Jurilet
    Drukwerk: Uitgeverij Jurilet
    ISBN 90-805373-3-0
    Nugi 691

    Alles uit deze uitgave kan, mag of beter moet worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, nadat u de uitgever daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gesteld.

    INHOUD :

    • Voorwoord
    • Verantwoording
    • Wat vooraf gaat





      EERSTE DEEL :

      • Gang van zaken in mijn faillissement

      TWEEDE DEEL :

      • Formeel verzet tegen de gang van zaken in mijn faillissement. Appèl op appèl.

      DERDE DEEL :

      • Faillissementen: theorie en praktijk

      BIJLAGEN :

      1)  Verklarende woordenlijst

      2)  Bronnen

      3)     Artikelen, stukken, documenten, brieven, waarnaar verwezen wordt

       4)  Ingezonden brieven over juridische onderwerpen

      5)    Lijst met namen van personen en instanties aan wie een reactie op                          

            en/of een standpunt over dit boek is gevraagd

      6)    Reacties op het boek  

      Voorwoord

      Je proeft een zekere bitterheid in de titel van het boek. Dat wordt nog wat aangezet door het stevige mannelijk volrijm. Het stelt daarom gerust om in het boek te lezen: 'Nu het op papier staat kan ik het loslaten.' En: 'Ik ben niet cynisch, noch verbitterd'. Deze geruststellende mededelingen sporen met de inhoud van de gesprekken die ik met Jur heb gevoerd. Hij is strijdbaar, maar niet bitter. Toen Jur mij vroeg voor dit voorwoord heb ik dan ook onmiddellijk 'ja' gezegd. Al was het alleen al, omdat ik zijn vorige boek, Recht in de ogen gekeken, in een adem had uitgelezen.

      Wel herkende ik bij mezelf een soortgelijke reactie als vorige keer, toen ik het concept op mijn bureau had liggen. Je stelt het lezen uit, juist omdat je weet dat je het ook nu weer in een ruk zult uitlezen. En je stelt het ook uit, omdat je weet dat je ook nu weer zult lezen over zijn woede en machteloosheid. En ook, omdat je weet dat je niets meer zult kunnen doen aan dat wat hem is overkomen. Maar, toch moet het gelezen worden. Juist om lering te kunnen trekken uit zijn ervaringen met het recht en met iedereen die daarin professioneel een rol speelt. Daarom moest het ook geschreven worden.

      Voor juristen is de Faillissementswet duidelijk en eenvoudig. Schuldenaars die 'in een toestand verkeren dat ze hebben opgehouden te betalen', worden failliet verklaard. De failliet verklaarde verliest daardoor de beschikking en het beheer over zijn vermogen, de curator neemt het beheer over en vereffent de boedel en een rechter-commissaris houdt toezicht. Bij dat beheer hoort ook dat de curator alle post mag openen.

      Na het lezen van dit boek denk je echter (met een knipoog naar een gedicht van Roland Holst): 'Ze hebben het opgeschreven, tezamen en blij. Maar wat het voor mensen betekent, vergeten zij.' En zeker als het niet gaat over rechtspersonen, maar over mensen met een gezin en kinderen, denk ik daar dan bij. 

      Jur beschrijft zijn ervaringen met zijn faillissement. Een woord dat 'geen enkel beeld bij hem oproept' voordat het hem overkwam. Daarom is het zo goed juist zijn ervaringen te lezen. En om te lezen - nee, ik ga niets verklappen over de inhoud - hoe ontzettend belangrijk het is om fatsoenlijk en tijdig te worden opgeroepen voor de zitting waarop het faillissement zal worden uitgesproken. En over het belang van het hebben en kunnen vinden van een goede en begripvolle advocaat. Want als je voor de eerste keer in je leven naar de rechtbank in Zutphen gaat, naar een zitting die ertoe kan leiden dat je het beheer over je spullen en je post volledige kwijt kunt raken, dan heb je er recht op om goed en fatsoenlijk te worden bejegend door iedereen die professioneel een rol speelt in deze procedure. Ik ben er uiteraard niet bij geweest, maar uit de inhoud van dit boek leid ik af dat dat hier niet steeds het geval is geweest. En als er een keer iets mis gaat, wat altijd en overal kan gebeuren, past een welgemeend excuus.

      Zelfs als de betrokkene, Jur in dit geval, zelf mild en begripvol start. Een detail dan: Als hij arriveert voor die eerste zitting blijkt dat die 'gewoon' geen doorgang zal vinden. Dat kan en wil hij zelf dan nog billijken met de gedachte: 'Vergissen is menselijk', ondanks het feit dat hem daarover geen enkel bericht heeft bereikt. Maar dat laat onverlet dat de 'schuldigen' daar wel op moeten reageren met welgemeende excuses. Verderop in de procedure wordt hij minder mild... Lees en huiver.

      Ook over de wijze waarop wordt omgegaan met klachten en kritiek. Los van de vraag of kritiek terecht is of niet; iedere klager heeft altijd recht op een fatsoenlijke bejegening en op een eerlijk antwoord. Kort en goed: Dit boek is een must voor iedere rechtenstudent en iedereen die beroepshalve betrokken is bij het faillissementsrecht.

      Het eindigt positief met een reeks aan voorstellen. Het is hier niet de plaats om die allemaal afzonderlijk te bespreken. Maar daar zitten zeer zinvolle suggesties bij. Want er moet inderdaad een openbare discussie komen over de positie en de taak van de advocatuur (ook in het faillissementsrecht. Mijn collega Klaas de Vries heeft daar al een aanzet toe gegeven door daarover een uitspraak van de Tweede Kamer te initiëren, die ook door de minister zal worden uitgevoerd), mediation moet 'normaal' worden in het recht, de samenstelling van de raden van toezicht moet anders en beter, de verplichte procesvertegenwoordiging kan inderdaad zo goed als zeker worden afgeschaft en de wetgever moet garanderen dat rechtshulp altijd goed en betaalbaar blijft!

      'Hoop doet leven', schrijft Jur aan het slot van zijn boek. Dat is waar. Hoop en verwachting inspireren tot mooie gedachten en goede voornemens.

      Aleid Wolfsen

      Verantwoording

      Persoonlijk en als lid van de landelijke, ideële stichting Advocadur[1] heb ik het Recht meer dan 10 jaar recht in de ogen gekeken. Uit de opgedane ervaringen en de daarover geschreven artikelen en boeken[2] volgt de zorgwekkende conclusie:

      Ons Recht schiet fundamenteel tekort en blijkt daardoor niet alleen mij, maar vele mensen levenslang op te zadelen met een gevaarlijke onvrede, waarvoor geen uitweg bestaat en die daarom explosief is.

      Heel de gang van zaken in en na het faillissement waarin ik terecht ben gekomen bevestigt die verontrustende conclusie zo duidelijk en illustratief dat ik het verhaal van mijn faillissement al veel eerder had moeten vertellen. Maar ik wilde en kon dat niet. De woede, de verbijstering, de vernedering, de machteloosheid, de rechteloosheid, de tegenzin, kortom de onvrede was te groot en te heftig en sloeg me lam.

      Na alles wat mij al met mijn Recht is overkomen wilde ik niets liever dan me bevrijden van dit onrecht. Het liefst wilde ik het laten vallen als een glas en de scherven in de glasbak donderen, het nooit meer zien en voelen. Maar ook wilde ik het ervaren onrecht niet verloren laten gaan, juist omdat ik er van overtuigd was dat het verhaal over mijn faillissement tot lering kan strekken van de mensen die verantwoordelijk zijn voor de verontrustende staat van ons Recht of daar veranderingen in aan kunnen brengen.

      Ook besefte ik in de loop der jaren steeds meer dat ons Recht en zeker het faillissementsrecht niet of nauwelijks beschreven en bestudeerd wordt vanuit het perspectief van de mens, die met dat recht te maken krijgt. Tevens raakte ik er door de feiten en ervaringen van lotgenoten/slachtoffers van ons Recht meer dan ooit van overtuigd dat openbaarmaking en verdieping van die feiten onontbeerlijk is voor de veranderingen die ons Recht bitter hard nodig heeft.

      Ik verkeerde jaren in een duivels dilemma, waaruit ik me uiteindelijk heb kunnen bevrijden. Daar ben ik in geslaagd, gedreven door de overtuiging dat het met ons Recht/ Faillissementsrecht anders en beter moet en dat ik daaraan kan en moet bijdragen. Door die overtuiging, waarin ik van geval tot geval en van dag tot dag bevestigd word heb ik drie jaar na mijn faillissement mijn tegenzin overwonnen. Ik heb de moed gevonden en de tijd vrijgemaakt om de feiten toch te laten spreken. Ik noem de mensen, met wie ik door het faillissement te maken heb gekregen met naam en toenaam ter verantwoording. Omdat mijn naam niet ter zake doet, heb ik dit boek, net als de twee eerdere boeken, onder het pseudoniem Jur Terharte geschreven.  Ik heb er echter geen enkele moeite mee mijn naam aan dit boek en de overtuiging, die er uit spreekt te verbinden.

      De onvrede, die de gang van zaken in mijn faillissement teweeg heeft gebracht, is dezelfde onvrede die ik in mijn eerdere boeken al beschreven heb. Ik heb dan ook waarachtig geprobeerd om me tot de beschrijving van de feiten te beperken. Het is geen smeuïg verhaal, maar dat zijn de feiten ook niet. Die feiten spreken wel voor de onvrede die mij en al die mensen treft aan wie geen recht wordt gedaan. Op de feiten in dit boek word ik graag aangesproken. Ik sta open voor commentaar en reacties. Op niet ter zake doende feiten of ongemotiveerde beschuldigingen of diskwalificaties ga ik niet in.

      Uitgaande van al die gevallen waarin de vrijheid van meningsuiting niet wordt beperkt en rekening houdend met de jurisprudentie daarover en gegeven de openbaarheid van ons recht, kan ik mij niet voorstellen dat dit boek geen recht op openbaarheid zou hebben. Maar mochten advocaten of andere hoeders van mijn Recht - zoals al vaker en eerder [3] - proberen om de openbaarmaking en verspreiding van dit boek in een Kort Geding door de rechter te laten verbieden, dan reken ik geruggensteund door de beschreven feiten op hulp van journalisten, advocaten, rechtswetenschappers, volksvertegenwoordigers en zeker van lotgenoten en geestverwanten.

      Voor het geval die hulp uit mocht blijven, is er een aantal mensen dat vanwege het belang van openbaarmaking van de feiten dit verhaal onder hun naam en toenaam wil uitbrengen.Ik heb het verhaal omwille van de invoelbaarheid grotendeels in de ik-vorm geschreven. Zonder de hulp van vrienden in en buiten de stichting Advokater i.o. [4]  was dit boek er nooit gekomen.

      Omdat ik, geholpen door de stichting Advokater i.o. kritisch ben blijven vragen en schrijven en tot het bittere einde een appèl heb gedaan op mijn curatoren, mijn rechter-commissaris, mijn rechters, mijn president en mijn bestuur van de Rechtbank te Zutphen, mijn Procureur-generaal bij de Hoge Raad, mijn Nationale Ombudsman, mijn Commissie voor de Verzoekschriften, mijn Vaste Kamercommissie voor Justitie, mijn Minister van Justitie, op mijn rechtswetenschappers en op mijn volksvertegenwoordigers, is er een enorme correspondentie ontstaan. Die correspondentie vormt een boek, c.q een naslagwerk op zich en is te omvangrijk om in zijn geheel af te drukken.

      Anderzijds is die correspondentie zo tekenend en illustratief voor de wijze waarop de hoeders van mijn/ons Recht hun tekortschieten proberen te bemantelen, dat de geïnteresseerde lezer/jurist/ politicus/wetenschapper/journalist er kennis van moet kunnen nemen. Daarom, en om Recht en het onrecht zo openbaar mogelijk te maken staat voor degene die daar om vraagt de gehele correspondentie in kopie of op CD-rom ter beschikking.

      De bekende tekenaar Bert Witte heeft zich door een door mij ingezonden brief over een faillissement laten inspireren en een prachtige tekening gemaakt over een inhalige curator. Brief en tekening werden gepubliceerd. Mijn verzoek aan Bert Witte om zich door mijn boek nogmaals te laten inspireren is gehonoreerd met een viertal goed getroffen tekeningen die ter illustratie tussen de regels zijn afgedrukt. Hetzelfde geldt voor een aantal collages van kritische woorden/ uitlatingen uit artikelen van mijn hand over juridische onderwerpen, die door kranten en tijdschriften zijn gepubliceerd. Om zoveel mogelijk mensen in kennis te stellen van dit boek zal het boek net als deel 1 en 2 aangeboden worden aan de Nederlandse Bibliotheekdienst. Ook zal het op Internet (www.stoa.nu) en (www.sdnl/advocadur.htm) gezet worden.

      De politicus/oud-rechter, de heer mr. Aleid Wolfsen, heeft het  voorwoord  geschreven, de rechtswetenschapper/oud-rechter, de heer Prof. mr. A.F.M Breeninckmeijer het nawoord. Twee mensen met naam en gezag in de wereld van Politiek en Justitie hebben hun naam aan mijn boek - of beter -  mijn  overtuiging met Recht verbonden.

      Daarvoor ben ik hen zeer erkentelijk. Hetzelfde geldt voor een aantal vrienden, die mij even enthousiast als belangeloos geholpen hebben om van mijn tekst een boek te maken.

      20 mei 2004 , Jur Terharte [5]

      Wat vooraf gaat

      In 1970 word ik, 24 jaar jong, terwijl ik voor een rood stoplicht sta te wachten buiten mijn schuld in volle vaart aangereden door een in slaap gevallen chauffeur van een vrachtwagen vol met zwijnen. Ik ben bijna een week in coma en heb maandenlang een verlaagd bewustzijn. De diagnose wordt door de behandelende neuroloog gesteld op contusio cerebri (hersenkneuzing).

      Door ernstige fouten van vooral de voor de verzekeraar keurende neuroloog, wijlen de heer dr. G. Schouwink uit Arnhem en de psycholoog B. Kuypers

      uit Grubbenvorst worden de post-contusionele klachten (na de hersenkneuzing) niet aan de hersenkneuzing toegeschreven, maar aan mijn 'premorbide (al gevormde) karakterstructuur'. Door dat onmogelijke, mij niet bekend gemaakte, mijns inziens misdadige, oordeel, waarvoor twee neurologen in 1979 door het medisch tuchtcollege veroordeeld (gewaarschuwd en berispt) worden, mag ik jarenlang niet zijn wat ik ben: een patiënt met een ernstig hersenletsel. De sociale, medische en juridische gevolgen daarvan zijn catastrofaal. Over hoe een hersenbeschadiging voelt en wat de jarenlange ontkenning van mijn klachten in mijn leven teweeg heeft gebracht, schreef ik een boek. [6]

      In 1981 krijg ik dankzij de uitstekende diensten van de advocaat mr. J.E.F.F.M. Duynstee, met wie ik een bijzonder goed contact had en uitstekend kon samenwerken, na een lange rechtsstrijd, van de verzekeringsmaatschappij Holland van de vrachtwagenchauffeur een klein gedeelte van mijn totale schade vergoed en wel een bedrag van f 180.000. Dat bedrag is de helft van de toenmalige maximale dekking. De andere helft gaat naar het kind dat naast mij in de ongeluksauto zat en dat net als ik onder de gevolgen van een ernstige hersenkneuzing lijdt. In overleg met de heer Duynstee besluit ik om 'uitgaande van de schadevergoeding leven en werk te proberen en om de neurologen pas aan te spreken als dat nodig mocht zijn'.

      In de loop van de tijd na 1981 ga ik tegen wil en dank beseffen dat de jarenlange ontkenning van de klachten voor de ontwikkeling van mijn leven en werk ernstigere gevolgen heeft dan ik me wilde en kon voorstellen. Daarom wil ik alsnog erkenning van de neurologen en een redelijke vergoeding van de aangerichte schade.

      In 1991 kom ik daar aan toe.

      Ik wend me weer tot mr. J.E.F.F.M. Duynstee. Deze blijkt echter raadsheer te Den Bosch geworden te zijn. Maar zijn neef, de advocaat mr. A.F.M. Duynstee, wil me wel bijstaan. Met deze advocaat heb ik geen goed contact, met hem kan ik niet goed samenwerken.

      De advocaat A.F.M. Duynstee brengt nota bene vanuit Mexico - in plaats van één - vier dagvaardingen uit bij drie verschillende rechtbanken, terwijl het om vorderingen gaat, die met elkaar verknocht zijn en er overduidelijk sprake is van een meervoudige causaliteit. Hij verzuimt belangrijke stukken in het geding te brengen en noodzakelijke rechtsmiddelen in te zetten. Hij maakt tal van andere fouten. De twee advocaten, mr. J. Sneep en mr. H.A. Schenke, die ik in al de jaren daarna in moet schakelen, zetten de fouten van hun voorganger niet recht en voegen daar slechts andere fouten aan toe. Een van de advocaten (mr. J.C. Sneep) wordt dubbel berispt door de tuchtrechter.

      Klachten over de andere twee advocaten wachten op het oordeel van de tuchtrechter. Samen veroorzaken mijn advocaten een juridische ramp van de eerste orde, waardoor de kans op de erkenning die ik nodig had en heb, verkeken lijkt.  Woede, onvrede, ontgoocheling en het gevoel dat ik lotgenoten moet hebben, zetten mij aan tot het plaatsen van een advertentie in een aantal kranten, waarin ik als 'freelance journalist /auteur' van een te schrijven boek 'Boef met Bef' vraag om 'opmerkelijke ervaringen met advocaten'.

      Mijn gevoel blijkt meer dan juist. De postbode in mijn dorp maakt overuren. Ik word overspoeld met honderden ervaringen van mensen, die vaak veel ernstiger blijken te zijn dan de mijne. Ik kom in contact met vele slachtoffers van advocaten. Uit die contacten komen de landelijke, ideële stichting Advocadur en de uitgeverij Jurilet [7] voort. Ik kijk het Recht recht in de ogen, tien jaar lang. In het boek 'Recht in de ogen gekeken' [8] doe ik daar uitgebreid verslag van. Dat boek staat in zijn geheel op Internet (www.sdnl.nl/advocadur.htm).

      In de loop van 1997 en 1998 gaan de vier door mr. A.F.M.Duynstee ingezette procedures verloren door zijn fouten en die van zijn confraters.

      Naast de enorme advocaatkosten ben ik veroordeeld tot betaling van de geliquideerde gerechtskosten. (Ongeveer f 14.000 per procedure). Het gaat om 'executoriale vonnissen uitvoerbaar bij voorraad', hetgeen betekent dat ik als verliezende partij direct moet betalen en dat die betaling, indien nodig, via beslagen of een openbare veiling van goederen kan worden afgedwongen. Desalniettemin gaan de neurologen en de psycholoog in de jaren die volgen niet over tot invordering van de gerechtskosten. Ik hoor nooit meer iets. Ik ga er daarom vanuit dat zij geen betaling vorderen, omdat ze eindelijk begrijpen dat ik niets aan hen, maar zij veel meer aan mij verschuldigd zijn.

      Een en ander ervaar ik als een gebaar van goede wil, dat helpt om een weg te vinden voor mijn woede en onvrede.De jaren gaan voorbij. Ik neem afstand van een immens, haast levenslang onrecht. Er komt eindelijk wat rust en vrede.

      Op 26 oktober 2000 stuurt Advocadur mr. A. Bolt, de advocaat van de inmiddels overleden neuroloog Schouwink ter informatie het boek 'Een ongeluk komt zelden alleen'. In de begeleidende brief deelt de stichting namens mij mede dat: 'Terharte de erven Schouwink niet wil belasten met iets, wat wijlen de heer G. Schouwink tijdens zijn leven goed had moeten maken'.  Zoals te doen gebruikelijk reageert de advocaat mr. A. Bolt niet op wat  ik vind en voel, denk ik.

                 Eerste deel:

      gang van zaken in mijn faillissement

      1.  8 november 2000: verzoekschrift van de advocaat, mr. A. Bolt /erven G.Schouwink 'strekkende tot mijn faillietverklaring'

      Op 9 november krijg ik per aangetekende post en van deurwaarderskantoor C. Schmitz uit Terborg een schrijven van de Rechtbank te Zutphen. Ik lees de namen dr. G. Schouwink en mr. A. Bolt. Alleen al die namen roepen onmiddellijk het onrecht en de onvrede op die ik in 'Wat vooraf gaat' en in mijn eerdere boeken heb proberen te verwoorden.

      Dan lees ik dat ze mij failliet willen laten verklaren 'teneinde hun vordering van zo'n f 14.000 betaald te krijgen', een vordering waarover ze drie jaar met geen woord hebben gerept en die ze nimmer hebben opgeëist. Ik heb schriftelijk noch mondeling ooit te kennen gegeven niet te willen betalen. Omdat mijn advocaat, mr. H.A. Schenke van advocatenkantoor de Mul/Zegger uit Nijmegen en ook ik drie lange jaren niets van Schouwink en Bolt horen, zijn hij en ik er van uit gegaan dat de erven Schouwink geen betaling meer vorderen.[9] Ik dacht dat ze eindelijk begrepen hadden dat ik niets aan hen, maar dat zij - of beter wijlen de heer Schouwink - veel meer aan mij verschuldigd waren. Het feit dat Schouwink jaar in jaar uit die betaling niet heeft opgeëist heb ik in de loop van die jaren ervaren als een gebaar van goede wil, dat mij helpt om een weg te vinden voor mijn woede en onvrede. Maar door het faillissementsverzoek barsten die woede en onvrede weer in mij los, alsof ze nooit weg zijn geweest. Ik voel me weer in staat van oorlog.

      Ik word lees ik: 'opgeroepen om op DONDERDAG de ZEVENDE DECEMBER, des voormiddag om 9.30 uur, te verschijnen ter Raadzitting van de Arrondissementsrechtbank te ZUTPHEN, Meervoudige Civiele Kamer, als dan en aldaar gehouden wordende in het Paleis van Justitie aan de Martinetsingel 2 te Zutphen teneinde te worden gehoord op het verzoekschrift, strekkend tot faillietverklaring van de voornoemde gerekwireerde. (dat ben ik)

      Het woord failliet roept geen enkel beeld of gevoel bij mij op. Ik heb nog nooit met een faillissement te maken gehad. Ik weet dan ook amper wat een faillissement inhoudt en helemaal niets van de gang van zaken bij een faillissement. Wat ik wel weet is dat ik hoe dan ook niet failliet verklaard wil worden. Ik wist en weet dat ik zal moeten betalen, omdat er sprake is van een executoriaal vonnis.

      Maar na overleg met vrienden / leden van Advocadur wil ik de kans aangrijpen om de rechter te wijzen op het feit dat het doen en nalaten van advocaten bepaald niet alleen in mijn geval tot in wezen onhoudbare executoriale vonnissen leidt, zoals ik dat in mijn boeken uiteen heb gezet. We besluiten te proberen die boeken ter informatie van de rechter in het geding te brengen, in de hoop dat die actie publiciteit oplevert voor de boeken en voor de stichting Advocadur. Ook besluiten we dat ik, wanneer de rechter mij failliet verklaart, onmiddellijk tegen zijn vonnis in beroep zal gaan. Dat besluit ligt geheel in de lijn van de doelstelling en overtuiging van de stichting Advocadur om zoveel mogelijk juristen en dus óók de hogere rechter informatie te verschaffen over de problemen die mensen met hun Recht ondervinden.

      2.  Vanaf 8 november 2000: appèl op mr. A. Bolt en haar cliënten, de erven van de neuroloog G. Schouwink en op dhr drs. B.R.M. Kuypers, NIP-psycholoog

      Het verzoekschrift roept allerlei vragen op. Ik wil weten wat de reden is dat de erven Schouwink bijna vijf jaar na het executoriale vonnis van 16 januari 1996 mij plompverloren failliet willen verklaren en of dat de wens van wijlen hun vader was. Ook wil ik weten of en zo ja welke rol mijn boek en de advocaat mr. A.Bolt daarbij hebben gespeeld. Ook wil ik een antwoord op de vraag waarom mijn advocaat noch ik op de hoogte zijn gesteld vanhet faillissementsrekest en naar wie het geld gaat als ik betaal: naar de advocaat Bolt of naar de erven Schouwink.

      Deze en vele andere vragen stel ik aan mr. Bolt, advocaat bij het advocatenkantoor Nysingh Dijkstra en De Graaf te Arnhem. Ik wijs er op dat door dit rauwelings ingediende faillissementsverzoek de strijd tussen mij en Schouwink weer zal doen oplaaien. Daarom vraag ik om een gesprek, waarin de duidelijkheid verschaft kan worden, die ik wil. Ik schrijf brief na brief en krijg geen antwoord. Ik schrijf nieuwe brieven en doe die aangetekend op de post. Weer krijg ik geen antwoord.

      Dan richt ik mij direct tot de erven Schouwink. Ik appelleer aan de redelijkheid van mensen die ik niet ken en die zich niet bekend willen maken. Ik dring aan op een gesprek, op surséance van betaling, op een akkoord. Mijn appel blijkt keer op keer vergeefs en stuit af op de advocaat Bolt die bot weigert een antwoord te geven op fatsoenlijke vragen. Nu haar eigen doen en nalaten in het geding is, blijken voor de advocaat Bolt de mogelijkheden van mediation, die haar beroepsgroep en ook haar kantoor hoog in het vaandel zeggen te hebben staan, niet te gelden. Conform de gedragsregels dient mevr. mr. A. Bolt 'een regeling in der minne boven een rechtszaak te laten prevaleren'. Dat is de theorie. De praktijk is dat mr. Bolt niets, maar dan ook niets doet om tot een regeling in der minne en daarmee tot een oplossing van ons geschil te komen.

      3.    16 november 2000: informatie Rechtbank Zutphen over de sanering van mijn schuld

      Op 16 november stuurt de griffier van de rechtbank mij een brief waarin hij mededeelt dat ik 'binnen 14 dagen na datering van deze brief een verzoek kan indienen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling'. Omdat ik er van overtuigd ben dat ik niet failliet verklaard word, omdat ik immers moet en wil betalen, maak ik geen gebruik van die mogelijkheid.

      4.    7 december 2001: hoorzitting Rechtbank Zutphen

      Op 7 december ga ik met een aantal leden van de stichting Advocadur, vrienden en belangstellenden voor de eerste keer van mijn leven naar de rechtbank te Zutphen 'teneinde ter zitting gehoord te worden over het verzoek strekkende tot mijn faillissement'. Het is een oud, imposant, in een mooie rode steen opgetrokken, donker gebouw, waar een nieuw modern gedeelte aan vast is gebouwd. Al het glas, al het licht en alle ramen in dat nieuwe gebouw suggereren een openheid en doorzichtigheid, die ik in de jaren die volgen niet zal mogen ervaren.

      De entree van het gerechtsgebouw is een statige deur, waarvoor je komt te staan na de beklimming van een hoge, stenen trap. Achter de deur aan de rechter zijde is de receptie en de portier, die mij doodleuk mededeelt dat 'de zitting verdaagd is en derhalve geen doorgang kan vinden en er een nieuwe zitting uitgeschreven zal worden, waarvan ik ongetwijfeld bericht krijg.'

       'Van het feit dat de zitting van vandaag geen doorgang kan vinden heb ik echter geen enkel bericht gekregen en daarom zijn wij hier met zijn allen voor niets gekomen'. Dat houd ik de man voor. 'Dan moet u zich tot de rechtbank en niet tot mij wenden' is zijn commentaar. 'Vergissen is menselijk' denk ik en ik laat het er maar bij.

      Op 21 december 2000 krijg ik van de griffier een brief waarop staat dat 'de zitting om gehoord te worden op het verzoekschrift, strekkende tot faillietverklaring van u/uw bedrijf is aangehouden tot 22 december 2000'. Voor de zekerheid bel ik ditmaal naar de rechtbank om van een zekere mevr. van Loon te horen 'dat mijn zaak wederom is aangehouden en nu tot 4 januari 2001'.

      Op 27 december 2000 krijg ik van deurwaarder Schmitz een nieuwe oproep om ter rechtszitting te verschijnen en inderdaad op 'DONDERDAG, de VIERDE JANUARI TWEEDUIZEND EN EEN, des voormiddag om 9.00 uur.'

      5.  4 januari 2001: alsnog hoorzitting bij Rechtbank te Zutphen i.v.m het faillissementsverzoek / pleidooi

      Dit keer kom ik niet voor niets. Om 9.10 uur worden de vijf mensen, die mij vergezellen, en ik door een bode uitgenodigd in een grote zaal. Achter een bureau op een verhoging zit de rechter mr. W.H. Westhuis en links naast hem de griffier, de heer E. Teunissen. Voor mij liggen mijn beide door veel bibliotheken aangeschafte boeken naast mijn goed voorbereide pleidooi, waarin ik uitgebreid heb aangegeven wat mijn bezwaren zijn tegen het verzoek om mij failliet te verklaren. Mr. Westhuis geeft kort en zakelijk het faillissementsverzoek weer en vraagt mij of ik de vordering bestrijd.

      Ik antwoord dat ik weet wat een executoriale vordering is, dat ik weet dat ik moet betalen en dat ik ook zal betalen. Dan pak ik mijn pleidooi. Aan de hand van dat pleidooi stel ik mr. Westhuis op de hoogte wat er aan de schuldvorderingen vooraf is gegaan en wijs hem op de twee boeken die ik daarover geschreven heb. Ik wijs hem erop dat de vordering van Schouwink al vanaf 16 januari 1996 bestaat, dat ik nooit geweigerd heb te betalen, maar dat Schouwink en zijn advocaat geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om het vonnis te executeren.

      Ook deel ik mede dat ik van de andere in het faillissementsrequest genoemde schuldeiser, de NIP-psycholoog, drs. B.R.M. Kuypers uit Grubbenvorst, wiens vordering als steunvordering is aangegeven, in alle jaren na het executoriale vonnis ook nooit een verzoek heb gekregen om te betalen. Ik wijs de rechter op de mogelijkheid dat mijn schuldeiser daarom zijn rechten verwerkt heeft.

      Ik wijs er tevens op dat en waarom het verzoek om mijn faillissement zinloos en nodeloos is, daar ik immers wil betalen, moet betalen en zal betalen. Ik doe daarom een appèl op het in ons recht bestaande beginsel van redelijkheid en billijkheid en verzoek mr. Westhuis gebruik te maken van zijn onafhankelijkheid en uitgaande van mijn argumenten het verzoek af te wijzen. Het valt me op dat de griffier, die met een verbouwereerd gezicht weliswaar vol belangstelling kijkt en luistert, toch maar heel weinig opschrijft van hetgeen ik uitgebreid naar voren breng.

      De rechter onderbreekt mij niet. Ik krijg alle kans om te spreken en om mijn woorden toe te lichten. Dan kom ik aan het laatste punt van mijn pleidooi toe.

      Ik zeg dat ik hoop dat de rechter het nodeloze verzoek om mij failliet te verklaren, afwijst, maar dat, wanneer hij dat niet mocht doen en mij failliet verklaart, ik zoals door het bestuur van de stichting Advocadur besloten, onmiddellijk in beroep zal komen.

      Ik zeg dat ik in dat geval gebruik wil maken van de mogelijkheid om de hogere rechter te informeren over mijn ervaringen met advocaten en die van al die mensen die zich al jaren tot Advocadur wenden. Tot slot verzoek ik mr. Westhuis om de boeken, die voor me liggen in ontvangst te nemen, zodat hij als rechter van de inhoud daarvan kennis kan nemen.

      Dat weigert de rechter Westhuis. Hij stelt geen enkele vraag. Wel zegt hij in het bijzijn van alle aanwezigen dat 'de boeken voor zijn oordeel over het faillissementsverzoek niet ter zake doen, dat hij over mijn pleidooi na zal denken en dat ik van hem hoor'.

      6.  Vrijdag 12 januari 2001, 18.00 uur: telefoon van mijn 1e curator mr. Vestiens

      De dagen verstrijken. Ik hoor niets van rechter Westhuis. Daarover maak ik mij geen enkele zorg. Ik weet niet beter dan dat vonnissen van de rechter per aangetekende post met bericht voor ontvangst verstuurd worden of via de deurwaarder betekend worden. Hetzelfde blijkt te gelden voor berichten van de rechtbank, zoals bijvoorbeeld voornoemde oproep om ter hoorzitting te verschijnen of berichten over de mogelijke sanering van mijn schuld. Uit mijn eigen ervaringen en die van de stichting Advocadur blijkt dat rechters minimaal zes weken tot soms jaren de tijd nemen om tot een vonnis te komen.

      Ik verwacht het vonnis van rechter Westhuis dan ook nog lang niet en denk bij mezelf dat het goed is dat hij de tijd neemt om over mijn argumenten na te denken.

      Maar op vrijdag 12 januari 2001 om ongeveer 18.00 uur gaat de telefoon van de stichting. Er meldt zich een advocaat, een zekere mr. P.H. Vestiens van advocatenkantoor de Jonge Peters & Remmelink te Doetinchem. Als te doen gebruikelijk, wanneer een advocaat wat zegt pak ik het schrijfblok en mijn pen. Advocaat Vestiens meldt mij zonder enige emotie dat mr. Westhuis mij op 4 januari 2001 failliet heeft verklaard en dat hij tot mijn curator is benoemd. Even ben ik sprakeloos.

      Dan dringen de woorden stuk voor stuk tot mij door. 'Op 4 januari 2001, 4 januari 2001, failliet, failliet', dreunt het door mijn hoofd, waar de ene vraag na de andere zijn kop opsteekt. 'Waarom heeft niemand mij daarvan in kennisgesteld?'. 'Waarom heb ik zoals te doen gebruikelijk geen vonnis thuisgekregen'. 'Waarom heeft die rechter Westhuis zich niet aan zijn woord gehouden? 'Hij zei toch, wat we met vijf man gehoord hebben luid en duidelijk: 'U hoort van mij'. 'Waarom stelt die advocaat/curator mij pas nu op de hoogte? Kan ik nog wel wat ik wilde en wil in hoger beroep komen?'

      Die vragen laat ik op mr. Vestiens los. Die antwoordt echter op ongeïnteresseerde toon als uit een juridisch boek genomen dat 'zulks hem niet regardeert' en dat 'voor zover zijn kennis reikt, de potentiële failliet zelf naar het vonnis van de rechter dient te informeren en indien en voor zover hij in hoger beroep wenst te komen, zelf zorg dient te dragen voor een procureur die voor hem dat beroep instelt'.

      'Waarom heeft de griffier, die mij wel informeerde over het faillissementsverzoek, de hoorzitting, de schuldsanering mij niet op die noodzaak gewezen?', dien ik hem logisch van repliek.

      'Dat strekt zich niet uit tot mijn verantwoordelijkheid' is de reactie van mr. Vestiens. 'En waarom heeft u mij dat niet gezegd? 'En hoe kom ik aan een advocaat/procureur, die hoger beroep aantekent? vraag ik aan de advocaat/curator'. 'Ook dat alles behoort niet tot mijn verantwoordelijkheid' zegt hij. Wel is hij bereid om 'mij per fax het vonnis van de rechter te sturen, zodat ik zwart op wit kan lezen dat ik failliet verklaard ben en dat hij mijn curator is'.

      Tot slot zegt dat 'hij zich binnenkort bij mij zal melden ten einde te overleggen en zijn werkzaamheden ter hand te nemen'. Op 17 januari 2001 belt hij om een afspraak te maken. Op mijn schrijfblok schrijf ik: 'ten einde u nader over het faillissement te informeren'. We spreken af op 22 januari 2001 op het kantoor van de stichting Advocadur.

      7.  Vanaf vrijdag 12 januari 2001, 18.06 uur: geleur om een procureur / failliet of niet

      Op vrijdag 12 januari 2001 om 18.06 uur rolt dus het vonnis uit de fax, waaruit blijkt dat ik op 4 januari 2001 failliet verklaard ben, tevens het bewijs dat ik pas op vrijdagavond om 18.06 uur het vonnis onder ogen krijg. Bij de bibliotheek in Wehl vind ik in de Verzamelde Nederlandse Wetgeving van Vermande de faillissementswet. Ik lees dat de termijn om in hoger beroep te komen acht dagen bedraagt. 'Die termijn verstrijkt dus vandaag en in ieder geval op maandag aanstaande', besef ik. Als een razende bel ik met zo'n tien advocatenkantoren in en buiten het arrondissement Zutphen, die zonder uitzondering gesloten zijn. De dames en heren advocaten vertoeven kennelijk elders. Het enige contact dat ik met een advocaat kan leggen is via een antwoordapparaat. Ik spreek op veel antwoordapparaten mijn rechtsvraag in en dat is, dat ik voor het hoger beroep dat ik in wil en moet stellen een advocaat/procureur nodig heb.

      Dan kom ik op het idee mr. Vincent Hetterscheidt uit Doetinchem te bellen, advocaat en vader van een van de vriendinnen van mijn oudste dochter. Die man heb ik een paar keer op ouderavonden op school gezien en ook leren kennen in verband met naar hem verwezen zaken van mensen, die zich in hun juridische nood tot de stichting Advocadur gewend hebben. Nu is mijn eigen juridische nood tot grote hoogte gestegen. We noemen elkaar bij de voornaam. Ik heb zijn telefoonnummer. Tot mijn geluk neemt hij op. Ik leg Vincent mijn probleem voor.

      'Je moet als de wiederweerga in hoger beroep, want anders gaat het vonnis in kracht en gezag van gewijsde' hoor ik hem zeggen, terwijl ik die woorden opschrijf. 'Wat wil dat zeggen?' vraag ik. 'Dat betekent dat het faillissementsvonnis dan definitief is en je er niets meer tegen kunt doen,' zegt hij gewichtig en met grote nadruk. Maar mr. V. Hetterscheidt, die het zo mooi zegt, wil niet de procureur zijn, die ik nodig heb. Ik vraag hem natuurlijk waarom niet. Maar mr. V. Hetterscheidt zegt geen ja en geen nee op mijn toch duidelijke vraag. In de woorden van een van de mensen die zich in hun nood tot de stichting Advocadur hebben gewend: 'Hij duikt in een emmer met snot en hij glibbert'. Hij draait er om heen. Een ding is mij volslagen duidelijk en dat is dat hij mij niet wil helpen.

      Daarom zeg ik 'Ik betaal je goed voor je werk en ik zal het hoger beroep zelf schrijven. Dat kan ik volgens mij prima'. Dan bid en smeek ik hem om alleen maar formeel in beroep te komen zonder verder als advocaat op te treden, zodat in ieder geval de termijn niet overschreden wordt en ik niet failliet word verklaard. Ik houd hem voor dat ik dan ondertussen in alle rust een advocaat kan zoeken. Ook dat wil hij niet. Wat ik ook zeg, ik heb geen advocaat en dus geen procureur.

      Op maandag 15 januari 2001 zet ik in alle vroegte mijn geleur om een procureur voort. Ik bel allerlei mij niet bekende meesters /advocaten - procureurs. Maar als ik verteld heb wie ik ben, wat ik wil en waarom, haken ze allemaal stuk voor stuk af. Of het komt, doordat ze mij en mijn kritische artikelen in kranten en tijdschriften, mijn negatieve uitspraken in de media over advocaten en hun tuchtrecht kennen, of omdat ze een hekel hebben om een rechter uit hun arrondissement tegen te spreken, ik weet het niet.

      Ik benader de Raad van Toezicht en de deken in het arrondissement Zutphen en Arnhem met een klemmend verzoek om een procureur, maar 'zulks dient schriftelijk te geschieden en bovendien moet ik bewijzen verstrekken voor het feit dat minimaal twee advocaten niet in mijn rechtsvraag hebben willen voorzien'. Ook benader ik op maandag 15 januari 2001 de Raad voor Rechtsbijstand. Die Raad stelt zich op het standpunt dat 'het gaat om een vonnis dat in kracht en gezag van gewijsde is gegaan en waar dus geen beroep meer tegen mogelijk is'.

      Heel de maandag hoop ik dat de boodschap, die ik op vrijdag op zo'n tien antwoordapparaten van advocatenkantoren heb ingesproken tot een reactie leidt. Ik heb het faxnummer, het e-mailadres en de beide telefoonnummers van Advocadur ingesproken. Heel die maandag regent het zoals alle dagen telefoontjes, fax- en e-mailberichten van slachtoffers van advocaten, maar geen advocaat reageert op mijn noodkreet. Wat ik ook probeer, het blijkt allemaal tevergeefs. Ik blijf het proberen totdat ik weer net als vrijdagavond alleen nog maar antwoordapparaten aan de lijn krijg. Om een uur of zes, 's avonds, eindigt mijn geleur om een procureur.

      Vervolgens informeer ik het gerechtshof te Arnhem per brief en per fax met de mededeling dat 'ik hoe dan ook in beroep wil en moet komen tegen het vonnis van mr. Westhuis, dat ik van vrijdag 18.06 uur tot maandagmiddag geprobeerd heb een advocaat/procureur te vinden, dat me dat niet gelukt is en dat ik daarom zelf formeel in beroep kom en dat de gronden waarop mijn beroep berust medegedeeld zullen worden wanneer ik een advocaat/procureur gevonden heb'. Per brief krijg ik een paar dagen later het even kille als formele antwoord dat 'een gewone burger niet in beroep tegen een gerechtelijk vonnis kan komen en dat die middels een advocaat/procureur dient te geschieden' [10].

      Zelfs het aanbod van een vrouw, sympathisant van Advocadur, die de achtergronden van mijn faillissement kent, om 'alle advocaatkosten voor haar rekening te nemen', helpt mij niet aan een procureur/advocaat.

      Ik ben, wat ik nooit wilde zijn: failliet. Een dringend appèl op een tweetal cassatieadvocaten om cassatie tegen het faillissementsvonnis aan te tekenen, leidt slechts tot duidelijkheid over hun rekening, maar niet over de mogelijkheden van cassatie of over het inzetten van andere rechtsmiddelen. Ik blijf failliet.

      .      15 januari 2001 : failliet

      Nooit heb ik iets met faillissementen te maken gehad. Ik ken dus de gang van zaken niet. Ik weet niet meer van faillissementen dan dat bedrijven dat kan overkomen, die niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen. Maar ik heb geen bedrijf en geen schulden. Het feit dat ik failliet ben roept dan ook aanvankelijk geen enkel gevoel bij mij op. Dat verandert echter gauw.

      In een van de Gelderse kranten heeft een advertentie gestaan, waarin melding wordt gemaakt van mijn faillissement. Ik heb die niet gezien. Ik lees nooit advertenties over faillissementen. Maar vrienden, mensen uit mijn dorp en ver daarbuiten wel. Ze hebben gelezen dat ik failliet ben verklaard, ' Het is het gesprek van het dorp. Niemand begrijpt waarom. Ik heb immers geen bedrijf en sta ook niet te boek als iemand die schulden maakt of zijn financiële verplichtingen niet nakomt.

      Heel mijn gezin en ik worden op het faillissement aangesproken. Mensen vragen wat eraan de hand is. We worden geconfronteerd met een probleem, dat helemaal geen probleem had hoeven te zijn, wanneer het gerecht te Zutphen simpel de fout had rechtgezet, gemaakt door de griffier en/of de curator, die mij niet op de hoogte stelden van het faillissementsvonnis noch van de noodzaak om daar zelf naar te informeren. Over de verloren juridische procedures tegen de neurologen en de daaruit voortvloeiende kostenveroordeling en enorme advocatenrekeningen hebben mijn vrouw en ik onze kinderen niet ingelicht. We vonden het nog niet nodig om ze daarmee te belasten.

      Door het faillissement worden we gedwongen om de kinderen, die inmiddels allemaal rond de twintig zijn, zo goed en kwaad als mogelijk te informeren. Daar slagen we in, zeker omdat ze geïnteresseerd zijn. Maar de mensen in en buiten mijn dorp die wil ik niet informeren. Ze weten niets over mijn ongeluk en alle gevolgen daarvan. Voor hen ben ik wie ik ben. Dat wil ik graag zo houden. Daarom spreken we met de kinderen af dat we alle vragen over mijn faillissement afdoen met de mededeling dat 'Niet ik, maar de stichting Advocadur failliet is en dat een aantal advocaten en een griffier daar schuld aan hebben'.

       9.  Vanaf 15 januari 2001: postblokkade en blokkade van mijn bankrekening.

      Omdat ik failliet ben verklaard wordt mijn rekening bij de postbank onmiddellijk geblokkeerd. Er staat een bedrag op van f 5000 dat ik er, volledig overvallen door mijn faillissement, niet vanaf heb gehaald. Dat bedrag en mijn maandelijkse AAW-uitkering verdwijnen zoals afgesproken naar de bankrekening van de curator Vestiens. Ook wordt alle op mijn naam gestelde ' en aan de curator doorgestuurd. Dus ook post gericht aan mijn vrouw, mijn kinderen of aan de stichting Advocadur gaat naar de curator. De curator laat mij weten dat 'ik bij zijn secretaresse naar mijn post dien te informeren en die, nadat die door hem is gezien, kan ophalen'.

      De postblokkade is volledig zinloos. Ik heb immers geen andere inkomsten dan een aan mijn ongeluk te danken AAW-uitkering, die - zoals afgesproken met mijn 1e curator - onmiddellijk naar hem gaat. Er bereikt mij nimmer zakelijke of financiële post. Ik doe niet in commerciële zaken en heb behalve de erven Schouwink en/of mr. Bolt geen enkele schuldeiser. De enige zaak waarvoor ik mij al tien jaar inzet, is een ideële zaak, en wel die van de stichting Advocadur, tot wie zich vele slachtoffers van advocaten en van andere hoeders van ons Recht wenden. Ten behoeve van die stichting gebruik ik al jaren een deel van de AAW-uitkering. De andere post die mij bereikt, is privé.

      De curator wordt dus keer op keer geïnformeerd over privé-zaken van mijn vrouw, van mij, mijn kinderen of van Advocadur die hem als persoon noch als curator aangaan.

      Ik laat alle emoties weg, maar beperk mij tot de constatering dat het bijzonder pijnlijk is dat een volslagen vreemde man van dag tot dag in jouw zit te neuzen. De postblokkade draagt op geen enkele manier, met geen eurocent, bij aan de betaling van de schuld en dient dus geen enkel doel. Er is kortom alle reden om de postblokkade op te heffen. Daarom verzoek ik de curator per brief om een eind aan die flauwekul van de postblokkade te maken. Dat verzoek wordt per brief zonder opgaaf van redenen afgewezen. Vervolgens verzoek ik de curator om mij door hem gecontroleerde post onmiddellijk door te sturen, omdat er brieven tussen kunnen zitten, die snel een antwoord behoeven. Ook dat verzoek wordt formeel, zonder opgaaf van redenen afgewezen. Ik moet en zal mijn post na overleg met de secretaresse persoonlijk afhalen.

      10.  Vanaf 15 januari 2001: vergeefs appèl op de rechter, de griffier en de curator.

      Mijn lijf en ziel schreeuwen om gerechtigheid. Er moet voor mij wat recht gezet worden. Mij moet recht worden gedaan. Het onrecht moet stoppen. Die alleszins logische en uit de feiten volgende wens drijft mij tot acties. Ik schrijf brief na brief aan rechter mr. W.H. Westhuis, die zich niet aan zijn woord heeft gehouden, aan de griffier, dhr. E. Teunissen en aan mijn curator, dhr. mr. Vestiens.

      Mijn verzet richt zich op dat moment logischerwijs nog enkel en alleen op het feit dat ik niet op de hoogte ben gesteld van het vonnis en van de klaarblijkelijke noodzaak om zelf naar dat vonnis te informeren. In alle toonaarden wijs ik erop dat ik daardoor niet in beroep heb kunnen komen en schuldeloos in een voor mij beschamend faillissement terecht ben gekomen. Ik vraag om het proces-verbaal van de hoorzitting, dat me niet verder helpt dan de conclusie dat de griffier niet heeft opgeschreven dat rechter Westhuis heeft gezegd dat ik van hem zou horen.

      Ik doe op grond van de feiten een klemmend appèl op voornoemde hoeders van mijn Recht. Ik appelleer aan hun gevoel voor redelijkheid en billijkheid en verzoek hen om maatregelen te nemen die er toe zullen leiden dat ik alsnog in beroep kan komen. De antwoorden die ik krijg komen er kort samengevat op neer dat voornoemde hoeders van mijn recht hun verantwoordelijkheid op elkaar afschuiven of hun toevlucht nemen tot klinkklare leugens. Een daarvan is dat de heer mr. H. Peters [11] toenmalig medewerker van de stichting, maar zonder enige kennis van en ervaring met faillissementszaken, tot mijn juridisch adviseur wordt verheven en ik tot zijn cliënt. Die verkeerde voorstelling van zaken is door de griffier in de juridische wereld geholpen en daar nooit meer uit gekomen. Aan die leugen wordt onder andere door mijn rechter mr. W.H. Westhuis in zijn brief d.d 18 januari 2001 de conclusie verbonden dat deze 'juridische adviseur eerder telefonisch naar de uitspraak had kunnen informeren'.

      In diezelfde brief gaat mr. Westhuis zich te buiten aan een andere leugen met zijn uitspraak 'temeer daar u, zoals u zelf schrijft in uw brief van 16 februari 2001 - wist dat mogelijk nog de dezelfde dag uitspraak zou worden gedaan'.

      Een tweetal verklaringen van mr. Peters zelf waarin hij de stellingen van de griffier en mr. Westhuis als onwaar bestempelt, vinden geen gehoor. Een stroom van brieven maakt duidelijk dat de rechter, de griffier, de rechter-commissaris en de curator geen antwoorden geven op vragen, feiten ontkennen en verdraaien, kortom dat ze niet bij machte zijn om een, door één van hen, veroorzaakt probleem op te lossen. Er ontstaat een lange correspondentie, die te uitgebreid is om in dit verhaal op te nemen, maar wel zo sprekend is dat die aangeboden wordt aan wie daarin geïnteresseerd is.

      11.  Vanaf 15 januari 2001: vergeefs appèl op de president van de Rechtbank te Zutphen en de P.G van de Hoge Raad te Den Haag

      Omdat ik van degenen die in mijn rechtsgevoel de eerste verantwoordelijkheid dragen voor mijn faillissement, de griffier, de rechter en de curator nul op mijn rekwest krijg, wend ik mij tot de president/bestuurder van de rechtbank. Deze blijkt er niet te zijn. Zijn hoge ambt wordt waargenomen door mr. A.C. de Visser. De wet spreekt met geen woord over de noodzaak om in tegenstelling tot alle andere vonnissen, ingeval van een faillissementsvonnis zelf naar het vonnis te informeren.

      Maar met betrekking tot. de bevoegdheden van een president van een rechtbank biedt de wet wel soelaas.

      Art. 14 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (WRO) stelt duidelijk:

      De presidenten zijn bevoegd, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun college, de gerechtsauditeurs, de griffiers, substituut-griffiers en waarnemend griffiers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of ambtsplichten verwaarlozen, of die zich schuldig maken aan overtredingen in art. 11, onder c bedoeld … de nodige waarschuwing te doen',

      Art. 11, c spreekt over:

      Handelen en nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen vertrouwen.

      Maar waarnemend president mr. A.C. de Visser doet niet de nodige waarschuwing, ook al ligt het er duimendik bovenop dat het feit dat ik niet over het faillissementsvonnis geïnformeerd ben, schade heeft toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en aan het in haar te stellen vertrouwen.

      Art. 192 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering:

      Getuigenverhoor

      Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor, zo vaak een der partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing der zaak (misbruik van procesrecht, etc.) kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.

      Mijn verzoeken om getuigen te horen vinden geen gehoor. Ik ben voor de waarnemend president klaarblijkelijk geen partij. De waarnemend president hoort mij niet, hij roept geen deskundige getuigen op om zich een beeld te vormen over de gang van zaken in mijn faillissement. Hij verricht geen enkel onderzoek, gaat voetstoots uit van de juistheid van de gegevens die de griffier, de rechter, de curator en de R.C hem aanreiken.

      Ik heb tal van klachten over de wijze waarop ambtenaren van een rechterlijk college zich jegens mij gedragen. Weer lijk ik de wet aan mijn zijde te hebben.

      Art. 14 a van dezelfde wet WRO zegt:

      Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een ambtenaar van een rechterlijk college zich jegens hem heeft gedragen, kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad verzoeken een vordering in te stellen bij die Hoge Raad tot het doen van een onderzoek naar die gedraging.

      Ik wend me dan ook onmiddellijk tot de Hoge Raad en wel tot de procureur-generaal (p.g), de heer mr. Th. B. ten Kate, zij het met weinig vertrouwen.Dat komt, omdat uit gegevens van de stichting WORM (Wetenschappelijk Onderzoek Rechterlijke Macht) blijkt dat de procureur-generaal mr. Th. B. ten Kate van de 317 klachten over handelingen van rechters, die in de periode 1991-1994 werden ingediend in geen enkel geval 'een verzoek tot het instellen van een vordering tot het doen van onderzoek bij de Hoge Raad heeft ingesteld'. Uit de gegevens die de stichting Advocadur bereiken blijkt dat er in het beleid van de procureur-generaal óók na 1994 geen enkele verandering is gekomen. [12]]

      Voornoemde procureur-generaal wijst mijn klachten dan ook net als de waarnemend president van de rechtbank simpel met leugenachtige brief af. Geen gesprek, geen onderzoek, niets. Kortom de wet is duidelijk, maar degenen die er voor betaald worden die wet uit te voeren doen er niets mee. : 'bij juristen zo incestueus diep in hun genen woekert dat geen sterveling zijn gelijk behaalt'.

      12.  22 januari 2001: bezoek van de 1e curator

      's-Middags om 15.00 uur staat mijn 1e curator, de heer mr. P.H. Vestiens, advocaat bij advocatenkantoor Remmelink te Doetinchem voor de deur. Na de rechter en de griffier is hij de eerste mens in mijn faillissement, die ik wat langer en wat minder formeel te zien krijg. Een voorwaar keurige man, van middelbare leeftijd.

      Onder de arm van zijn lange, beige regenjas houdt hij een aktetas. De jas gaat uit en er komt een keurig, herfstig bruin pak met dito stropdas te voorschijn. Ik nodig hem uit op het kantoor van Advocadur, waarop dat moment de medewerker, de heer mr. H. Peters, aanwezig is. Mr.Vestiens laat nieuwsgierig zijn ogen gaan langs de twee witte bureaus, de computers, telefoons, papieren, boekenkasten en de vier grote dossierkasten, gevuld met menselijke drama's waar stuk voor stuk advocaten verantwoordelijkheid voor zouden moeten dragen. Hij bekijkt ons kantoor en vraagt niets.

      Hij accepteert de aangeboden koffie, die hij zich goed laat smaken. Rustig en ontspannen leunt hij achterover. Dan komt uiteraard het faillissement ter sprake. In uiterst algemene termen legt hij uit wat de taak   van   de   curator   in   een   faillissement  is.  Het woord faillissement roept bij mij onmiddellijk onvrede en verzet op, die zich vanzelfsprekend richt op de curator.

      Ik wijs hem erop dat heel het faillissement en zijn bezoek niet nodig waren geweest, wanneer hij mij gewoon op tijd op de hoogte had gesteld van het faillissementsvonnis. Mr. Vestiens reageert met de opmerking dat 'het niet op de weg van de curator ligt om de failliet over het vonnis van de rechter te informeren, maar dat de failliet zulks zelf dient te doen'. Van die kille, formele zin maak ik snel een notitie, omdat ik hem niet verloren wil laten gaan. Als die zin op papier staat, stel ik daar het argument tegenover dat niemand mij gewezen heeft op de noodzaak om zelf te informeren naar het vonnis van de rechter. Ook vraag ik hem of die noodzaak bij wet of op een andere manier geregeld is. Mr. Vestiens vraagt of hij mag roken, maar gaat niet in op mijn argument noch op mijn vraag.

      Vervolgens vraag ik hem - wat ik me heb voorgenomen en wat ik al geformuleerd voor me op papier heb liggen - of 'hij als curator/ advocaat een kennelijk onredelijke opdracht, die niet in het belang is van zijn cliënt of van wie dan ook kan weigeren'. Tot mijn verwondering beaamt mr. Vestiens mijn vraag volmondig.

      Dan houd ik hem voor dat 'de uitvoering van het faillissementsvonnis onredelijk is, omdat ik door zijn nalatigheid niet in hoger beroep heb kunnen komen'. Dat feit ontkent mr. Vestiens niet en hij bevestigt het ook niet. Vervolgens pak ik de beide boeken, die door de bibliotheekdienst in een keurige harde kaft zijn gestoken, druk ze onder zijn neus en zeg dat 'ook uit die beide boeken volgt dat uitvoering van het faillissementsvonnis onredelijk is en een goed advocaat of curator niet betaamt'.

      Mijn curator vindt dat 'hij slechts een opdracht van de rechter uitvoert'. Ik wijs hem op zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, zijn advocateneed, die hem verbiedt mee te werken aan een zaak, van de redelijkheid waarvan hij in gemoede niet overtuigd is. Ook wijs ik hem - mijn aantekeningen herlezend - op de noodzaak eerst de boeken te lezen en dan pas te beslissen over de redelijkheid van de faillissementszaak. De reacties van mr. Vestiens en zijn weigering om kennis te nemen van de informatie uit de boeken zijn zo algemeen en zo formeel dat ik van verdere discussie afzie. Ik beperk  me ter vermijding van nog meer ergernis maar tot de wijze waarop het faillissement op de snelst en meest aanvaardbare wijze mogelijkerwijze kan worden afgewerkt. Op de vragen van mijn curator over mijn financiële middelen antwoord ik daarom frank en vrij zonder enig voorbehoud. Ik stel hem op de hoogte van de gezamenlijke rekeningen van mijn vrouw en mij bij de Rabobank en de ING te Wehl.

      Ook wijs ik hem er op dat ik in 1996 vóórdat de schulden in rechte vaststonden conform art. 109 t/m 113 (oud Burgerlijk Wetboek, boek 1, titel 8 en Nieuw Burgerlijk Wetboek, boek 1) afstand heb gedaan van mijn deel in de huwelijksgoederengemeenschap en dat die afstand door de rechtbank te Breda bij vonnis is bevestigd. Op grond van die opheffing van de gemeenschap bezit ik naar mijn overtuiging dus niets meer dan de door mijn curator al geleegde bankrekening en een AAW-uitkering, die naar die bank wordt overgeschreven.

      Mr. Vestiens zegt mij toe dat hij zo spoedig mogelijk zijn standpunt zal bepalen met betrekking tot die afstand. Vervolgens stelt hij zelf voor om 'wanneer mocht blijken dat mijn deel van de huwelijks-goederengemeenschap buiten het faillissement blijft, mijn uitkering van maand tot maand rechtstreeks in de faillissementsboedel te laten vallen, totdat er voldoende geld is om de gehele schuld te betalen'. Omdat ik die volzin niet zo snel kan noteren, vraag ik de curator om die te herhalen. Dat doet hij. Dan gaat hij verder met de woorden: 'Op die wijze kan dit faillissement zonder nodeloos leed voor alle betrokkenen kan worden afgewikkeld'.

      Dat voorstel spreekt mij aan. Mijn 'schuldeisers' krijgen door dat voorstel immers voorlopig mijn geld nog niet en ik krijg tijd en rust, die ik wil gebruiken om mij meer kennis eigen te maken over de gang van zaken bij faillissementen en ook om mijn 'schuldeisers', die immers een ereschuld bij mij hebben in te lossen, op redelijke gedachten te brengen.

      Rekening houdend met voornoemd voorstel zijn er naar mijn overtuiging van toen geen andere werkzaamheden dan het door de curator te bepalen standpunt over de afstand die ik gedaan heb van mijn aandeel in de goederengemeenschap.Het feit dat mijn geld automatisch overgemaakt wordt naar de faillissementsrekening levert geen werk op. Met geen woord rept hij over andere door hem te verrichten werkzaamheden.

      Mr. Vestiens praat gezellig, gaat de discussie niet uit de weg en drinkt nog een kopje koffie. Maar hij geeft mij schriftelijk noch mondeling informatie over het feit dat hij mij als curator voor iedere minuut, die hij zich met mijn faillissement bezighoudt, geld in rekening brengt. Zijn uurloon komt niet ter sprake.

      Dat zijn bezoek mij een vermogen kost, daarvan ben ik mij op dat moment niet bewust. Ik weet niet beter dan dat een curator een door de rechtbank benoemd en bezoldigd persoon is, die belast is met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Ik weet niet beter dan dat een curator iemand is die helpt, die 'cureert', iemand die werken verricht die een algemeen belang dienen, die net zoals de griffier, de leden van de Raden- en het Hof van Discipline taken uitvoert, die van overheidswege betaald worden. Klagers over advocaten hoeven immers ook niet te betalen net zoals verdachten de officier van Justitie noch de rechter hoeven te betalen.

      Ik begin nog een discussie over de zinloosheid van de postblokkade. Mr. Vestiens zegt dat 'het niet aan hem maar aan de rechter-commissaris is om daarover een beslissing te nemen', maar hij zegt niet dat iedere door hem te openen brief mij een vermogen zal gaan kosten.

      Hoe het ook zij, ik weet niet dat ik die man in zijn bruine pak moet betalen. Ik weet niet dat ik de duurste koppen koffie van mijn leven aanbied en het duurste gesprek en discussie ooit voer. De curator zelf, maar ook de rechter, de griffier, de rechter-commissaris informeren mij schriftelijk noch mondeling over het financiële gevaar dat mijn curator is. Als ik mij van dat gevaar bewust geweest was, was ik ter besparing van reiskosten naar de man toegegaan en als hij naar mij gekomen was had ik hem zo snel mogelijk bij zijn bruine pak gepakt en hem desnoods met kop en kont mijn huis uitgezet. Maar ik ben mij van geen gevaar bewust. Tot 12 maart 2001 hoor ik niets meer van mijn curator. Op die dag belt hij mij op met de mededeling, die ik letterlijk opschrijf:

      'Ik heb mij met de rechter-commissaris op het standpunt gesteld dat uw vraag aan mij met betrekking tot de gevolgen van de boedelafstand niet aan de orde is, omdat ik in verband met de hoogte van de schuld inmiddels besloten heb het inkomen van uw vrouw niet aan te spreken.'

      13.  Vanaf 22 januari t/m 19 april 2001: de rechter-commissaris: mr. D. Vergunst

      Door de onwrikbare opstelling van de erven Schouwink, de griffier, de rechter, de procureur-generaal van de Hoge Raad en de curator, die zich niet ontvankelijk tonen voor het probleem waarin ik schuldeloos terecht ben gekomen, besef ik dat ik zal moeten accepteren dat ik failliet ben en zal moeten betalen. Maar ik wil het de mensen die mijn faillissement hebben aangevraagd en die niet voor rede vatbaar blijken te zijn, zo moeilijk mogelijk maken. Ik heb er begrijpelijkerwijs enorm veel moeite mee om geld te betalen aan de erven Schouwink en hun advocaat, die als gezegd in mijn rechtsgevoel enorm veel meer aan mij verschuldigd zijn. Iedere mogelijkheid om de betaling van dat geld uit te stellen, wil ik dan ook aangrijpen.

      In overleg met vrienden/leden van de stichting Advocadur besluit ik - nu ik failliet ben verklaard - mijn huid zo duur mogelijk te verkopen en de confrontatie aan te gaan met de curator en de rechtbank, die mij immers niet wezen op de noodzaak om zelf naar het vonnis van de faillissementsrechter te informeren.

      Conform de doelstelling van de stichting willen we registreren en documenteren hoe justitie zich gedraagt en dat geldt dus ook voor faillissementen. Op de gang van zaken in mijn faillissement is op dat moment al heel wat aan te merken. Op die gang van zaken dient de rechter-commissaris acht te slaan. De curator, de griffier, de rechtbank, niemand wijst mij op die taak. Daar moet ik op eigen krachten achterkomen.

      Daarom vraag ik de rechter-commissaris op 31 januari 2001 om uitstel van de werkzaamheden van de curator en daarmee om opheffing van de postblokkade totdat de procureur-generaal van de Hoge Raad op mijn klacht heeft beslist. De rechter commissaris antwoordt op 2 februari 2001: 'er is geen wettelijke bepaling die mij de mogelijkheid biedt om de curator een bevel te geven om zijn werkzaamheden op te schorten'.

      Op 8 februari 2001 dien ik hem van repliek met onder andere de stelling 'De rechter-commissaris is geen automaat, maar een mens die onafhankelijk van 'wettelijke bepalingen' tot een oordeel kan komen en/of de rechter daarom kan vragen, zeker wanneer de redelijkheid en billijkheid hem daartoe aanleiding geven'.

      Op mijn repliek gaat de rechter-commissaris niet in. Hij schuift mijn verzoek en mijn repliek door naar de rechter, die zich net als de rechter-commissaris op het ontbreken van een wettelijke bepaling beroept en mijn verzoek op 22 februari 2001 afwijst. Ik ben en blijf dus veroordeeld tot die zinloze postblokkade. Ook op 22 februari 2001 haal ik noodgedwongen mijn post op. Er zitten drie brieven tussen, die niet voor mij maar voor andere 'faillieten' bestemd zijn. Ik maak geen gebruik van de mogelijkheid om het gebrek aan accuratesse van mijn 1e curator breed uit te meten, maar ik stuur die brieven op 24 februari 2001 keurig terug.

      Mijn 1e curator is immers per slot van rekening dezelfde man, die mij gezegd en in zijn faillissementsverslag geschreven heeft, en van wie ik dan nog denk dat die 'er voor gekozen heeft de woning van de heer Terharte niet te executeren en het inkomen van uw echtgenote niet aan te spreken nu er weinig schuldeisers zijn en de schuldenlast relatief klein is'. Dezelfde man die vindt dat 'een dergelijke aanpak immers snel een einde zou maken aan het faillissement, maar mede een grote impact op de gezinsleden van de heer Terharte en hem zelf heeft', dezelfde man, die vindt dat ' indien de uitkering van de heer Terharte geheel in de boedel valt, dat dit faillissement zonder nodeloos leed voor alle betrokkenen kan worden afgewikkeld'.

      Daarom maak ik een gebaar van bereidheid tot vrede en daarom verzoek mijn 1e curator om 'in het vervolg net als op sommige andere advocatenkantoren te doen gebruikelijk mijn post direct even door te sturen en mij daarmee een reis naar Doetinchem en andere ellende te besparen'. Op mijn verzoek wordt niet gereageerd. Het wordt dus niet gehonoreerd. Mijn vredesgebaar wordt afgewezen. Ik ben en blijf dus gedwongen om de aan mijn vrouw, kinderen en aan mij gerichte post en brieven op te halen. Al die post heeft nimmer met het faillissement te maken en bevat nooit een woord, waarmee de curator en mijn schuldeiser Schouwink hun voordeel zouden kunnen doen. Ik heb mijn curator immers volledige opening van mijn financiële zaken gegeven.

      Ik herhaal daarom op 23 februari 2001 mijn verzoek aan de rechter-commissaris om de onzinnige postblokkade op te heffen. Daarnaast vraag ik op 20 maart 2001 op grond van mijn geringe financiële middelen - een AAW-uitkering - en omdat de 1e curator besloten heeft ' het inkomen van mijn vrouw niet aan te spreken en het huis niet te executeren', om toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarop de griffier mij in november 2000 gewezen heeft.

      Een groot deel van mijn uitkering stop ik al jaren in de stichting Advocadur. Van die uitkering betaal ik allerlei kosten en indien nodig de reiskosten van de medewerkers, onder wie de heer mr. H. Peters. Door het faillissement kan ik deze betalingen niet meer verrichten. Al mijn geld gaat immers naar de curator.

      Om het - als gezegd - de erven/schuldeisers Schouwink zo moeilijk mogelijk te maken en om betaling te kunnen uitstellen, maar ook omwille van de financiering van de activiteiten voor Advocadur richten de heer mr. Peters, toenmalig medewerker van de Stichting Advocadur, en de stichting zelf in goed overleg met mij op 4 april 2001 een verzoek tot de rechter-commissaris om als schuldeiser erkend te worden. Daarbij baseren zij zich op het standpunt dat zij betaling willen van de kosten die ik placht te betalen.

      Volgens art. 64 van de faillissementswet 'houdt de rechter-commissaris toezicht op het beheer en de vereffening van de faillieten boedel'. De wet laat zich niet uit over de eisen die aan dat toezicht gesteld dienen te worden. In mijn faillissement wordt duidelijk dat de rechter-commissaris bij dat genoemd toezicht klaarblijkelijk een grote mate van vrijheid toekomt. Conform art. 66 is de rechter-commissaris 'Bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden het faillissement betreffende, getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te bevelen'. Er worden nog altijd geen getuigen of deskundigen gehoord. Mijn vrouw noch ik worden gehoord 'ter opheldering' van de droevige 'omstandigheden' zoals die van de postblokkade, de gevolgen van het niet doorsturen van belangrijke brieven en klinkklare leugens, etc.

      Zoals hiervoor aangegeven heb ik in 1996 op advies van een bevriende notaris om op geld beluste advocaten van mijn lijf te houden conform art. 109 e.v. van het Nieuwe Burgerlijke Wetboek afstand gedaan van mijn deel in de huwelijksgoederengemeenschap. Dat feit heeft logischerwijs alles te maken met het beheer en de vereffening van de failliete boedel, waar de rechter-commissaris toezicht op moet houden. Voor dat toezicht dient de rechter-commissaris uiteraard over objectieve juridische informatie te beschikken. Uit alles blijkt dat de rechter-commissaris niet over die informatie beschikt.

      Maar desalniettemin roept hij, om een juridisch pasklaar antwoord te krijgen op de vraag wat de juridische gevolgen zijn van voornoemd art. 109, geen als objectief en onafhankelijk aan te merken getuigen en deskundigen op ter opheldering van de vraag of en zo ja wat die afstand voor mijn faillissement betekent. Wat de rechter-commissaris daarentegen wel doet is dat hij mijn verzoek om voor een schuldsanering in aanmerking te komen, net als sommige andere verzoeken, doorspeelt naar mijn 1e curator, die op grond van zijn, mij later gebleken, grote financiële belangen bij mijn faillissement bepaald niet objectief blijkt te zijn.

      Als een volleerd advocaat geeft de curator in zijn brief d.d. 5 april 2001 - ondanks zijn eerdere beloftes - toch uitgebreid zijn mening over de door mij gedane afstand van mijn deel uit de huwelijksgoederengemeenschap. Al zijn bespiegelingen rondom die afstand zijn bovendien in tegenspraak met wat hij me op 12 maart 2001 telefonisch mededeelde en in voornoemde brief van 5 april 2001 schrijft. In die brief en ook in zijn faillissementsverslag bevestigt mijn 1e curator de met mij gemaakte afspraak met nota bene de al eerder aangehaalde woorden:

      'Ik heb er voor gekozen de woning van de heer Terharte niet te executeren en het inkomen van zijn echtgenote niet aan te spreken nu er weinig schuldeisers zijn en de schuldenlast relatief klein is. Een dergelijke aanpak zou immers snel een einde maken aan het faillissement, maar heeft mede een grote impact op de gezinsleden van de heer Terharte en hem zelf. Indien de uitkering van de heer Terharte geheel in de boedel valt kan dit faillissement zonder nodeloos leed voor alle betrokkenen worden afgewikkeld'.

      Verder maakt hij gebruik van de klinkklare leugen dat ik 'geweigerd zou hebben hem gegevens over het inkomen van mijn vrouw te geven'.

      Immers, toen mijn 1e curator in zijn keurige, bruine pak bij mij was, heeft hij mij al naar onze banktegoeden en naar het inkomen van mijn vrouw gevraagd. Daarover heb ik hem toen geïnformeerd. Dat is de 1e curator klaarblijkelijk vergeten. En bij zijn bij mij peperduur in rekening te brengen 'studie, lezing, ontwerpen, rangschikken en opstellen van stukken, etc' is hij klaarblijkelijk niet toegekomen aan zijn door hen zelf ingevulde en op 14 februari 2001 ondertekende 'Vragenlijst voor curatoren', waarop hij onder punt 2 keurig het door mij opgegeven inkomen van mijn vrouw invult.

      Nu ik een op juridische gronden (afstand van mijn deel in huwelijksgoederengemeenschap) gebaseerd verzoek indien om in aanmerking te komen voor een sanering van mijn 'schuld', houdt de curator zich niet meer aan zijn woord. Er is geen andere dan de droevige conclusie dat het toezicht van de rechter-commissaris zich óók niet tot voornoemde leugens en verbroken beloftes heeft uitgestrekt.[13]

      Gedurende al mijn contacten met mijn 1e en later met mijn 2e curator moet ik constateren dat zij namen, feiten en argumenten door elkaar gooien. Dat blijkt bijvoorbeeld uit voornoemde brief d.d. 5 april 2001, die mijn 1e curator aan de rechter-commissaris mr. W.H.H. Westhuis richt. Mijn rechter-commisaris is echter de heer Vergunst. Mr. Westhuis was de rechter die beloofde 'om over mijn woorden na te denken en van zich te laten horen'.

      Mijn verzoek voor het saneren van mijn schuld wordt vervolgens door de rechter-commissaris d.d 9 april 2001 afgewezen. Voor die afwijzing is naar mijn overtuiging een beslissing over de juridische gevolgen van mijn verklaring van afstand van mijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap noodzakelijk, met andere woorden een beslissing over de juridische vraag of mijn vrouw al dan niet gehouden is om op te komen voor mijn schulden. Die beslissing neemt mijn rechter-commissaris niet. Zonder nader onderzoek en zonder mij of een objectieve ter zake deskundige te informeren volgt de R.C. mijn 1e curator. In zijn brief d.d. 9 april 2001 schrijft hij: 'Ik ga ervan uit dat uw echtgenote voldoende inkomsten geniet om in het levensonderhoud van u en uw gezin te voorzien'. De uiteindelijke beslissing op mijn verzoek om mijn faillissement om te zetten naar de schuldsaneringsregeling laat hij over aan de rechtbank. Daaruit en ook uit het navolgende blijkt de willekeur van het handelen van mijn rechter-commissaris.

      Ook mijn verzoek om de werkzaamheden van de curator stop te zetten totdat de procureur-generaal bij de Hoge Raad op mijn klacht heeft beslist wordt in een daarvoor op 15 maart 2001 belegde hoorzitting besproken. Die zitting, waarvoor een rechter, de griffier en de curator zich vrij gemaakt hebben, blijkt volledig onnodig. Dat komt doordat de curator verzuimt om mij de post door te sturen, c.q mij niet op de hoogte stelt van belangrijke, aan mij gestuurde brieven. Een belangrijke brief is die van de procureur-generaal bij de Hoge Raad d.d. 14 februari 2001. Die brief bevat namelijk de afwijzing van mijn verzoeken aan de procureur-generaal en had de hoorzitting van 15 maart 2001 geheel en al overbodig gemaakt, wanneer ik er kennis van had kunnen nemen.

      Het enige argument van de procureur-generaal in zijn brief d.d 14 februari 2001 is de leugen, die de door de griffier in de wereld is geholpen. Die leugen is dat 'ik kon beschikken over een juridische adviseur die mij op de noodzaak om zelf naar mijn faillissementsvonnis te informeren had kunnen wijzen'.

      Die klinkklare leugen leidt samen met de botte afwijzing van mijn verzoek om de postblokkade op te heffen en de even botte afwijzing van mijn andere verzoeken weer tot nieuwe brieven aan en van de procureur-generaal, de griffier en de rechter - commissaris, die niet in staat blijken voornoemde leugen uit de juridische wereld te helpen. Ik vraag de rechter-commissaris er op toe te zien dat de curator belangrijke brieven op tijd doorstuurt.

      Met name vraag ik de rechter-commissaris waarom sommige van mijn verzoeken, zoals het stopzetten van de werkzaamheden van de curator en het verzoek om een schuldsanering, aan de rechter worden voorgelegd en andere verzoeken zoals het stopzetten van de postblokkade, niet. Die en vele andere vragen worden niet beantwoord. Op mijn argumenten gaat de belangrijkste toezichthouder en hoeder van mijn Recht, de rechter-commissaris, niet in. Op mijn verzoeken wordt niet beslist of er wordt een beslissing genomen die op feitelijke gronden onmogelijk is. Dat leidt weer tot een reeks van vragen die ook niet worden beantwoord.

      Bij brief d.d 11 april 2001 stel ik mijn rechter-commissaris wederom een aantal concrete vragen. Met name vraag ik hem voorde zoveelste keer om 'een bindende uitspraak te doen over de vraag of alle vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap nou wel of niet in de faillissementsboedel vallen'.

      Van die uitspraak wil ik op de hoogte zijn, voordat de rechters een beslissing nemen over mijn verzoek om een schuldsaneringsregeling. Er komt geen antwoord. Weer vraag ik om mondeling overleg, ook al is dat al de vorige keren dat ik daarom vroeg, niet gehonoreerd.

      14.   19 april 2001: uitnodiging voor een gesprek met de R.C., mr. D. Vergunst

      Tot mijn verwondering nodigt de rechter-commissaris mij uit voor een gesprek en wel op 19 april 2001 in de namiddag in de rechtbank. In een grote zittingszaal zie ik mijn rechter-commissaris voor de eerste keer.

      Mr. Vergunst komt kennelijk van een zaak, want hij heeft zijn toga nog aan en zijn bef nog om. Mr. Vergunst zit ver van mij af achter een grote tafel op een verhoging. Hij lijkt een beminnelijk man en hij kijkt me vriendelijk aan. Rechts naast hem zit de griffier, die net als bij de hoorzitting aantekeningen van het gesprek maakt. Mijn blocnote houd ik als te doen gebruikelijk in de aanslag om goed notitie te nemen van wat er gezegd zal gaan worden.

      De R.C. houdt een lange inleiding, die er samengevat op neerkomt dat hij 'grote bewondering heeft voor het zeker noodzakelijke werk van Advocadur/Advokater i.o., maar dat ik in de faillissementszaak tegen windmolens vecht, een gevecht dat bovendien kosten met zich meebrengt'. Het woord kosten jaagt de schrik door mijn lijf. 'Hoezo kosten', vraag ik bezorgd.

      Drie en een halve maand na het faillissementsvonnis word ik uit mijn droom geholpen dat mijn verzet tegen het faillissement net als bij het tuchtrecht voor advocaten of het bestuursrecht kosteloos zou zijn. 'De curator dient voor al zijn werkzaamheden betaald te worden' zegt mr. Vergunst, terwijl hij mij nog steeds vriendelijk en zelfs een beetje vaderlijk aankijkt.

      In mijn geheugen staat het bezoek van de curator in zijn keurige bruine pak voor eeuwig gegrift. Ik zie hem weer zitten, ontspannen achterover leunend, genietend van zijn koffie en zijn sigaretje. Ik hoor hem weer zijn woorden kiezen, die hij keurig en nadrukkelijk uitspreekt, alle tijd van de wereld nemend, zonder mij op de hoogte te stellen van zijn kosten. 'Maar over zijn kosten heeft hij met geen woord gerept', gooi ik er woedend uit. 'En ook de griffier, de rechter en ook u, de rechter-commissaris,hebben mij nooit gezegd of geschreven dat de curator zijn werkzaamheden in rekening zal brengen en hoeveel mij dat gaat kosten. Ik ben dus ronduit misleid en belazerd', laat ik mij ontvallen. 'Ik neem aan dat u mij bij de aangifte van misleiding en bedrog wel behulpzaam zult zijn' laat ik er sarcastisch op volgen.

      De R.C. doet er het zwijgen toe, maar ontkent mijn laatste beschuldigingen niet. Ik doorbreek de stilte en vraag op de man af 'Hoeveel gaat die curator mij in godsnaam kosten?'

      Mr. Vergunst kijkt mij nog altijd vriendelijk aan en zegt: 'Het is niet aan mij om daarover een oordeel uit spreken'. Mijn vraag 'aan wie dat dan wel is en of hij op grond van zijn ervaring bij benadering aan kan geven hoeveel de curator in rekening brengt' blijft onbeantwoord in de grote rechtszaal hangen. Daarom herhaal ik mijn klacht dat hij, de griffier en de rechter, mij nooit hebben gezegd of geschreven dat de curator zijn werkzaamheden in rekening zal brengen en hoeveel mij dat gaat kosten. De rechter-commisaris reageert met de woorden: 'Indien en voor zover u zich met de gang van zaken en de gegeven informatie niet kunt verenigen, kunt u zich daarover bij de rechtbank beklagen'. Van die typische juristenvolzin maak ik snel een notitie, om die niet te vergeten.

      De woorden en de argumenten van de rechter-commissaris leiden naar het pijnlijke besef dat al mijn protesten al geld gekost hebben en dat nieuwe protesten nog meer geld zullen kosten. Ik maak me ernstige zorgen en leg die aan de rechter-commissaris voor. Hij reageert vriendelijk op mijn zorg en slaat weer erg menselijke tonen aan. Hij raadt mij met klem en veel overtuigingskracht aan om 'ter voorkoming van verdere curatorkosten zo snel mogelijk mijn verzet op te geven en mijn schuld te betalen' en zegt dan dat 'de rekening van de curator wel mee zal vallen'. Zijn woorden klinken echt en gemeend en hij kijkt er ook erg serieus bij.

      Ik meen zelfs enige bewogenheid te ontwaren. De griffier knikt instemmend. Ik reageer op de menselijke signalen die de rechter-commissaris en de griffier uitzenden. Daardoor ontstaat er zowaar een ontspannen,  ongedwongen, vriendelijke atmosfeer. In die atmosfeer raadt mr. Vergunst mij aan om 'zo snel mogelijk te betalen en om daartoe de curator te vragen om een specificatie van zijn rekening'. 'Curator om specificatie vragen en dan betalen' schrijf ik met grote letters op mijn schrijfblok.

      Dan zegt hij: ' indien en voor zover u kritiek en commentaar op de rekening van de curator mocht hebben, raad ik u aan om mij daarvan in kennis te stellen, zodat ik als R.C. met het een en ander rekening kan houden'.

      Die woorden klinken mij als muziek in de oren en werken als een kompres op mijn rechtsgevoel, dat na zovele uit de lucht gegrepen torenhoge advocatenrekeningen, nu ontstoken is door de angst voor de rekening van mijn advocaat/curator. Die angst steek ik niet onder stoelen en banken van de grote zittingszaal. Maar mr. Vergunst reageert daar menselijk op. En de griffier knikt bevestigend en vriendelijk. Er ontstaat een informeel, eerlijk en open gesprek, waarin ik de rechter-commissaris uitgebreid kan informeren over de juridische nood waarin zovele mensen door met name het doen en laten van advocaten in terechtkomen.

      We praten over lekenrecht, de verplichte procesvertegenwoordiging, die de toegang tot de rechter blokkeert, over mijn boeken, die de rechter-commissaris na de afhandeling van mijn faillissement zegt te willen lezen. Kortom, ik denk een mens te vinden die ik kan vertrouwen, een mens die niet alleen een graad in de rechtsgeleerdheid heeft, maar ook een graat in zijn rug, een vent die het als dat nodig mocht zijn op durft te nemen tegen de curator.

      De rechter-commissaris maakt een sympathieke indruk op mij en ik vertrouw hem op zijn woorden. Daarom laat ik mij door hem overtuigen. Daarom zeg ik dat ik mijn verzoek om in aanmerking te komen voor de sanering van mijn schuld intrek. [14] Daarom zeg ik dat ik mijn verzet op zal geven en dat ook de door de curator toch al niet erkende concurrente schuldeisers, mr. H. Peters en de stichting, waarvan ik de voorzitter ben hun 'schuldvorderingen' zullen intrekken. Dan zeg ik dat ik de curator om diens gespecificeerde rekening zal vragen en zal betalen. Tenslotte zeg ik tegen de R.C. dat hij geen antwoorden meer hoeft te geven op mijn vragen in mijn brief van 11 april 2001 op één voorwaarde, 'en die is' vraagt de rechter-commissaris. 'Die is dat u mijn schuldeisers, de erven Schouwink en de psycholoog drs. B.R.M. Kuypers vraagt of zij volledig achter het faillissement staan, of ze door hun advocaat zijn geïnformeerd over het verzoek mij failliet te verklaren en of mijn geld, als ik betaal, naar hen of naar hun advocaat gaat.' 'Na alles wat die mensen mij hebben aangedaan, moet ik dat weten', zeg ik uit de grond van mijn hart Mr. Vergunst stemt toe en zegt mijn schuldeisers aan te zullen schrijven.

      15.  Voorjaar / zomer 2001: de curator geeft geen antwoord en de R.C. is op verlof

      Mr. H. Peters en de bestuursleden van stichting Advocadur stel ik op de hoogte van het gesprek met de R.C. en de met hem gemaakte afspraken. Eenstemmig zijn we het er over eens dat we het verzet tegen het faillissement en ook de schuldvorderingen van mr. H. Peters en de stichting op moeten geven.

      Per brief d.d 19 april 2001 bevestig ik alle met de rechter-commissaris gemaakte afspraken en bedank hem nogmaals voor zijn interventie. Ook mr. H. Peters meldt de rechter-commissaris dat hij, na overleg met mij op grond van mijn gesprek op 19 april 2001 met de rechter-commissaris net als de stichting Advocadur afziet van zijn vordering op mij. Dan volg ik het advies van de rechter-commissaris op en vraag de curator Vestiens om een gespecificeerde rekening van zijn werkzaamheden tot op dat moment. Voor mij was en is op 19 april 2001 mijn faillissement beëindigd, omdat ik, overtuigd door mijn rechter-commissaris, mijn schuld wil betalen. Maar mijn curator geeft geen antwoord. Ik herhaal mijn verzoek per brief. Er komt nog geen antwoord. Ik geef mijn wens door aan de secretaresse van mijn curator. Maar mijn 1e curator antwoordt niet en blijft niet antwoorden.

      De erven Schouwink en hun advocaat geven geen antwoord op de vraag van de rechter-commissaris of zij achter het faillissement staan en ook niet of ze door hun advocaat zijn geïnformeerd over het verzoek mij failliet te verklaren. Maar op 2 mei 2001 schrijft de heer Kuypers onder andere: 'ik ben niet betrokken geweest bij de faillissementsaanvraag, noch daarover geïnformeerd door de erven Schouwink'. Tevens ' Die brief ontvang ik pas op 13 juni 2001.

      Op 15 juni 2001 wend ik mij tot de rechter-commissaris met een achttal vragen die de brief van Kuypers oproepen. Vraag 1 luidt: 'Is volgens vaste rechtspraak/jurisprudentie tot een verzoek tot faillietverklaring een steunvordering als die van Kuypers noodzakelijk?

      Op die vraag antwoordt hij volmondig 'ja'. Op de vraag of een advocaat/schuldeiser, die om een faillietverklaring verzoekt, verplicht is om te onderzoeken of de schuldeiser, wier vordering hij als steunvordering opgeeft, die vordering nog geldend wil maken. Op die vraag geeft mr. Vergunst een opmerkelijk antwoord: 'Dat weet ik niet; dat moet u bij een advocaat informeren. De rechtbank toetst dit niet'. Klaarblijkelijk is mijn rechter-commissaris vergeten dat ik hem al drie keer geschreven heb dat ik geen advocaat kan vinden om mij bij te staan.

      Uit de woorden van de R.C. volgt geen andere conclusie dan dat geen van de hoofdrolspelers bij een faillissement hoeft te onderzoeken of er daadwerkelijke sprake is van de bij wet verplicht gestelde steunvordering. Op de vraag of het juist is dat ik, nu Kuypers zijn vordering niet geldend maakt, mijn schuld niet hoeft te betalen antwoordt de rechter-commissaris: 'Als Kuypers zijn vordering niet ter verificatie aanbiedt hoeft u niet te betalen'.

      Van zijn antwoorden stuurt hij een kopie naar mijn 1e curator, de advocaat mr. Vestiens. Die is dus op de hoogte. De antwoorden van de rechter-commissaris roepen nieuwe vragen op. Met name de vraag of het faillissementsverzoek, rekening houdend met het feit dat de heer Kuypers schrijft zijn vordering, op dit moment niet in te willen brengen, wel rechtsgeldig is, houdt mij bezig. Ook de vraag wie dan wel dient te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van een steunvordering speelt mij parten. Ik leg mijn vragen schriftelijk voor aan enige advocaten en rechtsgeleerden. Ik krijg geen antwoord.

      Ik leg mij daar maar bij neer, omdat ik snak naar het einde van al het eerloze gedoe rondom mijn faillissement. Ik wil er vanaf. Daarvoor moet en wil ik betalen. Maar ik weet nog steeds niet hoeveel. Wat ik ook doe, ik krijg niet de specificatie van de kosten, die de curator in rekening gaat brengen. Daarom kan ik niet doen wat ik van 19 april 2001 wil doen om van alle ellende af te komen en dat is: betalen.

      Daarom wend ik mij in arren moede maar weer tot mijn rechter-commisaris en wel op 29 juni 2001. Ik krijg geen antwoord op mijn vragen. Daarom neem ik telefonisch contact op met de rechtbank. Daaruit blijkt dat mijn rechter-commissaris met verlof is. De griffier kan of wil mij niet zeggen wanneer hij terug komt en wie zijn vervanger is. Ik herhaal mijn vraag per brief d.d. 2 juli 2001.

      Weer wijs ik de rechter-commissaris of diens plaatsvervanger op art. 64 van de faillissementswet dat duidelijk zegt: 'de R.C. houdt toezicht op het beheer en de vereffening van den faillieten boedel'. Ook wijs ik weer op art. 66, dat inhoudt dat R.C. 'bevoegd is ter opheldering van alle omstandigheden het faillissement betreffende, getuigen te horen of een onderzoek van deskundigen te bevelen'.

      Bij 'die omstandigheden' hoort het feit dat mijn curator weigert de door de rechter-commissaris verlangde specificatie te verstrekken. Maar mijn rechter-commissaris is er niet. Wie ik ook vraag, niemand van het Gerecht te Zutphen zegt mij wanneer hij terug komt of wie zijn plaatsvervanger is.

      Op 6 juli 2001 krijg ik een brief, die niet door de rechter-commissaris is ondertekend, maar door iemand anders, namens hem. In die brief deelt hij mij niet mede dat hij mijn curator heeft opgedragen om mij eindelijk de gespecificeerde rekening te sturen. Wel schrijft hij: 'Ik kan u mededelen dat ik de verificatievergadering heb bepaald op 18 september 2001 te 14.00 uur'.

      16.  18 juni 2001: telefoon van mijn 2e curator mr. Doon

      Op 1 juni 2001 schrijft mijn 1e curator mij dat 'hij wegens vertrek naar een ander advocatenkantoor de behandeling van mijn faillissement heeft overgedragen aan zijn kantoorgenoot, mevr. mr. A.M.T. Onmiddellijk vraag ik haar om de gespecificeerde rekening waar ik al zo lang om vraag. Ik krijg geen antwoord.[15] Op 18 juni 2001 dient niet mr. Weersink, maar mr. J. Doon, advocaat bij advocatenkantoor Remmelink te Doetinchem zich zonder nadere uitleg telefonisch als mijn 2e curator aan. Hij 'stelt mij voor om een afspraak met mij te maken 'teneinde zich voor te stellen en mij te informeren over de stand van zaken in het faillissement'.

      'De stand van zaken is dat uw voorganger mij schriftelijk noch mondeling informatie heeft gegeven over het feit dat hij als curator voor iedere minuut, dat hij zich met mijn faillissement bezighoudt geld kost en zijn uurloon niet ter sprake heeft gebracht. De stand van zaken is dat zijn bezoek aan mij in rekening wordt gebracht tegen een bedrag waarvan ik de omvang bij gebrek aan informatie van uw kantoor niet ken. De stand van zaken is dat uw voorganger en heel uw kantoor mij al vanaf 20 april 2001 geen specificatie verstrekt van de kosten van de curator, zodat ik kan betalen; de stand van zaken is dat uw voorganger mijn vragen en brieven onbeantwoord laat. De stand van zaken is ook dat uw bezoek mij ongetwijfeld geld gaat kosten, waarvan ik de omvang niet ken, de stand van zaken is dat ik met mijn 1e curator de ter besparing van kosten de duidelijke schriftelijk vastgelegde afspraak heb gemaakt dat mijn uitkering van maand tot maand in de faillissementsboedel valt tot de schuld is afgelost'.

      De in maanden haast stelselmatig opgebouwde onvrede schiet er uit. Ik eindig mijn litanie met de woorden: 'Mijn 2e curator, mr. J. Doon reageert niet op mijn woorden, maar maakt er zich vanaf met een volzin, waarvan ik een notitie heb gemaakt: 'Uw woorden volgend lijkt het mij niet aangebracht u op te zoeken'. 'Dat lijkt mij ook niet', zeg ik met een diepe zucht, waarmee ik mijn hart een beetje lucht.

      17.  Vanaf 18 juni 2001: het doen en laten van de 2e curator mr. Doon

      Van 18 juni t/m 17 september 2001 laat de rechter-commissaris, met uitzondering van de aankondiging van de verificatievergadering niets van zich horen.

      In die tijd neemt mijn 2e curator mr. Doon allerlei werkzaamheden ter hand, waarmee hij de schriftelijk door zijn voorganger mr. Vestiens vastgelegde afspraak breekt om 'mijn uitkering van maand tot maand in de faillissementsboedel te laten vallen tot dat de schuld betaald kan worden'. Een daarvan zijn de kontakten met de Rabobank te Wehl.

      Een medewerker van die bank heeft in de krant over mijn faillissement gelezen en neemt geheel buiten mij om contact op met de curator. Deze begint vervolgens een discussie met de Rabobank over de vraag of de gezamenlijke rekeningen van mijn vrouw en mij in de faillissementsboedel dienen te vallen. Over die vraag wordt op mijn kosten tegen een nog altijd onbekend uurloon over en weer geschreven en getelefoneerd. Ik wil dus niets liever dan een eind maken aan de poppenkast van mijn 2e curator, die mij in ieder geval geld gaat kosten.

      Daarom herhaal ik met klem mijn verzoek om de gespecificeerde rekening, zodat ik kan betalen en mijn eventuele bezwaren tegen die rekening onder woorden kan brengen. Ook van de 2e curator krijg ik geen antwoord, ook niet op mijn herhaalde verzoeken. Ik krijg geen rekening. Ik kan niet betalen, omdat ik niet weet wat ik moet betalen. Wel krijg ik op 5 juli 2001 een brief met betrekking tot 'de financiële stand van het faillissement'. In die brief staat letterlijk: 'Dat standpunt herhaalt hij in zijn brief d.d 31 juli 2001. Duidelijk is dus dat de psycholoog Kuypers op die datum zijn vordering niet heeft ingediend en ik dus zijn vordering niet hoef te voldoen.

      Met geen woord rept mijn 2e curator over de 'schuldeisers' Peters en de stichting Advocadur, wiens vordering, zoals hij dat uitdrukt in zijn brief van 6 april 2001 aan mr. Peters en aan de stichting Advocadur 'hij niet kan plaatsen op de lijst van voorlopig erkende concurrente crediteuren nu uw vordering betrekking heeft op de periode van voor 4 januari 2001, zijnde de datum van het faillissement'. Ook daarom ga ik er dus van uit dat de rechter-commissaris heeft doorgegeven dat deze schuldeisers van hun schuld afzien. Dat heb ik immers met hem afgesproken en die afspraak heb ik schriftelijk bevestigd.

      Wat mr. Doon wel doet is mij brieven schrijven, waarin hij niet ter zake doende standpunten inneemt over de gezamenlijke rekening van mijn vrouw en mij bij de Rabobank. Ik schrijf mijn 2e curator dat met mijn 1e curator de afspraak gemaakt is om ter vermijding van kosten de rekening bij de RABO en de ING ongemoeid te laten en de gehele uitkering in de faillissementsboedel te laten vallen. Het helpt niets. Hij gaat gewoon door met zijn correspondentie met de Rabobank. Mijn verzoeken aan de R.C. om de 2e curator te dwingen zich te houden aan de met de 1e curator gemaakte afspraak halen niets uit.

      18.    Vanaf augustus 2001: ander doen en laten van de 2e curator mr. Doon

      Ook weidt mijn 2e curator uit over een met de schuldeiser Schouwink te sluiten akkoord, ook al heb ik dat al vele malen aangeboden en is dat resoluut afgewezen. Verder bestookt hij met brieven over zijn kosten en over tal van andere onderwerpen, die niet ter zake doen. Het enige dat ter zake doet en dat ik hem diverse keren schrijf is dat ik op 19 april 2001 met de rechter-commissaris heb afgesproken dat ik ga betalen om op die wijze het faillissement en ook de werkzaamheden van de curator te beëindigen en dat ik daarom moet weten wat ik inclusief zijn kosten moet betalen.

      Bij brief d.d 2 augustus 2001 laat hij mij eindelijk weten: 'Het is enkel en alleen aan de rechtbank om mij een salaris toe te kennen. De tarieven daarvoor liggen vast in de richtlijnen. Het is ook aan de rechtbank om te oordelen over de rechtmatigheid, doelmatigheid, etc, van de door mij uitgevoerde werkzaamheden. Ik zal derhalve niet ingaan op uw verzoek om die werkzaamheden aan u te specificeren'.

      Daarmee levert de 2e curator Doon het zoveelste bewijs dat hij als een echte advocaat slechts ingaat op feiten, die hem welgevallig zijn. Hij gaat immers geheel en al voorbij aan het feit dat het niet om mijn verzoek gaat, maar om dat van de rechter commissaris. Hij gaat ook niet in op mijn argument of beter dat van de rechter-commissaris, dat betaling van mijn schuld een einde maakt aan het faillissement, verdere kosten vermijdt en de verificatievergadering niet nodig maakt.

      Op 10 augustus 2001 stuurt mr. Doon de stichting Advocadur en mr. Peters een brief waarin hij in tegenstelling tot zijn eerdere brieven d.d. 6 april 2001 en 5 en 31 juli 2001 de een en de ander tot schuldeiser verheft, dit met het oog op de verificatievergadering te houden op 18 september 2001 om 15.30 uur in het gerecht te Zutphen. Die brief aan mr. Peters is gericht aan het adres van de stichting Advocadur. Mr. Peters, een ons inziens door doen en laten van de Orde van Advocaten in zijn arrondissement getraumatiseerde en uit de orde gestoten advocaat, is echter met de noorderzon vertrokken, zonder een adres of telefoonnummer achter te laten, waarop wij hem kunnen bereiken.

      Maar deze mr. Peters heeft voor zijn overhaast vertrek net als de leden van de stichting besloten van zijn schuldvordering af te zien. Dat weet de rechter-commissaris. Dat heb ik hem en alle mensen om mij heen gezegd en ik heb het hem diverse keren geschreven.

      Ook mr. Peters heeft het de toezichthouder in mijn faillissement, mijn rechter commissaris, geschreven en wel op 23 februari 2001. Mijn 2e curator heeft kennelijk geen contact gehad met de rechter commissaris, die immers al vanaf 19 april 2001 weet dat de stichting Advocadur en mr. H. Peters hun schuldvorderingen intrekken.

      Uitgaande van de hierboven genoemde feiten is er voor mijn curatoren geen enkele reden om aan te nemen dat 'mr. Peters en de stichting hun 'schuldvorderingen' door zouden willen zetten'. Eén brief met de duidelijke vraag of voornoemde 'schuldeisers' hun vordering al dan niet handhaven zou genoeg zijn geweest om de verificatievergadering te voorkomen. Mijn curatoren schrijven op mijn kosten vele nodeloze brieven, maar díe brief niet. Dat alles laat ik de toezichthouder op de goede gang van zaken in mijn faillissement, mijn rechter-commissaris weten. Die antwoordt echter niet. Daarom wend ik mij maar weer tot de man met brieven d.d 6, 13 augustus en 11 en 17 september 2001, waarin ik hem onder andere wijs op de onwil van de curator om mijn zijn gespecificeerde rekening te sturen en op de onnodige acties van mijn 2e curator richting Rabobank Wehl.

      Mijn rechter-commissaris geeft echter geen antwoord. Ik weet niet waar de man is. Ook weet ik niet wie hem vervangt. Niemand van de rechtbank wil mij daarover informatie geven. De verificatievergadering wordt daarom niet afgeblazen. Hij gaat gewoon door. Ik leg me daar bij neer. Uiteraard wil ik de geschetste minne gang van zaken duidelijk aan de orde stellen op die verificatievergadering.

      Ik heb van mijn levensdagen nog nooit van een verificatievergadering gehoord en raadpleeg de Koninklijke Vermande uit onze niet genoeg te prijzen dorpsbibliotheek. Daarin lees ik wat de zin en de bedoeling van zo'n, verificatievergadering is. Dan valt mijn oog op art. 108.

      Ik lees: 'De R.C. bepaalt uiterlijk binnen 14 dagen nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan':

      1)     den dag waarop uiterlijk de schuldvorderingen moeten worden ingediend;

      2)     dag, uur en plaats waarop de verificatievergadering gehouden zal worden.

      Ik ben 4 januari 2001 failliet verklaard maar de rechter-commissaris heeft pas op 18 september 2001 den dag bepaald waarop uiterlijk de schuldvorderingen moeten worden ingediend en den dag, het uur en de plaats waarop de verificatie gehouden zal worden.

      Aan dat artikel heeft de R.C. zich hoe dan ook niet gehouden.

      Art. 109 is ook duidelijk:

      'De curator geeft van deze beschikkingen onmiddellijk aan alle bekende schuldeischers bij brieven kennis'. Maar mijn curator stelt de 'schuldeischers' niet 'onmiddellijk', maar pas op 10 augustus 2001 in kennis van een en ander. Mr. Peters wordt helemaal niet in kennis gesteld, omdat de 1e en de 2e curator niet de moeite hebben genomen zich er van te vergewissen of mr. Peters nog bij de stichting werkzaam is.

      Verder stelt de wet allerlei eisen met betrekking tot 'het onderzoek door de curator', 'door de gefailleerde te geven inlichtingen bij de verificatievergadering', 'verdaging van de vergadering', 'de eedsaflegging', 'verwijzing naar de Rechtbank bij betwisting van een vordering', 'betwisting door de gefailleerde van een vordering', 'het op te stellen proces-verbaal', etc, etc. Maar mijn curator, mijn R.C. en mijn griffier houden zich aan geen van deze en andere in wetsartikelen omschreven eisen.

      Ik wil - ik kan het niet genoeg herhalen - al vanaf 19 april 2001 betalen. Er hebben zich geen andere schuldeisers aangemeld dan de erven Schouwink. Op 19 april 2001 heb ik de R.C. gezegd en geschreven dat ik al zijn adviezen zou opvolgen en zou betalen. Ik heb de rechter-commissaris gezegd en geschreven dat de stichting Advocadur en mr. Peters hun schuldvorderingen intrekken.

      De curatoren weigeren om gespecificeerd aan te geven wat ik aan hen moet betalen. Ik kan derhalve niets doen wat een einde maakt aan mijn vermaledijde faillissement en dat is betalen. De verificatievergadering dient daarom geen ander doel dan verkwisting van tijd, die de rechtbank te Zutphen beter voor andere doeleinden had kunnen gebruiken; geen ander doel dan het spekken van de beurs van mijn 1e en 2e curator met een voor mij nog altijd onbekende hoeveelheid geld. Dat en nog veel meer schrijf ik en ook de stichting Advocadur aan de rechter-commissaris op 11 september 2001. Maar deze antwoordt niet, is kennelijk nog altijd met verlof en zijn plaatsvervanger is nog altijd onbekend.

      Pas op 17 september 2001 laat de rechter-commissaris weer van zich horen met een brief waarin hij op mijn verzoek mededeelt: 'de verificatievergadering is openbaar en de kosten van de curator behoeven niet geverifieerd te worden'. Ook schrijft hij dat de brief van 11 september 2001 nog beantwoord zal worden. 'Geen specificatie, geen verificatie van de kosten van de curatoren'.

      De moed zakt me samen met tal van onbeantwoorde vragen in de schoenen. Al vele maanden snak ik naar het einde van mijn faillissement. Maar dat einde komt maar niet. De dag van de verificatievergadering nadert. Mijn onvrede stijgt van dag tot dag en van slapeloze nachten tot slapeloze nachten. Die onvrede steek ik samen met mijn vrienden van Advocadur in een pleidooi, waarin ieder woord op zijn plaats valt.

      19.   18 september 2001: de verificatievergadering

      Om 15.15 uur zitten mijn vrouw, twee vrienden/leden van Advocadur in de wachtkamer voor de zittingszaal, waar om 15.30 uur de verificatievergadering zal beginnen. Buiten schijnt er een vriendelijk zonnetje. In geen velden of wegen is een van mijn schuldeisers te bekennen. Een minuut voor 15.30 komt mijn 2e curator, die ik herken, omdat ik hem een keer op de televisie heb gezien als advocaat en pleitbezorger van slachtoffers van de vuurwerkramp te Enschede.

      In die TV-uitzending komt de advocaat/curator die zich in mijn faillissement kil, koud en niet ontvankelijk voor mijn problemen opstelt, over als een gevoelig en ontvankelijk mens, die vastberaden is om de belangen van zijn gehavende cliënten goed te dienen.

      Ik kijk hem strak aan en voel de onvrede door mijn bloed jagen. Mr. Doon loopt door totdat hij ons niet meer kan zien. Als te doen gebruikelijk bij onze overbelaste rechtbanken begint de zitting niet op tijd. We wachten en mr. Doon dus ook. 'Maar wel op mijn kosten en hoeveel zou hij kosten', denk ik.

      Om 15.59 nodigt de griffier ons binnen. Het achterste gedeelte van de rechtszaal is verhoogd. Daar zit mr. Vergunst in toga met bef achter een tafel. Hij is dus eindelijk terug van verlof. De griffier Teunissen gaat rechts naast hem zitten. Mr. Doon en ik worden uitgenodigd om vooraan in de zaal plaats te nemen. Ik zit rechts. Mijn vrouw mag rechts naast mij plaatsnemen.

      Achter ons in de zaal zitten mijn twee vrienden / leden van het bestuur van Advocadur, die ik voor alle zekerheid als getuige van de loop van de juridische zaken tijdens de verificatie heb meegenomen. Mijn rechter-commissaris opent de vergadering. Hij kijkt en klinkt vriendelijk. Hij prevelt een paar algemeenheden die het faillissement betreffen, maar dan hoor ik hem zeggen: 'als schuldeisers hebben zich gemeld: de erven Schouwink, de heer drs. B.R.M. Kuypers'.

      Ik ben met stomheid en onbegrip geslagen. De vragen schieten als pijlen door me heen. 'Kuypers, maar die heeft toch aan mr. Vergunst geschreven dat hij 'zijn vordering van zo'n f 14.000 nu niet geldend wilde maken'. Ik heb hem er nog voor bedankt en hem geschreven dat ik dat feit als een gebaar van goede wil beschouwde, dat me helpt een punt te zetten achter een vijandschap en een strijd van een half leven. Maar de rechter-commissaris zegt dat hij zijn vordering op mij wel heeft ingebracht. Wanneer heeft hij die ineens wel ingebracht en waarom? En waarom hebben de rechter-commissaris, de griffier en de curator mij daarvan niet op de hoogte gebracht'.

      Langzaam dringt het besef door dat ik ook moet betalen aan de man die net als Schouwink mijn halve leven door elkaar gejaagd heeft, die in mijn rechtsgevoel de dood van mijn vader en een heleboel andere ellende op zijn geweten heeft, die ik in twee boeken heb beschreven, die vijf jaar lang nooit om betaling heeft gevraagd, sterker nog, op 2 mei 2001 aan de rechter-commissaris schrijft: 'ik ben niet betrokken geweest bij de faillissementsaanvraag, noch daarover geïnformeerd door de erven Schouwink' en ook: 'ik prefereer om mij moverende redenen de vordering op de heer Terharte thans niet geldend te maken'.

      'En nou wel, zo'n f 14.000 moet ik betalen aan die man, die net als Schouwink zijn vuile zaakjes door advocaten van zijn verzekeraar heeft laten opknappen en zich nimmer voor welke rechter dan ook heeft hoeven te verantwoorden? Waarom? Waarom?

      Mijn hoofd gloeit en draait op volle toeren. Uiteraard hebben die verdomde advocaten te maken met die plotselinge ommekeer van Kuypers. Ik heb immers klachten ingediend tegen mr. Bolt, de advocaat van de erven Schouwink, omdat die Mr. Bolt, alvorens mijn faillissement aan te vragen Kuypers en diens advocaat niet gevraagd heeft of hij zijn vordering op mij, dat wil zeggen de noodzakelijke steunvordering, nog handhaaft. Mr. Bolt heeft er ter ontzenuwing van die klacht belang bij dat Kuypers zijn vordering op mij alsnog indient. Natuurlijk heeft zij overleg gevoerd met haar confrater, de heer mr. J. Ekelmans sr. uit Den Haag, de advocaat van mijn schuldeiser Kuypers. Om kritiek van mij te voorkomen, heeft curator Doon mij niet geïnformeerd over de plotselinge ommekeer van Kuypers [16].

      En ook mijn rechter-commissaris, die acht moet slaan op de goede gang van zaken bij mijn faillissement, heeft mij niet op de hoogte gesteld. Hij was op verlof en hij heeft deze verificatievergadering zo laat uitgeschreven. Maar juist daarom hebben de advocaten alle gelegenheid gekregen om Kuypers te bewegen zijn vordering alsnog in te dienen.

      Daarom krijg ik onvoorbereid van de nog weliswaar vriendelijk pratende rechter commissaris. te horen dat ik óók aan Kuypers een bedrag verschuldigd ben vanzo'n f 14.000'.

      Allerlei gedachten jagen door mijn kop. De stukken van de puzzel van het onrecht dat mij wordt aangedaan, vallen stuk voor stuk samen. Ik voel de woede in mij tot grote hoogte stijgen. Mijn hart bonst. Ieder woord met mijn woede onderstrepend vraag ik de rechter-commissaris 'waarom hij mij niet heeft geïnformeerd en vooral waarom hij in tegenstelling tot. wat de wet (art. 118 faillissementwet) toch duidelijk zegt, de verificatievergaring zo laat heeft uitgeschreven en de laatste dag, waarop mijn schuldeisers hun vordering konden indienen, zo lang voor zich heeft uitgeschoven'.

      Ik vraag 'waarom hij zich niet aan de wet heeft gehouden'. Ik krijg geen antwoord en vraag daarom 'de griffier in zijn proces-verbaal op te nemen dat ik geen antwoord op mijn vragen krijg.' Ik zie dat hij de rechter-commissaris vragend aankijkt, maar niets opschrijft. Omdat ik geen enkel heil van mijn rechter-commissaris te verwachten heb, richt ik me tot mijn 2e curator, mr. Doon.

      Ik vraag hem of 'hij contact heeft gehad met zijn confraters Ekelmans en Bolt en waarom hij me niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat Kuypers tegen alle feiten en redelijkheid in, ineens mijn schuld betaald wil zien'. Hij antwoordt dat 'hij jegens mij niet gehouden is om die vraag te beantwoorden'.

      Die woorden, de blik en de houding van de man, die mij al maanden tart met zijn verschrikkelijke brieven, zijn postblokkade, zijn onwil om mij de gespecificeerde rekening of belangrijke brieven te sturen, de man die zich niet houdt aan de afspraken met mijn 1e curator, die man, zijn betweterigheid, zijn gebrek aan menselijkheid, zijn arrogantie, etc, roepen een verschrikkelijke woede en onvrede op, die geen kans krijgen om te exploderen.

      Want de rechter-commissaris gaat verder met wat de verificatievergadering moet voor stellen. Uiterst formeel maakt hij zich van mijn verwijten af met de stelling dat 'de schuldeisers het recht hebben om wanneer dan ook alsnog hun vorderingen in te brengen'.

      Dan zegt hij dat 'verder de heer mr. Peters en de stichting Advocadur zich als schuldeiser gemeld hebben en door de curator op de lijst van voorlopig betwiste concurrente schuldeisers geplaatst zijn'. Ik weet niet wat ik hoor. 'Ik heb hem toch op 19 april 2001 gezegd en daarna geschreven dat ik zijn advies zou opvolgen en dat de stichting en mr. Peters af zouden zien van hun 'schuldvorderingen'. Dat schreeuw ik luid en woedend de zittingszaal in. Mijn vrouw maant mij tot kalmte en zegt wat ik nog niet wil weten: 'het heeft allemaal geen zin, laten we maar betalen'.Ik denk: 'hoeveel en vooral, hoeveel aan de curator?

      Maar ik heb amper tijd om te denken. Want dan richt de rechter-commissaris zich tot de twee aanwezige bestuursleden van de stichting Advocadur met de vraag of 'de stichting haar vordering in wil trekken'. Opnieuw steekt mijn woede de kop op. Ik schreeuw tegen de rechter-commissaris: 'Uiteraard willen ze dat. Dat hebben ze al gedaan. Dat heb ik u toch gezegd en geschreven. Ook mr. Peters heeft de curator en u geschreven dat hij afziet van zijn vordering. Dat bent u klaarblijkelijk vergeten. En tijdens uw verlof heeft u daar al helemaal niet aangedacht en uw plaatsvervanger ook niet, want die was er niet, net als die verdomde curatoren die het verdommen om uw advies van 19 april 2001 op te volgen. U was het toch die mij toen aanraadde om ter vermijding van meerdere kosten zo snel mogelijk te betalen en daarvoor de curator een gespecificeerde rekening te vragen? Of bent u dat ook vergeten? En waarom is mr. Peters niet aanwezig, zodat hij kan getuigen dat wat ik zeg juist is. Is mijn juridische 'adviseur', althans volgens de griffier, mr. Peters, wel uitgenodig?. Moet mr. Peters volgens de wet hier niet aanwezig zijn?

      Kan er wel zonder mr. Peters geverifieerd worden?'. Ik schreeuw mijn woede en al mijn vragen eruit. Wat opvalt is dat ik niet één keer onderbroken word en dat de griffier geen woord opschrijft Wat ik ook vraag, ik krijg geen antwoord. Wat ik ook zeg, het helpt allemaal niets, het stuit allemaal af op de rechter-commissaris die klaarblijkelijk al voor de verificatievergadering heeft besloten hoe die zou verlopen. De agenda blijkt vast te staan. Ik mag er geen enkel punt op zetten.

      Het recht neemt niet zijn beloop langs de weg van de feiten naar de waarheid. De rechter-commissaris werkt de vergadering af. Ik blijf proberen de feiten en de waarheid de rechtszaal in te brengen. Ik vraag hem 'te bevestigen dat hij mij het advies heeft gegeven te betalen en daartoe de gespecificeerde rekening aan de curator te vragen, van wanneer tot wanneer hij op verlof is geweest en wie zijn vervanger was, wanneer de postblokkade kan worden opgeheven'.

      De rechter-commissaris knikt, maar geeft geen antwoord. Ik vraag mijn 2e curator mr. Doon 'waarom hij mij niet de gespecificeerde rekening heeft gestuurd', waar de rechter-commissaris om vroeg en stel hem andere concrete vragen, die ik hem al maanden lang stel, en die daarom letterlijk in mijn hoofd zitten. Maar ook mijn 2e curator mr. Doon zwijgt in alle tongen en talen. Woedend vraag ik hem of 'zijn zwijgen ook geld oplevert'. Dan vraag ik 'de griffier acte te nemen van het feit dat de curator en de rechter-commissaris mijn vragen niet beantwoorden'.

      Het is allemaal tevergeefs. De rechter-commissaris, de man, die het grootste deel van de verantwoordelijkheid voor mijn opwinding en woede draagt, maant mij tot kalmte. Maar de bespottelijke gang van zaken tijdens verificatievergadering brengt mij keer op keer in alle staten van opwinding, omdat het een nutteloze bijeenkomst is waar niet vergaderd wordt, waarin de feiten niet in hun onderlinge samenhangend verband worden beoordeeld, een bijeenkomst waar niet geverifieerd wordt, maar die gedicteerd wordt door de rechter-commissaris die kost wat kost zijn eigen falen en dat van de curatoren niet ter zitting wil laten komen. Al om 15.45 uur maakt hij een eind aan de poppenkast, die men ten onrechte de naam vergadering gegeven heeft, die in een vloek en een zucht voorbij is en zo kort geduurd heeft dat ieder weldenkend mens niet kan begrijpen waarom die niet veel eerder belegd had kunnen worden.

      Ik voel me, of beter, ik ben bedrogen door de rechter-commissaris die zich niet aan zijn woord heeft gehouden, die ondanks het feit dat hij wist dat ik wilde betalen de zaken maar voor zich uit en over zijn verlof heen heeft geschoven. Mijn rechter-commissaris probeert tijdens de vergadering als een echte advocaat zijn verbroken beloftes en zijn ongelijk te bemantelen met soms zalvende dan weer vermanende woorden en vriendelijke blikken.

      Ik heb mij voorgenomen de woede, de onmacht en de onvrede die heel de gang van zaken in mijn vermaledijde faillissement oproept niet in dit verhaal in woorden te vangen. Dat moet ook voor de even rechteloze als potsierlijke vertoning van de verificatievergadering gelden. Ik beperk mij tot de vaststelling dat het dagen en nachten duurt voordat het onrecht dat in mij tekeer gaat, weer een beetje tot rust komt.

      Pas dan schrijf ik brief na brief aan de rechter-commissaris, in een poging begrip te vinden. Ik wijs hem op de woorden van prof. Kortmann in de media: 'Waar het mij om gaat is duidelijk te maken dat de wetgever aan de rechter-commis­saris een van de hoofdrollen heeft toegekend. Hij is een hoofdrolspeler die in de eerste plaats toezicht moet houden op het beheer en de vereffening door de curator teneinde er voor te waken dat de belangen van alle betrokkenen naar behoren worden behartigd. Daarnaast is hij tot op zekere hoogte 'medebeheerder' van de boedel en geschillenbeslechter.'

      Ik wijs hem er op dat en waarom hij die hoofdrol niet waar heeft gemaakt en dat hij naar mij toe wat goed te maken heeft. Wat ik ook schrijf, hoe ik het ook schrijf, ik vind geen begrip.

      Ook over de verificatievergadering ontstaat er een lange correspondentie, die me steeds meer moeite kost. Ik ben blij dat ik heb volgehouden. Want óók die correspondentie legt de vinger op het onrecht en spreekt voor wie horen wil.

      20.   26 september 2001: de rekening van de curatoren

      Mijn rust is van korte duur. Op 26 september 2001 krijg ik te langen leste de rekening van de curatoren, dat wil zeggen krijg ik een 'uitgebreid dossieroverzicht', waarin op acht pagina's de werkzaamheden van de 1e en de 2e curator tot en met 14 augustus 2001 worden opgesomd. Van de R.C. heb ik tijdens ons gesprek op 19 april 2001 begrepen dat ik de curatoren moet betalen. 'Hoeveel?, dat kon hij mij niet zeggen, zelfs niet ten naaste bij '. Uit mijn berekeningen, die ik baseer op de met de 1e curator duidelijk gemaakte afspraak heb ik gerekend op werkzaamheden van een uur of 5, die mij tegen een voor mij nimmer bekend gemaakt uurtarief in rekening gebracht zullen worden.

      Maar op 26 september 2001 lees ik dat het uurloon van mijn 1e curator € 147,16 of te wel f 327 en voor de 2e curator € 170, 18 of te wel f 378 bedraagt.

      Ik weet niet wat ik lees. Het telefoontje van mijn 1e curator op 12 januari 2001, dat te laat komt om in beroep te komen tegen het faillissementsvonnis, wordt mij wel voor € 36,87 in rekening gebracht. Het bezoek op 22 januari 2001 van mijn 1e curator, waarbij hij alle tijd nam en de koffie en zijn sigaretje goed liet smaken, kost daarom € 258,09.

      Voor de reis per auto van Doetinchem naar Wehl en terug naar Doetinchem (afstand 14 km) rekent mijn 1e curator € 73,74.

      Voor het openen van een aan mijn vrouw, aan mij of aan de stichting Advocadur ter attentie van mij gestuurde brief, berekent mijn 1e curator 5 minuten. Dat kost per brief € 12,29, exclusief de BTW. De postblokkade, die tot 3 oktober 2001 duurt levert met 41 brieven € 503,89 op.

      Telefoongesprekken van derden leveren € 167,32 op. Door de curator gevoerde gesprekken kosten € 172,06. Samen studeren mijn curatoren op mijn faillissement. Die studie kost € 867,70. Aan 'voorbereiden, voorbereiden conferenties en verhoren' hangen mijn curatoren een prijskaartje van € 592,19.

      Voor 'ontwerpen, opstellen stukken' en 'O/O (ontwerpen en opstellen) andere stukken' wordt € 612, 62 in rekening gebracht. Uit het 'uitgebreide dossieroverzicht' blijkt dat mijn curatoren op mijn kosten 'telefoneren, corresponderen, intern overleggen, confereren, brieven openen, de ontvangen gegevens, literatuur en jurisprudentie bestuderen, in het algemeen voorbereiden, maar ook conferenties en verhoren voorbereiden, stukken opstellen en ontwerpen, zittingen bijwonen en reizen'.

      Voor de door de Rabobank in Wehl in gang gezette werkzaamheden brengt mijn 2e curator mij € 579.34 in rekening.

      Mijn curatoren hebben zich van 8 januari 2001 t/m 14 augustus 2001 34.30 uur met mijn vermaledijde faillissement beziggehouden. Op de laatste pagina lees ik dat mijn curatoren hun werkzaamheden in rekening hebben gebracht tegen het onvoorstelbare bedrag van € 5271,18. Dat bedrag zal in verband met werkzaamheden na 14 augustus 2001 zoals 'nakosten, BTW, 'kantoor- en publicatiekosten' (€ 675,53) nog oplopen tot € 7251.

      Ik ben compleet overdonderd. In tegenstelling tot de geruststellend woorden van 19 april van de rechter-commissaris 'valt de rekening helemaal niet mee'. Heel de rekening is een aanfluiting van Recht, die van kostenpost tot kostenpost tegen mijn rechtsgevoel en dat van vele andere mensen indruist.

      De emoties, die de rekening oproept, laat ik, zoals ik me heb voorgenomen, weg. Ik beperk mij tot de vaststelling dat de rekening inslaat als een bom en dat lezing van die rekening tot de dag van vandaag verontwaardiging, woede, machteloosheid, kortom onvrede teweegbrengt, die duidelijk worden uit het navolgende commentaar en kritiek op de rekening.

      21.    Commentaar en kritiek op de rekening van de curatoren

      1)      Bij het 'uitgebreide dossieroverzicht' prijkt van pagina tot pagina de kolom: 'Niet declarabel'. Die kolom blijkt van pagina tot pagina leeg, dit in tegenstelling tot. de kolom 'gedeclareerd', die overvol blijkt.

      2)      Ook blijkt dat de heer Vestiens mij op 12 januari 2001 voor de eerste keer belt en dat gesprek, dat hij 15 minuten laat duren, in rekening brengt voor € 36,87.

      3)      Vele werkzaamheden zoals: 'telefoon, ontwerpen, studie, niet eerder genoemd, intern overleg, etc', worden niet nader gespecificeerd, maar wel in rekening gebracht.

      4)      Het uurloon, dat mij tot 26 september 2001 niet wordt genoemd bedraagt voor de 1e curator € 147, 16 en voor de 2e € 170,18. Mevr. mr. A. Weersink van hetzelfde kantoor heeft zich ook even met mijn faillissement beziggehouden en wel tegen een uurtarief van € 171,48. Dat maakt een verschil uit van € 24,32, in guldens van f 54,- met het uurloon van mijn 1e curator en van 30 eurocenten met het uurloon van de 2e curator Die opmerkelijke verschillen in uurloon worden niet verklaard.

      5)      De eerste curator rekent voor iedere 'brief aan derden' steevast 5 minuten (€ 12,29), maar de tweede curator 10 minuten (€ 28,36) of meer dan tien minuten. Ook dat verschil blijft onverklaard.

      6)      Het simpele handwerk van openen en de lezing van alle brieven van derden wordt zonder enig onderscheid, kritiekloos tegen een bedrag van € 12,20 excl. BTW in rekening gebracht. Het maakt mijn 1e en mijn 2e curator niet uit van wie de brieven afkomstig zijn. Een brief van Super de Boer met de reclame van de week of over de soepkippen in de aanbieding, van prof. B. Smalhout, met wie ik over mijn 3e boek overleg voer, van National Geographic, de ANWB, de Rabobank, het GAK, van een vriend, van de belasting, de gemeente, en zo voort, voor de curatoren maakt het geen verschil.

      Iedere brief wordt opengemaakt, ingekeken en vervolgens voorzien van een plakkertje met daarop de hoogstaande tekst: 'akkoord' en de handtekening van mijn curator, die van brief tot brief goed is voor minimaal € 12,20 excl. de BTW.

      7)      Mijn eerste curator bestudeert op 23 januari 2001 45 minuten de literatuur en de jurisprudentie. Kosten: € 110,81. Hij geeft niet aan waar die studie en jurisprudentie zich op richten. Op 5 mei 2001 stort mijn 1e curator zich tegen de gemaakte afspraak in op de 'studie van de literatuur en de jurisprudentie afstandsverklaring' en hij schrijft daarover een brief aan de R.C. Een en nader neemt volgens de curator twee uur in beslag en kost mij € 294,96. Er blijkt nog niet genoeg gestudeerd te zijn over die afstandsverklaring want op 10 mei 2001 en op 25 mei zet mijn 2e curator, mr. J. Doon zich aan dezelfde studie. Die studie neemt twee uur in beslag. Bovendien begint mr. Doon een briefwisseling over die afstandsverklaring met de Rabobank, dit tegen de afspraak in, die de 1e curator en ik daarover maakten. Studie en briefwisseling kosten mij € 510,44. Dan hebben zich nog de heren/dames G.W. Wullink en A.M. Veldhuis 1,5 uur met de afstandsverklaring beziggehouden tegen een tarief van € 120,61. Ondanks alle studie en kosten is er nimmer een duidelijk, met redenen omkleed, standpunt gekomen.

      8)      Het nodeloos openen en lezen van brieven, die, zoals ik de curator en de R.C. keer op keer schrijf, stuk voor stuk niet met het faillissement te maken hebben, kost mij € 503,89. Het mij niet tijdig in kennis stellen van belangrijke brieven van de procureur-generaal, uit Spanje of van andere brieven kost mij een niet nader te omschrijven kapitaal aan emoties en geld. Desalniettemin slaat mijn 1e curator mij bovendien aan voor € 24,58, omdat hij 'op 13 februari 2001 de poststukken geordend heeft'.

      9)      Uitgaande van art. 68, lid 1 van de faillissementswet is 'de curator belast met het beheer en de vereffening van de faillieten boedel'. Uitgaande van de in de wet omschreven taak hebben mijn curatoren naast voornoemde taak tal van werkzaamheden uitgevoerd en in rekening gebracht die niets met die taak te maken hebben.

      Mijn schuldeisers zijn er geen cent rijker van geworden. Los daarvan hebben beide curatoren zich niet gehouden aan tal van andere van toepassing zijnde wetsartikelen en hebben ze zich diverse keren verrekend. Bijvoorbeeld in de uitdelingslijst verrekent mijn 2e curator zich ten nadele van mij met € 74,80.

      Als de griffier mij naar behoren had geïnformeerd, dan was er geen faillissement en geen curatorenrekening geweest. Als de rechter-commissaris de moed gehad zou hebben om de curatoren op de vingers te tikken, zouden de kosten van de curatoren tot een minimum beperkt zijn gebleven. Hetzelfde geldt wanneer de curatoren zich aan hun woord hadden gehouden en de rechters verder hadden gekeken dan de mening en het advies van de rechter-commissaris over de rekening van de curatoren.

      Op pagina 1 van het dossieroverzicht staat linksboven als 'verantwoordelijke voor het dossier' mijn 2e curator mr. J.M.J.M. Doon vermeld. Bovenstaande kritiek en alle andere kritiek op de curatorenrekening is dus in eerste instantie gericht op U mr. Doon.

      € 7251 voor verbroken beloftes, voor het niet tijdig doorsturen van brieven, waardoor ik schade geleden heb en zal lijden, voor het openen van niet ter zake doende brieven, kortom een kapitaal geïnd voor onnodige, niet logische, niet redelijke, onbillijke werkzaamheden.

      Al de mensen die ik tot nu de rekening van mijn beide curatoren heb voorgelegd, vinden net als ik die rekening van € 7251 euro's onverantwoord. Toch wens ik mijn curatoren veel geluk met mijn van minuut tot minuut afgetroggelde geld.

      En mocht u, mr. Doon, en ook u, mr. Vestiens, of u, medewerkers van advocatenkantoor Remmelink, uit eten gaan van de € 7251 die u mij afhandig heeft gemaakt, dan wens ik u allen smakelijk eten. Mocht u van mijn geld op reis gaan, wens ik u een fijne reis, mocht u een glas bier drinken van mijn geld, dan hoop ik dat het u smaakt.

      De vraag of u met een gerust hart en geweten van mijn geld kunt eten, drinken, reizen of anderszins kunt genieten, wordt beantwoord door de feiten die ik hierboven heb aangegeven en hieronder zal aangeven. Het antwoord blijkt ook uit uw eigen rekening of 'uitgebreide dossieroverzicht', waarvan hieronder de helft, die al genoeg zegt,  is afgedrukt. De totale rekening staat ter beschikking voor wie daar om vraagt en te zijner tijd op Internet.

      22.   2 oktober 2001: tweede gesprek met de R.C.

      De mijns inziens schaamteloze rekening van de curatoren, de bespottelijke en pijnlijke gang van zaken bij de verificatievergadering, de door de rechter-commissaris, mr D. Vergunst en de 2e curator, mr. J. Doon verbroken beloftes en afspraken, het ontbreken van informatie, waardoor ik failliet ben verklaard, de flauwekul met de postblokkade, kortom heel de gang van zaken in mijn faillissement, brengt mij in alle staten van verzet. Ik wil erkenning van de curatoren, de griffier en de R.C. voor de gevolgen van de door hen gemaakte fouten. Ik wil mijn eer terug en het geld dat mijn beide curatoren in mijn rechtsgevoel gestolen hebben.Tot mijn curatoren durf ik mij, nu ik eindelijk hun uurloon ken en weet hoe zij aan hun uren komen, niet meer te wenden.

      Mijn faillissement is nog altijd niet beëindigd, ook al schrijft de rechter-commissaris in zijn brief van 12 juni 2001: 'Ten vervolge op uw brief d.d. 27 april 2001, ga ik er van uit dat u thans in overleg met de curator beziet op welke wijze het faillissement op zo kort mogelijke termijn beëindigd kan worden'. Maar er valt niet te overleggen met mijn advocaten/curatoren, die er nooit voor mij zijn, die geen antwoord geven op mijn brieven en telefoontjes en die geen antwoord geven op de vraag hoe ik een einde aan mijn faillissement moet maken, maar wel op mijn kosten: 'telefoneren, corresponderen, intern opverleggen, confereren, brieven openen, de ontvangen gegevens, literatuur en jurisprudentie bestuderen, in het algemeen voorbereiden, maar ook conferenties en verhoren voorbereiden, stukken opstellen en ontwerpen, zittingen bijwonen en reizen'.

      Omdat mijn blik zich inmiddels als vanzelf hecht aan mededelingen in de krant over faillissementen lees ik om de haverklap dat mijn rechter Westhuis talrijke keren tot rechter-commissaris wordt aangesteld. Dat betekent dus dat mr. Westhuis als rechter-commissaris en als rechter in faillissementszaken optreedt. Dat kan betekenen dat hij heeft moeten oordelen over zaken waarin hij opgetreden is. Zeker is dat rechter-commissaris Westhuis als rechter geoordeeld heeft over het salaris van mijn 1e en 2e curator en tevens over het toezicht van de rechter-commissaris daarop. Deze vermenging van functies lijkt mij niet bevorderlijk voor de onafhankelijkheid van de rechter en dus niet in mijn belang. In arren moede wend ik mij daarom maar weer tot mijn rechter-commissaris. Als lid van de stichting Advocadur bestook ik hem met brieven, waarin we feitelijk kritiek leveren op de curatoren en we hem keer op wijzen op de noodzaak om als rechter-commissaris in dit vermaledijde faillissement op te treden tegen de curatoren en hun rekening en ook tegen de voornoemde vermenging van functies door mr. Westhuis.

      Onze kritiek op de rechter-commissaris steken we niet onder stoelen of banken. Er komt geen feitelijk reactie op onze argumenten en klachten en er komt geen bevredigende reactie van de rechter-commissaris. Wel nodigt hij mij net als op 19 april 2001 op 2 oktober 2001 uit voor een gesprek. Omdat de rechter-commissaris zich niet gehouden heeft aan de in ons eerste gesprek d.d 19 april 2001 gemaakte afspraken neem ik dit keer mijn vriend/lid van de stichting Advocadur/collega free-lance journalist, Th. Gerritsen, als getuige mee.

      Weer doet de rechter-commissaris vriendelijk. Weer toont hij sympathie voor het werk van de stichting Advocadur en de door ons uitgegeven boeken. Weer toont hij begrip voor mijn problemen. Hij is zelfs bereid om een eind te maken aan de postblokkade en te bevorderen dat het faillissement eindelijk beëindigd kan worden. Weer zegt hij dat hij de rekening van de curatoren en mijn kritiek en commentaar daarop kritisch zal bekijken en de rechter van zijn oordeel in kennis zal stellen.

      Maar van zijn fouten die we hem voorhouden, van de door hem verbroken beloftes, wil hij niets weten. Al mijn kritische vragen als 'van wanneer tot wanneer was u op verlof en wie was uw plaatsvervanger? Waarom heeft u - wat u nu zegt te willen doen - in de afgelopen maanden niet één keer bevorderd dat het vermaledijde faillissement eindelijk beëindigd kon worden', worden niet beantwoord.

      Als een volleerd advocaat, probeert hij zich vrij te pleiten. Er ontstaat een discussie die van het begin af aan gedoemd is op niets uit te lopen. Wij vragen namelijk iets van mr. D. Vergunst waartoe hij kennelijk niet in staat is en dat is een ruiterlijk onomwonden erkenning van zijn eigen fouten en tekortkomingen en die van de curatoren. Van het vertrouwen dat hij bij mij op 19 april 2001 won blijft niets meer over. Ik weet zeker dat ook de rechter-commissaris in de rij geplaatst moeten worden van juristen die niet de moed hebben om op te treden tegen hun falende collegae, in dit geval de curatoren, en niet het vermogen hebben om met hun eigen fouten om te gaan. Dat wordt volstrekt duidelijk in ons gesprek. We raken pijnlijke plekken van Justitie. De rechter-commissaris en ik zijn uitgesproken. Het onrecht, waarvoor hij en de curatoren verantwoordelijk zijn, blijft en zal nimmer wennen, zolang ook deze hoeders van mijn Recht hun ongelijk niet erkennen. Ik ga uit van levenslang.

      23.  3 oktober 2001: einde postblokkade

      Op 3 oktober 2001, een dag na ons gesprek, schrijft de rechter-commissaris de 2e curator, mr. Doon: 'Indien u daar tegen geen bezwaar heeft, mag u wat mij betreft de postblokkade opheffen'.

      Mijn 2e curator heeft ineens kennelijk geen bezwaar meer, want op 10 oktober krijg ik - na 274 dagen van nodeloze ergernis en onkosten - mijn post weer thuis. De postblokkade heeft van meet af aan (15 januari 2001) geen enkele bestaansreden gekend. Die blokkade diende geen enkel ander doel dan het spekken van de rekening van de advocaten/curatoren. Ik heb mijn beide curatoren en de R.C. keer op keer gevraagd om redenen te noemen die de geldverslindende postblokkade zouden kunnen rechtvaardigen. Er is nimmer een antwoord gekomen op mijn vraag.

      De even plotselinge als ongerijmde opheffing van de postblokkade legt de willekeur ervan bloot. De postblokkade heeft bij mij een enorme onvrede veroorzaakt en me duizenden euro's gekost. Het was niet nodig geweest, wanneer beide curatoren hun verstand hadden gebruikt en de rechter-commissaris gewoon zijn bij wet gegeven taak had uitgevoerd.

      We wijzen de rechter-commissaris op de willekeur en zijn gebrek aan optreden.

      Als te doen gebruikelijk reageert de rechter-commissaris niet op een hem niet welgevallig onderwerp. Na ons gesprek van 2 oktober 2001 worden de talrijke geschillen alleen nog maar schriftelijk behandeld, voor zover je daarbij van behandeling kunt spreken.

      24.  19 april 2002 : einde faillissement?

      Onweersproken staat vast dat ik op 19 april 2001, overtuigd door en op sterk advies van de R.C., heb toegezegd dat ik ter vermijding van verdere kosten van mijn curator op de meest korte termijn wil en ga betalen. Die toezegging bevestig ik per brief d.d 19 april 2001 aan de R.C.; op 23 april 2001 stuurt de R.C. een afschrift van mijn brief aan mijn curator. Mijn R.C. en mijn curator zijn dus beide vanaf 23 april 2001 op de hoogte dat ik wil betalen, c.q een einde wil maken aan de kostbare en vernederende gang van zaken en mijn vermaledijde faillissement wil beëindigen. Maar ik ben en blijf failliet.

      Daaraan helpen al mijn brieven en verzoeken niets. Ik wil betalen, maar kan niet betalen, omdat ik de gespecificeerde rekening, die ik daarvoor nodig heb niet van de 1e en ook niet van de 2e curator krijg. Al mijn bij herhaling geschreven brieven waarin ik de R.C. met steeds meer klem verzoek om de curator te bewegen mij zijn rekening te doen toekomen, laat de R.C. onbeantwoord. Op mijn verzoek om de noodzakelijke discussie over de rekening van de curatoren te scheiden van het faillissement gaat de R.C. niet in. Daarom ben en blijf ik na 19 april 2001 failliet.

      Vanaf 19 april 2001 t/m 31 juni 2001 brengt mijn 1e curator voor door hem als werk aangeduide bezigheden, die 130 minuten in beslag hebben genomen € 367,22 in rekening en mijn 2e curator van 31 juni 2001 t/m 14 augustus 2001 € 1730,17 voor 610 minuten werk.

      Voor werkzaamheden van 14 augustus 2001 t/m 3 januari 2002 brengt mijn 2e curator mij € 1542,24 in rekening en voor 'afwikkelingskosten' € 362,88.

      De postblokkade, die tot 3 oktober 2001 duurt en de hierboven aangegeven zinloze werkzaamheden van mijn curatoren brengt in totaal nog eens zo'n € 820 in het curatoren/advocaten laatje. Na mijn op 19 april 2001 mondeling en schriftelijk uitgedrukte wens om alles te betalen wordt mij door mijn curatoren nog eens € 4822,51 (f 10705,97) in rekening gebracht.

      De R.C. staat er bij en kijkt er naar, maar hij legt de curatoren die zich naar mijn overtuiging en die van vele andere mensen ongerechtvaardigd verrijken [17] geen strobreed in de weg. Een advocaat om deze mijns inziens even mateloze als ongerechtvaardigde zelfverrijking aan de rechter voor te leggen vind ik niet.

      Op 3 januari 2002 krijg ik van mijn 2e curator eindelijk de rekening die ik moet betalen en die ik al vanaf 19 april 2001 wil betalen. Ik betaal onmiddellijk, omdat ik mij en mijn gezin wil verlossen van alle onrecht en onvrede, waarmee het verdomde faillissement ons al zo lang opzadelt. Maar ik voel geen verlossing. Integendeel. Want het beslag op mijn rekening blijft. Nog altijd kan ik niet aan mijn geld komen. Weer krijg ik bij mijn bank nul op mijn rekest.

      Van dat zoveelste probleem dat mij treft, stel ik de griffier en de rechter-commissaris op 7 juni 2002 telefonisch en schriftelijk in kennis. De rechter-commissaris stelt zich 11 juni 2002 op het standpunt dat 'er met betrekking tot mijn probleem met mijn bankrekening formeel voor hem geen taak is weggelegd'. Vervolgens wend ik mij tot mijn 2e curator mr. Doon. Deze stelt zich in zijn brief d.d. 13 juni op het standpunt: 'ik behoef niet zorg te dragen voor het opheffen van beslagen'. Ik kan dus nog steeds niet aan mijn geld komen en ontvang geen bankafschriften.

      Op 2 juli 2002 schrijft UWW/GAK aan mij: 'Hierbij delen wij mee dat van De Jonge, Peters, Remmelink (het kantoor van mijn 2e curator) bericht hebben ontvangen dat het faillissement inmiddels is beëindigd. Wij zullen de uitkering weer aan u overmaken'. Dat gebeurt per augustus 2002

      Hieruit blijkt dat mijn curator tóch de taak had zorg te dragen voor het opheffen van het beslag op mijn rekening. Van die taak heeft hij zich maanden te laat en pas na druk van mij en/of de rechter-commissaris gekweten. Formeel komt er op 3 augustus 2002 een einde aan de gevolgen van het faillissement, dat op 12 januari 2001 begon. Maar in mijn hoofd en hart blijf ik zitten met een faillissement, dat nimmer went zolang geen hoeder van mijn Recht zijn ongelijk erkent.

      25.  Laatste appèl op mijn curatoren

      Vanaf 12 januari 2001 stel ik vragen aan mijn curatoren, richt ik verzoeken aan hen, breng ik feiten en argumenten in het geding en doe ik appèl op appèl op hun verstand en hun gevoel voor redelijkheid en billijkheid. Na het gesprek met mijn R.C. op 19 april 2001, waarin deze mij wees op de kosten van de curatoren, richt ik mij, ter voorkoming van kosten, alleen maar tot mijn curator indien dat noodzakelijk is.

      Vanaf het moment dat zij mij hun discutabele werkzaamheden niet meer peperduur in rekening kunnen brengen leg ik mij geen beperking meer op. Ik vraag hun het hemd van het lijf, ga met versterkte krachten uitgebreid de discussie aan over hun informatieplicht, de postblokkade, de boedelafstand, de vragen die zij onbeantwoord hebben gelaten, de ten onrechte opgevoerde schuldeisers mr. Peters en de stichting Advocadur, hun ongemotiveerde weigeringen mij de gespecificeerde rekening te doen toekomen, kortom ik wijs hen op hun fouten en tekortkomingen, die uit dit boek spreken.

      Ik vraag keer op keer om de voor mij ontstane schade op basis van redelijkheid en billijkheid in overleg met mij op te lossen. Maar mijn 1e en 2e curator willen niets van fouten en tekortkomingen weten, laat staan van schade.

      Zoals al die falende advocaten die wij/ik in de afgelopen jaren zijn tegengekomen vinden ook mijn curatoren dat hun niets valt te verwijten en dat zij het gelijk aan hun kant hebben. Ze schrijven brief op brief, zoeken naar argumenten, waarmee ze hun doen en nalaten proberen te rechtvaardigen. Maar mijn kritiek blijft naar mijn overtuiging en die van redelijke mensen om mij heen, die in staat zijn om te oordelen en te beoordelen, recht overeind.

      Vanaf 12 januari 2001 ontstaat er een omvangrijke correspondentie, die eindigt met een brief van de stichting Advocadur d.d 31 januari 2003 aan de curator Doon, waarin een aantal vragen gesteld worden, die de curator niet beantwoordt. De correspondentie bestaat uit 89 pagina's van A4 - formaat. Deze correspondentie staat voor wie daarin geïnteresseerd is ter beschikking.

      Op 16 december 2002 schrijft de advocaat/curator mr. J.M.J.M. Doon de stichting Advocadur:

      'Zoals ik u al aangaf geef ik u geen toestemming om gebruik te maken van mijn naam noch de naam van mijn kantoor, noch geef ik u toestemming om gebruik te maken van de feiten, waarop u kennelijk in uw schrijven doelt. Doet u zulks desondanks toch dan stel ik vast dat u in uw berichtgeving onjuist, onheus of onzorgvuldig bent, dan zal ik niet aarzelen tegen uw stichting en degene, die van uw stichting bij de publicatie betrokken zijn de mij ter beschikking staande rechtsmiddelen te gebruiken'.

      In mijn berichtgeving over de gang van zaken in mijn faillissement heb ik me laten leiden door de feiten. Die berichtgeving is naar mijn overtuiging niet alleen 'juist, heus en zorgvuldig' maar ook noodzakelijk, hetgeen af te lezen is uit dit boek en uit heel de correspondentie met mijn curatoren.

      Desalniettemin heb ik mijn curatoren op de hoogte gesteld van de inhoud van dit boek en de daarbij horende correspondentie en verzocht aan te geven of en zo ja waar en waarom ik in mijn berichtgeving: 'onjuist, onheus of onzorgvuldig' ben geweest, zodat ik daar rekening mee kan houden bij de uiteindelijke publicatie.

      Ik wacht op antwoord.

      26.  Laatste appèl op mijn rechter-commissaris

      Vanaf 31 januari 2001 richt ik mij tot de R.C. met vragen over het doen en laten van de curatoren.

      Ook met mijn R.C. ga ik uitgebreid de discussie aan. Ik stel hem op de hoogte van alle feiten, die uit dit boek spreken. Ik voer argumenten aan en stel vragen, waarvan er vele onbeantwoord blijven.

      Ik formuleer klachten over het doen en laten van mijn curatoren en vraag hem om die klachten te behandelen. Ik vraag hem om de kritiek op de rekening van de beide curatoren, waarvan hij de rechters, die daarover dienden te oordelen niet in kennis heeft gesteld, als nog aan die rechters te doen toekomen. Ik vraag hem twee jaar lang om, alvorens te beslissen over al mijn vragen en verzoeken, getuigen te horen, die deskundig zijn met betrekking tot de problemen die ik hem voorhoud. Ook hem vraag ik het hemd van het lijf en ook op hem doe ik appèl op appèl om tot een redelijke en billijke oplossing te komen.

      Mijn R.C schrijft brief op brief, waarin hij naar argumenten zoekt, waarmee hij zich probeert te rechtvaardigen. Het zijn gezochte argumenten, waarmee mijn vragen niet beantwoord worden en de klachten over de curatoren niet behandeld worden. Hij schrijft vier keer dat 'hij de correspondentie definitief beëindigd', maar gaat toch telkens weer in op de feiten en argumenten die ik hem voorhoud.

      Hij schrijft dat ' maar onderneemt niets tegen die beschuldigingen. Hij schrijft en blijft schrijven en hij blijft praten. Maar het is praten tegen een dove en drukken tegen een deur die niet open wil. Ook mijn R.C. wil niets van fouten en tekortkomingen weten. Ook mijn R.C. vindt dat hem niets te verwijten valt en dat hij het gelijk aan zijn kant heeft. Maar naar mijn oprechte overtuiging en die van redelijke mensen om mij heen, die in staat zijn om te oordelen en te beoordelen blijft mijn kritiek recht overeind.

      Vanaf 31 januari 2001 ontstaat er een omvangrijke correspondentie, die eindigt met een brief van de stichting Advocadur d.d. 3 december 2002, waarin voor de zoveelste keer op rij vastgesteld wordt dat de rechter - commissaris 'niet ingaat op feiten en stellingen en een groot aantal vragen open laat'. De correspondentie bestaat uit 157 pagina's van A4 - formaat. Voor wie daarin geïnteresseerd is, zal die correspondentie spreken.

      Op 5 november 2002 schrijft mijn rechter commissaris de stichting Advocadur: 'Ten aanzien van het aangekondigde verslag en de drukproeven volsta ik met een verwijzing naar artikel 7 van de Grondwet: Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens iedere verantwoordelijkheid voor de wet'. Van die vrijheid heb ik noodgedwongen gebruik gemaakt.

      In mijn verslag over de gang van zaken in mijn vermaledijde faillissement heb ik naar eer en geweten mijn 'gedachten geopenbaard'. De 'gevoelens' van woede, machteloosheid en al die andere onvrede die het doen en nalaten van mijn rechter-commissaris, de heer mr. D. Vergunst, bij mij hebben opgeroepen heb ik proberen weg te laten'. Die gevoelens spreken uit alle beschreven feiten en uit al de informatie die voor wie daarom verzoekt, ter beschikking staat.

      27.  Vrijdag 27 december 2002: een uit het hart gegrepen tekening

      Op 27 december 2002 neemt de Telegraaf een door mij ingezonden brief op. Die brief schrijf ik naar aanleiding van een artikel d.d. 12 december 2002 over onjuiste declaraties van een omstreden topcurator.[18]

      Mijn woorden over mijn zich rijk rekende curatoren inspireren de tekenaar van de Telegraaf, de heer B. Witte, tot een spotprent, die prachtig verbeeldt hoe ik mijn curatoren voor me zie. Miljoenen mensen lezen kort samengevat wat ik in mijn vermaledijde faillissement heb meegemaakt en zien een beeld, dat naadloos aansluit bij het beeld en de gevoelens, die beide heren bij mij hebben opgewekt.

      Zoals altijd bij kritische woorden over ons rechtsbedrijf krijg ik ook dit keer vele, vaak hartverscheurende reacties, die mijn overtuiging dat er structurele oorzaken ten grondslag liggen aan de ellende die mensen met hun Recht ondervinden, keer op keer bevestigen.

      De tekening doet me zo goed dat ik die de lezers van dit boek niet wil onthouden. Een kopie van de publicatie en de tekening heb ik aan mijn curatoren en aan de rechter-commissaris doen toekomen, met het verzoek om mijn in het openbaar afgedrukte beschuldiging tegen te spreken. Er volgt geen reactie.

       

      Tweede deel:

      Formeel verzet tegen de gang van zaken in mijn faillissement / Appèl op appèl

      In deel 1 heb ik aangegeven dat en waarom al mijn pogingen om de rechter-commissaris en de curatoren tot een redelijke oplossing te bewegen. op niets zijn uitgelopen. Al mijn brieven blijken voor niets geschreven, de gesprekken voor niets gevoerd, de geïnvesteerde tijd en moeite, alle in het geding gebrachte feiten en argumenten, het lijkt allemaal voor niets geweest. Justitie blijkt een slechte verliezer.

      Ook mijn rechter-commissaris heeft mij weliswaar een grote hoeveelheid brieven geschreven, twee keer met mij gesproken, maar ook hij heeft mijn klachten over de curatoren niet behandeld, ook al schrijft de griffier in zijn brief d.d 13 juli 2002: 'Voor klachten over de curator kunt u bij de rechter-commissaris terecht'. Mevr. Van Haaften van de Raad van Toezicht van Advocaten in het arrondissement Zutphen, schrijft op 11 juni 2002: 'Tot slot bericht ik nogmaals dat de heer Terharte klachten over de wijze waarop de curator zijn faillissement afwikkelt kan indienen bij de rechter-commissaris in faillissementszaken'.

      Maar bij mijn 'rechter-commissaris in faillissementszaken' kan ik niet terecht. Hij weigert getuigen te horen. Hij wil zijn licht niet opsteken bij de door mij genoemde deskundigen in faillissementszaken. Hij regelt allerlei zinloze zittingen, waarmee mijn curatoren zich louter door hun aanwezigheid kunnen verrijken, maar nimmer een zitting, waarin de curatoren en ik gehoord worden over mijn klachten. Mijn smeekbeden om de zinloze, mijn geld verslindende postblokkade op te heffen worden negen maanden niet gehoord en dan ineens zonder enige verklaring wel. Al mijn kritiek op het doen en nalaten van de curatoren wordt niet gewogen. De rechter-commissaris wijst mijn kritiek simpel af. De excessieve rekening van mijn curatoren keurt hij zonder slag of stoot in zijn geheel goed. Mijn goed onderbouwde kritiek van zeven pagina's op de curatorenrekening, die veel verder en dieper gaat dan de kritiek in dit verhaal, wordt niet ter harte genomen.

      Mijn rechter-commissaris heeft op al datgene waarvoor de curatoren naar mijn overtuiging diep bij mij in de schuld staan, niets aan te merken. Mijn verzoeken om mijn kritiek op de rekening in een mondelinge hoorzitting ten overstaan van een onafhankelijke rechter te laten spreken, worden afgewezen. Zonder mij te horen keurt uiteindelijk de rechter mr. Westhuis de rekening goed.

      Naar het oordeel van mijn rechter-commissaris, die toezicht heeft moeten houden op de gang van zaken in mijn faillissement, hebben de curatoren zich gedragen zoals dat goede curatoren betaamt en treft hen geen enkele blaam. Alle ellende die het faillissement teweeg heeft gebracht en die ik hiervoor beschreven heb, heb ik naar het oordeel van mijn curatoren en mijn rechter-commissaris '

      De houding, de opstelling en al die verschrikkelijke brieven van mijn curatoren en mijn rechter-commissaris leiden tot de woede, de verbijstering, de vernedering, de machteloosheid, de rechteloosheid, kortom tot de grote en heftige onvrede, waaraan ik - zoals voorgenomen - geen woord vuil wil maken. Maar het feitelijk onrecht dat ik in het faillissement ondervind, wil ik laten spreken. Daarom wil ik me zo goed mogelijk informeren en laten informeren. Ik wil de mening horen van deskundigen.

      Ik vind dat ik recht heb op een objectief oordeel over de gang van zaken in mijn faillissement, een oordeel waaraan mijn curatoren, de rechter-commissaris en mijn rechters niet zijn toegekomen. Daarom teken ik samen met de Stichting Advocadur, waarvan ik de voorzitter ben, formeel verzet aan. Daarom formuleren we negen klachten over het functioneren van mijn curatoren en veertien over de rechter-commissaris.[19]

      We zijn vastbesloten om ook vast te leggen hoe het bestuur van het Gerecht en de Deken/Raad van Toezicht van de orde van advocaten met onze klachten omgaan. We worden gedreven door de overtuiging dat een zorgvuldig oordeel over mijn klachten bij zal dragen aan de verbetering van de rechtspositie van failliete mensen zoals ik.

      Hieronder doe ik verslag van de ervaringen, die wij/ik opdoen.

      1.    Appèl op rechtswetenschappers om een standpunt in te nemen

      Alvorens mijn klachten officieel in te dienen doe ik een appèl op een aantal rechtswetenschappers om een standpunt te bepalen over de gang van zaken in mijn faillissement. Daartoe benaderen de stichting Advocadur en ik een aantal wetenschappers, dat zich met het faillissementsrecht of met - zoals dat in wetenschappelijke kringen ook wel genoemd wordt - het insolventierecht bezighoudt. We formuleren een elftal vragen over onder andere:

      *  de informatieplicht en de taak van de rechter, de griffier, de rechter-commissaris en de curatoren;

      *  de voor een faillissement vereiste steunvordering;

      *  de bij wet gegeven plicht om binnen veertien dagen, nadat het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan:

      1)      den dag te bepalen, waarop uiterlijk de schuldvorderingen moeten worden ingediend.

      2)      dag, uur en plaats te bepalen waarop de verificatievergadering gehouden zal worden.

      Ook stellen we vragen over de mogelijkheid om in dit geschil bemiddelend op te treden, hetgeen ik zielsgraag wil, kortom ik stel alle vragen waarop ik vanaf 12 januari 2001 geen antwoord krijg en die mij al zolang bezig houden.

      Op 22 april 2002 richt ik mij tot de heer mr. E. Loesberg van de faculteit der rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen, tot mevr. mr. Van der Braak van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Universiteit te Utrecht en tot de heer prof. mr. R.D. Vriesendorp van de faculteit der rechtsgeleerdheid aan de Katholieke Universiteit te Tilburg. Niet één rechtsgeleerde geeft antwoord. Mijn elf vragen blijven dus onbeantwoord.

      Ook wend ik mij tot prof. mr. Carla J.M. Klaassen, hoogleraar Burgerlijk Recht en Burgerlijk Procesrecht met duidelijke en gerichte vragen over de aansprakelijkheid voor mijn vermaledijde faillissement en voor al het onrecht dat daaraan vooraf is gegaan. Mevrouw Klaassen neemt alle tijd om mijn boeken te lezen. Ze neemt de moeite om zich door mij in een gesprek nader te laten informeren over mijn vragen aan haar. Ze blijkt onder de indruk maar 'heeft vooralsnog geen tijd om tot een standpunt over de aansprakelijkheid in het faillissement te komen'.

      Op 28 november 2003 schrijft prof. mr. Bas Kortmann, hoogleraar Burgerlijk Recht aan de KUN in onder andere. de Gelderlander exact datgene wat ik in mijn faillissement ervaren heb. De kop van het artikel: ' Onvoldoende toezicht op faillissement' vat mijn kritiek prima samen. De heer Kortmann stelt:

      'De belangrijkste oorzaak van het gebrekkige toezicht is overbezetting van de rechters-commissaris. Door dat gebrek aan toezicht wordt de samenleving ernstig gedupeerd'. De hoogleraar verwijt 'de overheid onbehoorlijk bestuur, omdat zij ziende blind en horende doof is voor de werkdruk van de rechters-commissarissen en de problemen die daaruit voortkomen'. 'De rechters-commissarissen zijn bij gebrek aan ervaring vaak geen partij voor geslepen curatoren. Onder curatoren is volgens Kortmann veel kaf onder het koren. Sommigen zijn ondeskundig of hebben tegenstrijdige belangen'.

      Met deze en andere rake stellingen treft de heer Kortmann de pijn in mijn faillissement en geeft hij de aansprakelijkheid aan van mijn curatoren en rechter-commissaris voor het feit dat ik 'ernstig gedupeerd' ben. De heer Kortmann staat 'aan het hoofd van een door het Ministerie van Economische Zaken ingestelde commissie die aanbevelingen moet doen voor de hervormingen van de faillissementswetgeving'. Hij maakt echter zoals alle juristen een grote boog om de aansprakelijkheid en de schade van de slachtoffers. Hij rept met geen woord over het feit dat slachtoffers zoals ik bij gebrek aan een advocaat die schade niet kunnen verhalen en dat daardoor geen jurisprudentie ontstaat. Dat is een van de vraagstukken waarmee juristen zich klaarblijkelijk liever niet bezig houden.

      Ook het gebrek aan corrigerende zelfkritiek en kritiek op elkanders functioneren bij curatoren, rechters-commissarissen, rechters, presidenten van rechtbanken en andere bij faillissementen betrokken hoeders laat de hoogleraar onbesproken. Op grond van het een en het ander wend ik me tot de heer Kortmann met het aanbod om hem uitgebreid te informeren over mijn ervaringen in mijn faillissement en met die van mensen, die zich tot mij gewend hebben. Ik wil hem de feiten laten zien en hem meer vertellen dan wat ik in dit boek kan schrijven. Daarom vraag ik hem om een afspraak met hem te mogen maken.

      Op 1 december 2003 schrijft hij mij onder andere: 'Tot mijn spijt moet ik u laten weten de komende maanden geen ruimte te hebben in mijn agenda voor het maken van een afspraak'. Op mijn verzoek wanneer hij daarvoor dan wel tijd heeft, krijg ik geen antwoord. Vervolgens vraag ik hem beleefd om kennis te nemen van dit boek en om daarvoor - als hij dat wil - een voorwoord te schrijven.

      Op grond van zijn onderzoek en het feit dat hij voorzitter is van voornoemde commissie, lijkt hij daarvoor de aangewezen persoon. Uit de correspondentie die vervolgens ontstaat blijkt dat ook de wetenschapper Kortmann geen tijd en ruimte heeft voor de informatie die ik hem diverse keren aanbied, laat staan voor het schrijven van een voorwoord. Wel blijkt hij kort daarop tijd te hebben voor een bijdrage aan het TV-programma 'Twee Vandaag', waarin hij aan de hand van een concrete faillissementszaak zijn kritiek op de gang van zaken bij faillissementen wederom niet onder stoelen of banken steekt. [20]

      2.       Appèl op de Vereniging van Insolventieadvocaten INSOLAD om een standpunt in te nemen.

      In de staatscourant van 6 maart 2002 schrijft prof. mr. Bob Wessels een artikel dat de mij uit het hart gegrepen titel draagt: 'De faillissementscurator een zwak geregeld ambt'. In dat artikel geeft hij in theorie aan wat ik in de praktijk heb ervaren. Prof. mr. Wessels uit scherpe kritiek op het ambt van curator. Hij vindt dat 'het hoog tijd is dat de curator onder een eigen beroeps- en gedragsrecht valt en stelt een 'Kamer voor beheerders in insolventiezaken' voor'.

      Op dat artikel in de staatscourant reageert de heer mr. W. Aerts, voorzitter van de vereniging van insolventie advocaten, INSOLAD met een artikel in de staatscourant van 10 april 2002 dat de titel draagt: 'De faillissementscurator hoezo zwak geregeld?'. Mr. Aerts vindt het 'vanzelfsprekend dat de rechterlijke macht haar stempel drukt op de afwikkeling van faillissementen en daarbij toezicht houdt op de door haar aangestelde curatoren'.

      Mr. Aerts heeft de mond vol van de kennis, de kunde en de ervaring die men van de curator 'mag verwachten'. Ook maakt hij gewag van het feit dat 'INSOLAD aan een gedragscode werkt voor de curatoren, waaraan zo nodig het handelen van de curator door de tuchtrechter kan worden gemeten'. [21]

      In de staatscourant van 25 september 2002 dien ik beide insolventiespecialisten van repliek in een artikel met de mij op het lijf geschreven titel: 'Slachtoffer faillissement kan nergens terecht'. Ik wijs er op dat er bij de afhandelingen van faillissementen van alles mis is, waarom dat zo is en dat met name advocaten/ curatoren bijdragen aan die misstanden.[22]

      De vereniging van insolventieadvocaten INSOLAD zegt 'de kwaliteit van het werk van haar leden/curatoren te willen bevorderen'. [23]

      Daaruit maak ik op dat daar kennelijk behoefte aan is. Dat brengt mij tot de concrete vraag of mijn 1e curator mr. Vestiens en mijn 2e curator mr. Doon lid zijn van voornoemde vereniging. Dat blijken ze niet te zijn. Of aan dat feit conclusies verbonden kunnen worden met betrekking tot de kwaliteit van hun werk als curator in het algemeen, weet ik niet. Wat ik wel weet en voel tot aan de dag van vandaag is dat het in mijn faillissement aan die kwaliteit ontbroken heeft. Daarnaast stel ik een aantal andere concrete vragen aan de Vereniging INSOLAD en met name of 'deze vereniging bereid is om, uitgaande van haar kwaliteitsnormen m.b.t. de kwaliteit van het werk van curatoren een standpunt in te nemen over de kwaliteit van het werk van de curatoren Vestiens en Doon'.

      Die bereidheid is er niet en komt er niet, ook niet na een lange correspondentie. De vraag of INSOLAD een artikel van de stichting Advocadur of van mijn hand in haar Nieuwsbrief INSOLAD op wil nemen, wordt niet beantwoord. Op tal van vragen over de kwaliteit van het curatorenambacht heeft de kwaliteitsbevorderende vereniging INSOLAD simpel geen antwoord. Voor wie daarom vraagt staan de vragen en correspondentie tussen INSOLAD en de stichting Advocadur ter beschikking.

      3.       Appèl op curatoren en op griffiers en rechters-commissaris, advocaten / curatoren van andere rechtbanken om een standpunt in te nemen.

      Vanwege de mijns inziens ondermaatse wijze waarop het Bestuur van het Gerecht te Zutphen, de Deken/Raad van Toezicht en het Ministerie van Justitie (MvJ) mijn formele verzet tegen de gang van zaken in mijn faillissement behandeld hebben, ben ik van plan om mijn beklag bij de overheid te doen. Alvorens dat te doen richt ik mij op 7 juni 2002 tot griffiers en rechters-commissarissen van de rechtbanken te Assen, Arnhem, Breda, Den Bosch, Roermond, Den Haag en Amsterdam.

      Wij/ik verzoeken om antwoord te geven op drie vragen die de gang van zaken bij de behandeling van faillissementen betreffen:

      1)       Wanneer de rechter bij de mondeling hoorzitting over het verzoek een mens failliet te verklaren, ter zitting niet tot een beslissing komt, wat is dan de gang van zaken bij uw rechtbank?

      2)       Krijgt de potentiële failliet in het onder 1. omschreven geval schriftelijk of mondeling informatie, waaruit blijkt dat hij zelf naar het vonnis van de rechter dient te informeren?

      3)       Hoort het bij de goede taakuitoefening van de door uw rechtbank benoemde curator dat deze de failliet zo snel mogelijk op de hoogte stelt van diens faillissement en is dat in uw arrondissement te doen gebruikelijk?

      Van de aangeschreven rechtbanken geven slechts die van Roermond en Arnhem antwoord. De rechter-commissaris te Arnhem mr. B. Engbers meldt in zijn brief van 5 juli 2002: 'In antwoord op uw brief deel ik u mede dat het in deze rechtbank gebruikelijk is dat met betrekking tot faillissementsrekesten direct op de zitting uitspraak te doen. Dat neemt niet weg dat soms later uitspraak wordt gedaan.In die gevallen wordt een datum en tijdstip van de uitspraak bepaald'. 'Als een faillissement is uitgesproken zal de curator contact opnemen met de failliet. Hoelang het duurt, voordat dat contact tot stand komt, hangt van de omstandigheden van het geval af'. De rechter-commissaris van de rechtbank te Roermond, mr. H.H. Dethmers geeft in zijn brief d.d. 7 juli 2002 aan dat 'aldaar in haast alle gevallen ter zitting uitspraak wordt gedaan of in een enkel geval later op de dag' en dat dit 'de aanwezigen wordt aangezegd en dat er wordt gezegd / gevraagd om op een bepaald tijdstip naar de rechtbank te bellen om van de uitspraak op de hoogte te raken'.

      'Onze ervaring is dat de curatoren zo spoedig mogelijk contact opnemen met de bestuurders van de failliet'.

      De toenmalige voorzitter van de Faillissementscommissie van de Nederlandse Orde van Advocaten (de NOvA), de advocaat/curator, de heer mr. F. de Meeter schrijft mij op 7 juni 2002 dat hij het met mij eens is dat: 'bij een goede taakuitoefening van de advocaat/curator hoort dat deze zo snel mogelijk contact legt met de failliet' Ook schrijft hij mij dat 'er voor de deken een taak is weggelegd om te achterhalen welke verklaring ten grondslag ligt aan het feit dat de aangewezen curator zich pas acht dagen na dato tot de failliet gewend heeft'.

      Uit de antwoorden blijk dat het in ieder geval bij de rechtbanken te Arnhem en Roermond anders gaat. Uit de antwoorden blijkt helder en klaar dat deze rechtbanken een failliet te verklaren mens naar behoren informeren en dat de curator zo snel mogelijk - in ieder geval niet op de 8e dag na het faillissementsvonnis - op de hoogte stelt van het vonnis. Er is dus sprake van rechtsongelijkheid waarvan ik het slachtoffer ben geworden.

      Met deze antwoorden staan de fouten van het gerecht te Zutphen en de gevolgen daarvan vast. Daarvan stel ik mijn rechter-commissaris, mijn griffier, mijn Bestuur van het Gerecht te Zutphen, mijn curatoren en mijn Deken/Raad van Toezicht op de hoogte. Weer vraag ik om een oplossing in der minne. Niemand reageert. Alle voornoemde hoeders van mijn recht laten het afweten.

      Behalve op voornoemde rechtbanken, doe ik een appèl op een aantal rechters, wier namen in een aantal geruchtmakende faillissementszaken in de media verschijnen. Geen van hen geeft antwoord op mijn vragen, met uitzondering van de heer mr. J.W. Westenberg, die na veel aandringen reageert. Mr. Westerberg is behalve rechter/vice-president van de rechtbank te Amsterdam, een specialist op het gebied van faillissementen. Hij komt in de openbaarheid bij de mensonterende faillissements-zaak Solleveld[24], een van de vele zaken die het onvermogen van medewerkers van Justitie om met fouten om te gaan pijnlijk blootlegt.

      Mr. Westenberg schrijft mij onder andere: 'Hoewel het doel van uw stichting en hetgeen u ter toelichting verder schrijft mij op punten wel aanspreekt, dien ik mij bij de beantwoording van de voorgelegde vragen enige beperkingen op te leggen. Ik ben immers niet aangesteld om de door u aangeduide zaken in andere banen te leiden. Daartoe zoudt u zich eerder dienen te wenden tot de Nationale Ombudsman, dan wel de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer'. Voor wat de schade betreft verwijst ook mr. Westenberg me in zijn brief naar een advocaat'. Die kan ik maar niet vinden.

      4.       Appèl op de Deken/Raad van Toezicht om mijn klachten over de curatoren te behandelen

      Klachten over het doen en laten van mijn advocaten/curatoren moeten ingediend worden bij de Deken/Raad van Toezicht van het arrondissement waarin de betrokken advocaat/curator werkzaam is. 'Om mijn zaken in andere banen te leiden' heb ik mij al op 14 juni 2001 gewend tot de Deken/Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem en Zutphen met het verzoek mij te helpen bij de formulering van mijn klachten over de beide advocaten die als mijn curator zijn opgetreden.

      Alle hierboven onder hoofdstuk 1, 2, 3 en 4 genoemde informatie die ik in de loop der tijd vergaar, doe ik aan de Deken/Raad van Toezicht toekomen. Voor lezers die de bestaande regeling bij klachten over advocaten/ curatoren niet kennen, wijs ik kort op het volgende: Bij klachten over het doen en laten van een advocaat, dient de rechtzoekende burger zich, zoals in de Advocatenwet staat, te wenden tot de deken.

      De Advocatenwet is van 23 juni 1953, die conform het Staatsblad 365 om het navolgende gaat: 'houdende instelling van de Nederlandse Orde van Advocaten alsmede regelen betreffende orde en discipline voor advocaten en procureurs'.

      Die orde en discipline gelden dus ook voor curatoren. De deken is de eerste bij wet aangewezen persoon om de orde en discipline van de advocaten in zijn arrondissement te bewaken. Een arrondissement is het rechtsgebied van een rechtbank. Mr. Vestiens valt onder het arrondissement Arnhem en mr. J. Doon onder arrondissement Zutphen. Beide Raden van Toezicht besluiten om mijn klachten over de advocaten/curatoren door één Raad van Toezicht en wel die in Zutphen te laten behandelen.

      De Orde van Advocaten in een arrondissement wordt vertegenwoordigd door de Raad van Toezicht, die geheel en al uit advocaten uit het betreffende arrondissement bestaat. De deken is een advocaat uit het arrondissement en hoofd van de Raad van Toezicht. De taken van een deken zijn vastgelegd in de al genoemde Advocatenwet.

      De Raad van Toezicht en dus ook de deken:

           'bevordert een behoorlijke uitoefening der praktijk en is bevoegd tot het nemen van allerlei maatregelen die daartoe kunnen bijdragen. Zij ziet toe op de naleving van de plichten van de advocaten' (art. 26). 'Verder dient de deken mensen die daar om vragen een advocaat aan te wijzen'. (art. 13).

      'Je kunt je ook tot de deken wenden en vragen of hij je wil helpen bij het formuleren van jouw klacht. (art. 46c lid 1).' Artikel 46c lid 4 zegt: 'De klacht wordt schriftelijk ter kennis van de deken gebracht'.

      Naast de in de Advocatenwet opgenomen regels ter waarborging van de kwaliteit van het werk van de advocaat, heeft de Nederlandse Orde van Advocaten een aantal gedragsregels opgesteld die aangeven:

       'Wat een advocaat uit een oogpunt van behoorlijke beroepsuitoefening al dan niet betaamt'.

      In het Ten geleide van deze gedragsregels uit 1992 staan prachtige volzinnen als:

      Een deugdelijke en zorgvuldige behandeling van de zaken is een eerste plicht van de advocaat.

      De advocaat wordt ook buiten het hem toegekende procesmonopolie door de maatschappij erkend als iemand die een wezenlijke rol vervult in de rechtsbedeling.

      Een goede beroepsuitoefening is een openbaar belang.

      Het klinkt allemaal zó mooi, net als de Kersttoespraak van de Koningin, dat er eigenlijk niets mis lijkt te kunnen gaan. Maar de schijn bedriegt!

      In de afgelopen twaalf jaar heeft de stichting Advocadur tientallen klachten over advocaten ter behandeling voorgelegd aan dekens en Raden Toezicht. Van geval tot geval blijkt er bij de behandeling van klachten over advocaten van alles mis te zijn. [25]

      De behandeling van mijn klachten over mijn advocaten/curatoren laat dezelfde tekortkomingen zien die de stichting Advocadur in meer dan tien jaar in vele gevallen heeft vastgesteld.

      De behandeling van klachten duurt ook in mijn geval jaren.

      De deken krijg ik nimmer te zien of te spreken. Ik weet dus niet eens hoe die man of die vrouw heet. Mijn brieven worden beantwoord door mevrouw mr. D. van Haaften, adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht. Het onderzoek door de Deken/Raad van Toezicht van mijn klachten over de curatoren reikt ook dit maal niet verder dan een briefwisseling tussen de curatoren en mij, waarbij de curatoren het zich kunnen veroorloven vraag op vraag onbeantwoord te laten of een verkeerde voorstelling van zaken te geven.[26]

      Juist daarom verzoek ik de Deken/Raad van Toezicht getuigen en deskundigen te horen en om mij met mijn curatoren in een gesprek met elkaar te confronteren om daardoor feiten boven tafel te krijgen.

      Op mijn verzoek wordt - net als bij zovele andere klachten over advocaten - niet gereageerd. Bij gebrek aan degelijk en voldoende onderzoek kan het niet tot het compromis komen, waar de advocatenwet over spreekt en waarnaar mijn voorkeur uitgaat.

      Eindelijk, op 5 augustus 2002 formuleert mr. D. van Haaften vijf klachten over het werk dat mijn beide curatoren hebben afgeleverd. In haar informatie aan de Raad van Discipline maakt zij - ondanks mijn uiitdrukkelijke verzoek - geen gewag van de hierboven genoemde standpunten van prof. mr. B. Wessels, van mr. F. de Meeter, van mr. J.W. Westenberg, en ook niet van de vereniging van curatoren INSOLAD. Die gezagsvolle bronnen leveren informatie op, die zonder meer van belang is voor mijn klachten over beide curatoren. Die informatie wil ik daarom aan de klachten toevoegen samen met het feit dat mijn 1e en mijn 2e curator geen lid zijn van INSOLAD. Ik slaag er echter niet in om die toevoegingen te bewerkstelligen. Zoals bij zovele Dekens/Raden van Toezicht het geval blijkt te zijn, gebeurt er ook met mijn klachten, buiten de briefwisseling met de curatoren, niets.

      De voorzitter van de Faillissementscommissie van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de advocaat/curator mr. F. de Meeter schrijft mij als gezegd weliswaar op 7 juni 2002 dat 'er voor de deken een taak is weggelegd om te achterhalen welke verklaring ten grondslag ligt aan het feit dat de aangewezen curator zich pas acht dagen na dato tot de failliet gewend heeft' Maar meer dan een jaar na indiening van mijn klachten is het antwoord op ook die vraag niet 'achterhaald:', omdat de deken zich niet van die taak kwijt.

      De tijd gaat voorbij. Er komt een nieuwe deken.

      Door de aanhoudende druk en door vragen van mij en de stichting Advocadur nodigt de laatst benoemde deken, de advocaat, heer mr. F. van Oss ons uit op 9 augustus 2003 voor een gesprek. In dat gesprek doet hij de toezegging om de klachten te herformuleren. Die herformulering laat op zich wachten tot 12 november 2003. Vervolgens geef ik volgens de gemaakte afspraak bij brief d.d. 21 november 2003 mijn commentaar op de opnieuw geformuleerde klachten, wat er op neer komt dat de deken aan moet geven dat uit zijn onderzoek blijkt dat mijn klachten over de curatoren niet of onvoldoende zijn behandeld door de rechter-commissaris en de president en het bestuur van het gerecht te Zutphen.

      Ook wil ik dat de deken in zijn omschrijving van de klachten het woord 'schriftelijk' opneemt waar het gaat om mijn klacht dat de curator, de griffier, de rechter of het Gerecht te Zutphen mij niet hebben geïnformeerd over het faillissementsvonnis en ook niet over de kolossale kosten van de curatoren. Met die toevoeging wil ik voorkomen dat de curatoren zich kunnen beroepen op, c.q zich kunnen verschuilen achter het vermeende toezicht van de rechter-commissaris en de president/bestuur van het Gerecht te Zutphen.

      Een negatief oordeel over rechters van het Gerecht te Zutphen lijkt voor de advocaat/deken te veel gevraagd. De volzin dat mijn curatoren en mijn rechter-commissaris, c.q zijn confraters/collegae mij schriftelijk noch mondeling die informatie hebben verschaft die voor mij essentieel was en die veel kwaad had kunnen voorkomen, komt niet uit zijn mond en ook niet uit zijn pen. Daartoe heeft het onderzoek van de deken zich niet uitgestrekt. Ook aan mijn keer op keer herhaalde verzoek om het declaratiegedrag van mijn advocaten/curatoren te onderzoeken, komt de deken niet toe. Er komt geen teken van leven van de deken, al mijn herinneringen ten spijt.

      Op 12 januari 2004 worden mijn op 14 juni 2001 ingediende klachten eindelijk naar de Raad van Discipline te Arnhem verwezen. In plaats van zelf de standpunten te onderzoeken, die uit mijn brief d.d. 21 november 2003 spreken, verzoekt deken Van Oss de Raad van Discipline om '2003' inhoudelijk mee te nemen in de procedure'. Ik ga daarmee maar akkoord in de hoop dat de Raad van Discipline mijn verzoek om mijn klachten over de curatoren terdege te onderzoeken wél zal honoreren.

      Op 18 februari 2004 word ik door de redactie van het TV-programma RTL-4 Boulevard telefonisch gevraagd om in hun programma van 19 februari kort een standpunt te formuleren over het tuchtrecht voor advocaten[27] Ze leggen die vraag aan mij voor, naar men zegt, vanwege mijn kritische stellingen en uitspraken over dat tuchtrecht, die zij in de Staatscourant en andere kranten en tijdschriften zijn tegengekomen. Ook zal de mening worden gevraagd van de deken van Amsterdam, de heer mr. Van Veggel. [28]

      Uiteraard doe ik mee. Alleen al in het belang van al die rechteloze slachtoffers van advocaten zoals ik, wil ik geen gelegenheid voorbij laten gaan om mijn kritiek op het tuchtrecht voor advocaten voor zoveel mogelijk mensen te laten spreken. Die kritiek of beter mijn overtuiging is kort samengevat dat de behandeling van klachten onmenselijk lang duurt, niet gericht is op het vinden van recht en waarheid, daarom de kwaliteit van de advocatuur niet waarborgt. Ik vind dat slachtoffers van een advocaat/curator er hoe dan ook geen baat bij vinden. Mijn van geval tot geval in meer dan tien jaar gegroeide overtuiging laat ik zin het TV-programma zo spreken dat de medewerkers aan het programma er 'recht voor gaan zitten'.

      Dan komt mr. A. Moszkowicz aan het woord. Ten overstaan van TV-kijkend Nederland doet hij mijn overtuiging af als 'onzin, die die man met die baard van Advocadur uitkraamt en als feitelijk onjuist'. Hij vindt dat 'het tuchtrecht prima werkt en hij vindt het goed dat het er is'.

      De befaamde strafpleiter vermeldt dat in de Raad van Discipline één rechter en vier advocaten als rechter plaatsvervanger de klachten beoordelen. Over de schijn van partijdigheid die opgeroepen wordt door het feit dat advocaten als rechter moeten oordelen over collega-advocaten rept hij met geen woord.

      Op zijn misleidend optreden reageer ik op 20 februari 2004 per brief. Omwille van de waarheid en van zoveel mogelijk duidelijkheid over het tuchtrecht is die brief samen met reacties daarop, op Internet (www.sdnl.advocadur.htm) geplaatst en hieronder afgedrukt:

      STICHTING ADVOCADUR   i.o                  UITGEVERIJ JURILET

         Belangeloze bijstand bij juridisch  letsel              documentatie  juridisch letsel

      De heer mr. A. Moszkowicz

      Uw kenmerk :

      Ons kenmerk : media77

      Wehl, 20 februari 2004

      Geachte heer Moscowicz,

      In het TV-programma RTL - boulevard van 19 februari 2004 deed u mijn kritiek - en die van vele andere om hun tuchtrecht verontruste burgers - op het tuchtrecht van advocaten lacherig, laatdunkend en misprijzend af als 'onzin en feitelijk onjuist', uitgekraamd door 'die man met baard van Advocadur '

      U stelt dat 'het tuchtrecht voor advocaten werkt en dat het goed is dat het bestaat'. Daarom wijs ik u op het volgende:

      Samen met andere leden van de stichting Advocadur heb ik me meer dan 10 jaar verdiept in feiten en achtergronden van mensen die slachtoffer van advocaten zijn geworden of nog zijn. Ik heb meer dan 10 jaar ervaring met de wijze waarop Dekens en Raden van Toezicht klachten over advocaten behandelen.

      Ik heb klachten voor vele mensen geformuleerd en de behandeling van die klachten door de Raden en het Hof van Discipline op de voet gevolgd. Ik heb in al die jaren van klacht tot klacht de overtuiging opgedaan dat het tuchtrecht voor advocaten 'niet werkt' en voor de slachtoffers van advocaten helemaal 'niet goed is' en aan de al bestaande onvrede slechts nieuwe onvrede toevoegt.

      Mijn overtuiging heb ik laten spreken in het boek ' Recht op Tuchtrecht, dat u bij uw beroepsvereniging de NOvA kunt bestellen en in het boek 'Recht in de ogen gekeken', dat u bij ons kunt bestellen of via uw bibliotheek kunt lenen. Mijn overtuiging over het tuchtrecht spreekt ook uit vele artikelen en tijdschriften en ook op Internet en wel op de site van de Sociale Databank Nederland, alwaar u overigens óók van het boek 'Recht in de ogen gekeken' kennis kunt nemen.

      In het licht van mijn uiterst negatieve ervaringen ervaar ik uw uitspraken in de TV-uitzending als zo misplaatst en misleidend dat ik u op de man afvraag op welke feiten, gegevens en ervaringen u zich baseert.

      Als u geen feiten en gegevens kunt noemen, verzoek ik u, zonodig sommeer ik u, om u schriftelijk en in een uitzending van RTL-Boulevard te excuseren. In dat geval is voor mij de kous af en beperk ik mij weer tot mijn ideële, maar zeker zo belangrijke werkzaamheden als uw commerciële activiteiten.

      Als u wel over feiten en gegevens beschikt, vraag ik u op de man af of u deze in een openbare discussie tegenover de feiten/gegevens, waarover ik beschik wilt plaatsen.

      Ik vraag u dat, omdat het in het belang van zoveel mensen, die bij gebrek aan een advocaat wanhopig recht zoeken voor datgene dat hun advocaat hen heeft aangedaan, bitter noodzakelijk is dat de waarheid over het tuchtrecht of beter over heel ons Recht aan het licht komt.

      Voor die discussie hebben we uiteraard meer tijd nodig dan de formule van RTL-boulevard toelaat. Als u niet of niet naar behoren reageert op deze brief kan ik in mijn volgende boek 'Een faillissement dat nimmer went, zolang geen hoeder van mijn recht zijn ongelijk erkent' in het hoofdstuk over het tuchtrecht voor advocaten/curatoren slechts vermelden dat u niet reageert op deze brief. Indien u niet of onvoldoende reageert is een klacht op zijn plaats. Die klacht is dat zeker een landelijke bekendheid genietende advocaat zoals u zich in het openbaar niet dient uit te laten over onderwerpen waar hij - voorzover ik nu kan beoordelen - geen verstand van noch voldoende ervaring mee heeft.

      Juist omdat ik na meer dan 10 jaar ervaring met het tuchtrecht weet wat voor een behandeling mij ingeval van een klacht tegen u te wachten staat, weet ik nog niet of ik de moed kan opbrengen een klacht in te dienen. Inmiddels ontving ik al vele reacties van mensen, die grote moeite hebben met uw onjuiste en misleidende uitspraken.

      Alvorens verdere stappen te zetten wacht ik eerst verdere reacties op de uitzending af.

      Op uw reactie, die wij/ik met zeer veel belangstelling tegemoet zien wacht ik een maand.

      Hoogachtend en vriendelijk groetend,

      Namens de stichting Advocadur en Jurilet

      Jur Terharte

      c.c:

      Redactie RTL-Boulevard

      Mr. van Veggel (deken RvT arr. A'dam)

      NOvA

      Sociale Databank Nederland

      Belangstellenden

      Media

      Mr. A. Mosckowicz geeft net zoals de redactie van RTL-boulevard en de NOvA geen enkele reactie. Een paar dagen na deze brief word ik er door een sympathisant op geattendeerd dat mr. A. Moszkowicz in zijn boek 'Recht in de ogen van Abraham Moszkowicz' op pagina 173 schrijft: 'Het is onbegrijpelijk dat zoveel advocaten een nevenfunctie als rechter-plaatsvervanger vervullen; als een advocaat ook af en toe rechter moet zijn, dan laadt hij minstens de schijn van belangenverstrengeling op zich'.

      Die stelling staat in tegenspraak met het feit dat mr. Moszkowicz in de TV-uitzending van RTL-boulevard te kennen gaf dat 'het tuchtrecht prima werkt en hij het goed vindt dat het er is'.

      In de Raad van Discipline hebben immers 'vier advocaten zitting, die af en toe rechter moeten zijn en daarom minstens de schijn van belangenverstrengeling op zich laden'.

      Van die kennelijk tegenspraak stellen wij de advocaat in kennis. We vragen om een reactie. De vermaarde advocaat/strafpleiter mr. A. Moszkowicz geeft - net als al zijn confraters/zusters die wij met kritiek benaderen - op deze brief geen enkel antwoord.[29]

      Wel krijg ik weer vele reacties en steunbetuigingen uit heel het land die mijn kritiek op het tuchtrecht voor advocaten van geval tot geval pijnlijk bevestigen en die voer voor juristen, journalisten, wetenschappers en politici zouden moeten zijn. [30]

      Een van die reacties luidt onder andere:

      'Als advocaten zoals Bram Moscowicz (klik op zijn foto) zulke onzin verkopen in een programma als BOULEVARD krijgen vele Nederlanders opnieuw het gevoel dat Nederland zelfs nog een rechtvaardige staat is.

      Zelfs Prof. A. Tak van Maastricht heeft vele bedenkingen over de rechtvaardigheid van het Nederlandse Recht, tot zelfs aan de Raad van State toe', vr.gr. Paul Quekel senior.

      is een treffend gedicht van een anonieme klager, dat zo goed aansluit bij dit proza dat ik het alhier citeer:

      De advocaat

      Een sluwe vent, een uitgeslapen rakker,

      hij praat en draait met alle winden mee,

      het Recht kleeft aan de dikste portemonnee

      en roept zijn woordenrijke geestdrift wakker

      Hij is een aartsbedrieger en verlakker

      beladen met chicanes, goud op snee

      van buiten eerzaam als een dominee

      is er van geen den mammon zwakker.

      Blijf uit zijn buurt, zijn nagels zijn geslepen

      hij glimlacht, maar zijn klauw is snel en wreed

      En, vóór ge't weet heeft hij u vastgegrepen.

      De toga, die zijn fratsen zwart omkleedt,

      Moet eer, onkreukbaarheid, fatsoen beduiden:

      Wanneer hij nadert, ga d' alarmklok luiden.

      De behandeling van mijn klachten over de advocaten/curatoren laat - zoals alle klachten tegen advocaten - maar op zich wachten. Tot 23 maart 2004 mag ik niet nader van de Raad van Discipline vernemen. Daarom doe ik telefonisch navraag bij mevr. mr. Verhoeven, griffier van de Raad van Discipline te Arnhem.

      Mevrouw deelt mij mede dat 'mijn klachten over de advocaten/ curatoren (die ik op 14 juni 2001 heb ingediend) naar alle waarschijnlijkheid in de maand juni 2004 behandeld zullen worden, maar dat ze dat niet met zekerheid kan zeggen'. Uiteindelijk is die behandeling op 17 mei 2004.

      Op 16 augustus 2004 verklaart de Raad van Discipline mijn klachten over de curatoren ongegrond en wel als volgt:

      Mijn 1e curator heeft weliswaar onjuist gehandeld door mij niet te informeren, maar 'heeft - in een geval als het onderhavige, waarin klager zich liet bijstaan door een jurist niet de verplichting de gefailleerde uit eigen beweging te informeren over de termijn, waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld'.

      Klager stelt ter discussie dat de curator hem informatie diende te verstrekken over diens kosten. Deze discussie valt echter buiten het tuchtrecht, behalve indien gebleken zou zijn van zodanige omstandigheden dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad,waarvan echter niet is gebleken.

      Voor zover in het klachtonderdeel ook het verwijt valt te lezen dat de rechter-commissaris en de rechtbank meer onderzoek hadden dienen te verrichten naar de vereffening van de boedel en het gedrag van de curator merkt de Raad op dat de raad niet bevoegd is daarover een oordeel te vellen'

      Op 17 augustus 2004 stel ik hoger beroep in tegen de beslissing.

      Mijn belangrijkste grief is dat:

      het een Raad van Discipline, die niet of nauwelijks onderzoek verricht, die leugens in haar beslissing opneemt, (onder andere voornoemde 'bijstand van een jurist') die geen gebruik maakt van rechtsmiddelen als een getuigen / deskundigenverhoor en die uiterst marginaal toetst niet kan 'blijken van zodanige feiten en omstandigheden dat het vertrouwen in de advocatuur is geschaad'. [31]

      5.       Appèl op het bestuur van de rechtbank te Zutphen om  mijn klachten over de rechter-commissaris en de griffier te behandelen

      Op de folder van het Gerecht te Zutphen 'U heeft een klacht' staat:

      'Als u meent dat u door een gerecht niet behandeld bent zoals het hoort, dan kunt u een klacht in dienen'.

      Ik lees verder: 'eerst wordt gekeken of het gerecht uw klacht in behandeling kan nemen. Wanneer dat niet het geval is krijgt u zo snel mogelijk bericht'. [32]

      Op 15 april 2002 sturen wij/ik de veertien klachten over de rechter-commissaris samen met de negen over de curatoren naar het Bestuur van het Gerecht te Zutphen. Alle hierboven genoemde informatie die ik in de loop der tijd opdoe, doe ik aan het Bestuur van het gerecht te Zutphen toekomen.

      Op 26 april 2002 krijg ik tot mijn verwondering geen antwoord van het Bestuur van het Gerecht te Zutphen, maar van de president mr. G. Vrieze, voormalig president van het Gerecht te Leeuwarden.

      Mr. Vrieze schrijft onder andere: 'De behandeling van deze klacht vergt nogal wat tijd en studie' en 'ik wil u daarom niet meer beloven dan dat u vóór 1 juli 2002 nader bericht krijgt'.

      Uit die beide zinnen kan ik en een ieder die de Nederlandse taal enigermate machtig is, niet anders dan opmaken dat ik niet zoals de folder vermeldt 'zo snel mogelijk bericht heb gekregen dat het gerecht mijn klachten niet in behandeling kan nemen'. Ik lees bovendien dat ' mijn klachten gedurende twee maanden bestudeerd gaan worden' Nergens lees ik dat de klachten niet in behandeling genomen kunnen worden.

      Immers, wanneer mijn klachten niet in behandeling zouden worden genomen, zou ik immers zo snel mogelijk bericht gekregen hebben.

      Ik ga er dus van uit dat mijn klachten eindelijk in behandeling worden genomen.

      Bij brief van 29 april 2002 spreek ik dan ook mijn dank uit voor het feit dat mijn klachten onderzocht en behandeld worden. Op die brief volgt geen reactie. Daarom ben ik helemaal overtuigd dat mijn klachten behandeld gaan worden.

      Nu mijn klachten in behandeling worden genomen neemt het gerecht - aldus de folder - de volgende stappen:

      1)   het bestuur stelt de personen over wie u klaagt op de hoogte.

      2)   Zonodig wordt u verzocht om aanvullende informatie over de gebeurtenis te geven.

      3)   Vervolgens stelt het bestuur een onderzoek in.

      4)   U wordt in beginsel in de gelegenheid gesteld uw klacht toe te lichten bij het bestuur van het gerecht of bij een speciaal ingestelde klachtencommissie.

      5)   Tenslotte neemt het bestuur van het gerecht een besluit.

      De folder boezemt vertrouwen in.

      De tijd tot 1 juli 2002, vóór welke datum de president van het gerecht te Zutphen mij zal berichten, gebruik ik om me verder te verdiepen in de theorie en de praktijk van faillissementen. Die verdieping leidt tot verrassende inzichten, waarvan ik de president op de hoogte stel in een viertal brieven. Daarbij ga ik ervan uit dat die inzichten prima passen bij de door de president genoemde 'tijd en studie' van twee maanden. Ook leidt die verdieping tot een twintigtal vragen, die ik bij brief van 13 juni 2002 aan de president / het bestuur/de klachtencommissie voorleg.

      In de loop der jaren dat ik mij heb bezig gehouden met conflicten tussen mensen heb ik de ervaring opgedaan dat het stellen van heldere vragen, die de kern van het probleem raken, die duidelijkheid biedt, die kan bijdragen aan oplossingen. Om die reden heb ik de moeite genomen om voornoemde vragen te formuleren

      In tegenstelling tot. de belofte van de president krijg ik niet vóór 1 juli 2002, maar op 5 juli 2002 het navolgende 'nadere bericht': 'aangezien u een aanhoudende stroom van brieven stuurt, is het nog niet mogelijk gebleken die eerder te beantwoorden. U kunt echter binnenkort antwoord verwachten'. Met die brief zet de president de eerste 'suggestieve toon', die mij zorgen baart.

      Op 6 juli 2002 antwoord ik dan ook: 'Met uw opmerking 'een aanhoudende stroom van brieven' zet u een subjectieve en suggestieve toon die niet past bij de informatie in de 4 brieven, die wij u stuurden, onder andere. over nieuw klachtwaardig optreden van de curator.

      Ook leg ik voor de zekerheid uitdrukkelijk vast dat wij niet om een beantwoording van die 4 brieven hebben gevraagd, maar kort samengevat om een serieuze behandeling van de klachten, een met redenen omkleed standpunt over die klachten en om antwoorden op de door ons gestelde vragen'.

      Op 11 juli 2002 komt er een reactie van de president, niet van het bestuur van het gerecht.

      De president gaat slechts zeer gedeeltelijk en willekeurig in op de gestelde feiten en argumenten. De reactie van de president komt er kort samengevat op neer dat 'hij geen aanleiding ziet mijn klachten voor te leggen aan de klachtenadviescommissie, die zich net zomin als het gerechtsbestuur en ik een oordeel mogen aanmatigen over beslissingen van curator, de toezichthoudende rechter-commissaris en schuldeisers ter verificatievergadering'.

      De president schrijft bij herhaling dat hij 'de door mij gestelde feiten niet begrijpt, niet inziet'. Daarin ziet hij echter geen reden om zich nader te informeren. Hij schrijft zelfs: 'Ik acht het niet opportuun een mondelinge hoorzitting te beleggen voor behandeling van uw klachten, maar zet mij nu spoedshalve aan een beantwoording van uw vragen'.

      Die 'spoedshalve aanzet' leidt echter niet tot een beantwoording van alle vragen. Vele vragen blijven open staan. Uit ieder woord van de president blijkt dat hij / het bestuur van het gerecht niets voor mij wil doen. Voor de schade die ik door het doen en laten van de griffier, de curator en de rechter-commissaris geleden heb, wijst hij mij op de mogelijkheid van 'dagvaarding door een procureur' dat wil zeggen door een advocaat.

      Kennelijk heeft hij niet gelezen dat ik er vanaf het begin van het faillissement niet in geslaagd ben om een advocaat te vinden.

      Op 13 juli 2002 dien ik hem uitgebreid van repliek en vraag wederom om een gesprek.

      In zijn antwoord van 5 augustus 2002 herhaalt de president zijn standpunt: '

      door u gesignaleerde leemte in de uitspraak - regeling van de faillissementswet kunnen dichten; dat is te danken aan uw interventie, maar voor uw schadevergoeding en genoegdoening moet u bij de Haagse Rechtbank zijn'. Weer wijst hij een gesprek dat hem, c.q het bestuur van het gerecht meer duidelijkheid had kunnen brengen, af. Tot slot kondigt hij voor de eerste keer aan: '

      Mijn grootse klacht is dat de President van het Gerecht te Zutphen enerzijds onderkent dat er fouten zijn gemaakt, maar anderzijds de mogelijkheid afwijst om die fouten - via de bij het gerecht bestaande klachtenregeling te onderzoeken en in kaart te brengen. De oplossing van het door het Gerecht te Zutphen veroorzaakte probleem wordt in handen gelegd van een advocaat en is op grond van mijn ervaringen daarom verder weg dan ooit.

      Omdat ik me afvraag of een klacht over de griffier, de rechter-commissaris en de rechters ooit wel tot een onderzoek en een gesprek heeft geleid, vraag ik om een geanonimiseerd voorbeeld.

      Ik krijg geen antwoord.

      Nieuwe vragen aan andere rechtbanken, curatoren, rechters en rechtsgeleerden en aan de belangenvereniging INSOLAD (vereniging van insolventieadvocaten) over de gang van zaken bij faillissementen, leiden tot opmerkelijke inzichten, die weer leiden tot brieven en vragen aan het adres van het gerecht te Zutphen. Mijn negatieve ervaringen met en studie van het faillissementsrecht leiden tot een mening, die klaarblijkelijk voor kranten, tijdschriften, waaronder de Staatscourant, de moeite waard is. [33]

      Op grond van dat alles herhaal ik schriftelijk mijn vraag om een gesprek met het bestuur van het gerecht te Zutphen.

      Op 8 augustus 2002 om 12.12 uur neem ik telefonisch contact op met het Secretariaat van de President van het Gerecht. 'De president, c.q voorzitter van het bestuur is tot 9 september 2002 met vakantie', wordt mij medegedeeld.

      Daarom vraag ik naar diens plaatsvervanger. Dat blijkt de vice-president te zijn, mevr. mr. A.R. Borghof Mulder. Deze vrouw luistert naar mijn argumenten. Met name mijn argument dat uit de folder 'ik heb een klacht' van het gerecht te Zutphen blijkt dat ik recht heb op een gesprek, treft doel. De vice-president doet mij tot mijn grote genoegen de toezegging om op 18 september 2002 een gesprek in de rechtbank te voeren.

      'Eindelijk mag ik zeggen wat ik op mijn hart heb. Eindelijk krijg ik de kans om de feiten ook mondeling te laten spreken. Eindelijk krijg ik de mogelijkheid om het compromis dat ik zielsgraag wil sluiten mondeling te bepleiten', denk ik.

      Per brief d.d. 30augustus 2002 bevestig ik de gemaakte afspraak. In die brief 'stel ik voor een zo goed mogelijk verloop van het gesprek een agenda voor'. Heel de agenda is er op gericht om duidelijkheid te krijgen over datgene wat mij met mijn Recht bij het Gerecht te Zutphen is overkomen. Ik wijs weer op mogelijke getuigen zoals de eerder genoemde prof. mr. B. Wessels, de curator mr. F. de Meeter en de insolventiespecialist, rechtbankpresident mr. J.W. Westenberg.

      Ook verwijs ik naar INSOLAD, de vereniging van insolventieadvocaten, waarvan mijn curatoren geen lid zijn. Tenslotte wijs ik er op dat er naast mijn persoonlijk belang ook het algemeen belang van een goede behandeling van klachten over de gang van zaken in faillissementen in het geding is.

      Op 16 september 2002 laat niet de vice-president, die mij een gesprek toezegde, maar de president van het gerecht te Zutphen mij weten dat 'een gesprek geen zin heeft en herhaalt hij zijn standpunt dat ik desgewenst De Staat der Nederlanden aansprakelijk kan stellen'. De president blijft mijn klachten beperken tot 'de gang van zaken rond de uitspraak'.

      De toon en de inhoud van óók deze brief zijn dermate illustratief voor de manier van denken van vele juristen - ook over de stichting Advocadur - dat het de moeite waard is ook deze brief in zijn geheel te lezen. Een paar treffende volzinnen verdienen het om op deze plek geciteerd te worden.

      'Ik was bereid u en eventueel uw echtgenote naar aanleiding van haar eerdere cri de coeur aan te horen en daarvoor een uur in te ruimen in mijn agenda, maar nu de door u ingeschakelde Stichting wenselijk geachte 'belangeloze bijstand bij juridisch letsel' kennelijk gediend acht door correspondentie over klachtenbehandeling in het algemeen in plaats van de u ook door mr. Westenberg geadviseerde rechtsmaatregelen, trek ik de uitnodiging voor het gesprek in. U moet zelf maar weten of rechtsbijstand in goede handen is bij een actiegroep. [34] Ik wil u slechts adviseren, om de boven onder c bedoelde weg (aansprakelijk stellen van de Staat der Nederlanden) in te slaan en u daarvan niet te laten afleiden door genoegen te nemen met het surrogaat voor een voorlopig getuigenverhoor dat een klachtenbehandeling biedt. Voor genoegdoening voor de eventueel door u geleden schade moet u in Den Haag zijn, maar intussen is de rechtbank te Zutphen u erkentelijk voor het feit dat u ons er op geattendeerd heeft dat anderen mogelijk ook de dupe kunnen worden van een gebrekkige uitspraakaankondiging'.

      Die 'erkentelijkheid' brengt mij geen stap verder naar de 'genoegdoening', die ik inderdaad wil. Ik wil de Staat der Nederlanden helemaal niet aansprakelijk stellen.

      Ik wil dat het Gerecht te Zutphen mijn probleem, waar de griffier en de rechter-commissaris verantwoordelijk voor zijn, goed in kaart brengt en die verantwoordelijkheid duidelijk scheidt van die van de beide curatoren. Ook wil ik dat het Bestuur van het Gerecht te Zutphen duidelijk aangeeft wat de mogelijkheden van het Bestuur en de in te stellen Klachtencommissie zijn en hoever die reiken.

      Ik wil weten of er voor het Bestuur van het Gerecht een mogelijkheid bestaat om met mij een regeling in der minne te sluiten.

      Ik wil hebben dat het Bestuur van het Gerecht mijn klacht onderzoekt dat de griffier en de rechter-commissaris zoals aangegeven bij artikel 11 onder c RO (rechterlijke organisatie) 'de waardigheid van hun ambt, de ambtsbezigheden of de ambtsplichten hebben verwaarloosd'. De president antwoordt dat hij 'geen verwaarlozing ziet', maar gaat niet in op mijn argumenten of op mijn vragen Hij kijkt zogezegd kennelijk niet goed uit zijn doppen. Op grond van heel mijn verhaal over de gang van zaken in mijn faillissement door het gerecht te Zutphen, kan ik dat niet begrijpen. Hoe het ook zij, de klachtencommissie van het gerecht te Zutphen is niet in beweging te krijgen. Het enige dat het gerecht te Zutphen mij biedt is een procedure, die ik niet wil en waarvoor ik geen advocaat kan vinden.[35]

      In al mijn brieven dring ik aan op een redelijke en billijke oplossing. Nooit gaat de president daar op in. Mijn voorkeur ging en gaat, als gezegd, uit naar een regeling in der minne, gebaseerd op redelijkheid en billijkheid. Maar daarvoor moet je mijns inziens.met elkaar praten. En uitgerekend dat wil het Bestuur van het Gerecht niet. Over de mogelijkheid om te bemiddelen rept de president met geen woord.

      Op 21 november 2003 eindigt de correspondentie die ik op 15 april 2002 begon met het indienen van mijn klachten over de rechter-commissaris, de griffier en de curator. Die correspondentie omvat 83 pagina's van A4 formaat. De correspondentie staat ter beschikking voor wie daarin geïnteresseerd is.

      Uit heel de correspondentie wordt duidelijk dat ook de President/de leden van het Bestuur van het Gerecht te Zutphen niet om kunnen gaan met kritiek op de curator, de griffier en de rechter-commissaris.

      Ook wordt duidelijk dat het hun ontbreekt aan kritiek op zichzelf. Of dat gebrek aan kritiek en zelfkritiek in hun genen zit of veroorzaakt wordt door het feit dat zij allemaal deel uit maken van hetzelfde gerecht/arrondissement als de rechter-commissaris, de griffier en de curator, dat weet ik niet. [36]

      6)     Appèl op het Ministerie van Justitie/ Bestuur Gerecht te Zutphen om een standpunt en een regeling in der minne.

      Omdat de president van het Gerechtshof te Zutphen mij dat keer op keer adviseert, wend ik mij tot de persoon die de eindverantwoordelijkheid draagt voor de gang van zaken in mijn faillissement en voor de wijze waarop al de hoeders van mijn recht mijn formele protest daartegen behandelen: De Minister van Justitie.

      Als te doen gebruikelijk lever ik ook deze hooggeplaatste heer al de ter zake doende informatie. Op 5 december 2002 vraag ik uitdrukkelijk om een standpunt over de gang van zaken in mijn vermaledijde faillissement en de door mij geleden schade. In alle toonaarden wijs ik er op dat mijn voorkeur uitgaat naar een regeling in der minne.

      Op 19 december 2002 antwoordt het hoofd van de Sector Instrumentatie, Begroting en Verantwoording van het Directoraat-Generaal Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand, namens de minister:

      'Ik ga er van uit dat iedere klacht, c.q brief over een nieuwe aangelegenheid door een gerecht in behandeling wordt genomen. Ik neem geen standpunt in ter zake veronderstelde gerechtelijke fouten'.

      Ook al is dat uitgangspunt compleet fout, de tijd gaat voorbij.

      In de maanden die volgen neem ik het eerdere advies van de president van het Gerecht te Zutphen volgend, telefonisch contact op met Ministerie van Justitie en wel met de heer mr. W.R. Ruitenberg. Tegenover hem maak ik gewag van mijn wens om te bemiddelen. Mr. Ruitenberg deelt mij mede:

      'De sinds 1 januari 2002 gegeven verzelfstandiging van de gerechten brengt met zich mee dat een justitiabel ingeval van een fout van de griffier /de rechter-commissaris voor wat betreft het beproeven van een poging om met betrekking tot die fout te bemiddelen niet meer bij de staat der Nederlanden, maar bij het bestuur van het betreffend gerecht dient te zijn'.

      Op grond van die mededeling wend ik mij weer tot het Bestuur van het Gerecht te Zutphen, dat wil zeggen het bestuur dat mij 'voor wat betreft de vergoeding van de geleden schade en voor de genoegdoening, die ik wil', via de president keer op keer naar het Ministerie verwijst. Ik dring aan op de regeling in der minne, waar het MvJ op wijst.

      Vanaf het faillissementsvonnis d.d 12 januari 2001 tot mijn brief d.d 12 december 2002 heb ik aangedrongen op een regeling in der minne.

      De curator, de griffier, de rechter-commissaris, de rechter, de president, het Bestuur van het Gerecht te Zutphen, niemand heeft gereageerd op mijn wens tot een regeling in der minne, niemand heeft gewezen op de mogelijkheid om met het gerecht te Zutphen tot een vergelijk te komen. In al zijn brieven heeft de president me telkens naar Den Haag verwezen.

      In zijn brief van 23 december 2002 schrijft hij: 'Ik vind het vervelend dat u van het kastje naar de muur gestuurd dreigt te worden', 'U doet er overigens wel goed aan, het Ministerie er uitdrukkelijk op te attenderen, dat volgens art. 42, lid 1 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren de staat aansprakelijk is voor de schade die u wegens volgens u gemaakte rechterlijke fouten stelt geleden te hebben vergoed wilt zien'.

      Het kan verkeren in ons recht, want in dezelfde brief van 23 december 2002 schrijft president mr. G. Vrieze: 'Alleen als die schadevergoeding binnen de perken blijft is een minnelijke regeling niet uitgesloten. Maar wat opvalt is dat u nog niet eens een schadeberekening heeft gemaakt'.

      Op 27 december 2002 stel ik het bestuur van het Gerecht een negen-tal concrete vragen, waarop de president in zijn brief d.d 13 januari 2003 geen antwoord geeft. Wel vraagt de president weer om een schadeberekening.

      Over die schadeberekening en over tal van andere klachten ontstaat een lange correspondentie. Uiteindelijk dien ik een schadeberekening in van € 12653,14, zijnde het salaris van de curator ad € 7456,85, kosten voor de onder andere door het verlof en het niet optreden van de rechter-commissaris veroorzaakte vordering van de psycholoog Kuypers ad € 5108,29 en voor telefoon, reis-, porto- en andere kosten: € 88. Van verdere schadevergoeding zie ik af.

      Die rekening vindt de president te hoog. De helft er van ook zoals uit zijn brief d.d 3 maart 2003 blijkt, waarin hij schrijft: 'Ik deel u mee dat het mij niet vrij staat om voor een dergelijk bedrag (de helft van € 12653,14 = € 6326,57) een regeling met u te treffen'.

      In mijn brief d.d 4 maart 2003 leg ik vast dat: 'het gerecht te Zutphen niet ingaat op feiten en stellingen, diverse vragen onbeantwoord laat, rechtsmiddelen ongebruikt laat wanneer haar eigen doen en nalaten in het geding is en een gesprek, dat toch de basis voor iedere regeling in der minne vormt, uit de weg gaat'. Wat ik ook vastleg, het wordt nimmer tegengesproken.

      Verder vragen wij het bestuur van het Gerecht te Zutphen: 'tegen welk bedrag staat u het wel vrij om een regeling te treffen'. Er komt geen antwoord.

      In de tijd die volgt verdiep ik mij verder in het faillissementsrecht. Trouw en nauwgezet leg ik overzichtelijk vast wat mij in mijn strijd om recht is overkomen en overkomt. Ik doe de ervaring op dat net als eerder de rechter-commissaris, de griffier en de curatoren óók de president/het bestuur van het gerecht niet of nauwelijks ingaan op mijn stellingen en argumenten of er een draai aangeven en me dus die informatie onthouden die ik wil hebben. Daarom beperk ik me tot zo concrete en duidelijke vragen, dat zelfs juristen er niet om heen kunnen.

      Met het oog op de rol die het bestuur van het Gerecht te Zutphen gespeeld heeft richt ik op 17 augustus 2003 vierentwintig concrete vragen tot het Bestuur van het Gerecht, met het verzoek daar met ja of nee op te antwoorden. Ook deze vragen blijven op twee na onbeantwoord.

      De president vindt volgens zijn schrijven van 2 oktober 2003 dat 'hij deze (tweeëntwintig) vragen niet met ja of nee kan beantwoorden', maar niet waar hij die opvatting op baseert. Op 4 oktober 2003 deel ik hem mede dat en waarom ik zijn opvatting niet deel.

      Op 20 november 2003 schrijft de president net als op 5 augustus 2002 en vele keren daarna: 'In uw brief van 4 oktober 2003 stelt u geen nieuwe gezichtpunten aan de orde. Uw brief zal gearchiveerd worden'.

      Vervolgens verzoek ik de leden van het bestuur van het Gerecht te Zutphen of zij volledig kennis hebben genomen van de wijze waarop de bestuursvoorzitter/president mijn klachten en vragen heeft behandeld. Letterlijk schrijft de stichting Advocadur /ik: 'Met het oog op het te schrijven verhaal over het vermaledijde faillissement van Terharte vragen wij u of de klachten van Terharte over de curatoren, de griffier en de rechter - commissaris aan u zijn voorgelegd, of u daarover een mening heeft uitgesproken of aan het papier heeft toevertrouwd.

      Ook leggen wij u de vraag voor of u zich al dan niet kunt vinden in de naar onze overtuiging uiterst willekeurige en autoritaire houding van de president, die hoe dan ook niet past bij de tonen over de voordelen van een buitengerechtelijke oplossing voor problemen die rechters plegen aan te slaan'.

      Ook vraag ik om de namen van de leden van het Bestuur en de Klachtencommissie van het Gerecht te Zutphen.

      Weer niet de bestuursleden, maar de President antwoordt: 'Het bestuur heeft zich akkoord verklaard met de wijze van klachtenbehandeling door de president. De klachtenadviescommissie is niet ingeschakeld.

      In het bestuur hebben zitting':

      *   Mr. G. Vrieze, president

      *   Mr. J.M.H. van Staveren, sectievoorzitter civiel recht tot 1-1-2003

      *   Mr. R.S. Croll, sectievoorzitter strafrecht

      *   Mr. H.R. Borgerhoff Mulder, sectievoorzitter Bestuursrecht

      *   Mr. J.M. Rowell van der Linde en mr. H.R. van Dorp, waarnemend sectievoorzitters sector kanton

      Voorzitter van de klachtenadviescommissie is:

      Mr. L.M.P. Lambooij, rechter sector bestuursrecht.

      Voornoemde met naam en toenaam genoemde bestuursleden en voorzitter zijn dus de mening toegedaan dat er met betrekking tot heel de gang van zaken in mijn faillissement (zie deel 1) en bij de behandeling van mijn klachten (zie deel 2) geen taak is weggelegd voor hen of voor de klachtenadviescommissie.

      Op 21 november 2003 vraag ik het e-mailadres van het Bestuur met het doel om de complete concepttekst van dit verhaal ter goedkeuring voor te leggen. Er komt geen antwoord. In dezelfde brief sluit ik de correspondentie en stel mijn laatste vragen:

      Vraag 27: Is uw archief net als het onze openbaar en kunnen de stukken in de zaak Terharte derhalve t.z.t. ingekeken worden door in hun Recht geïnteresseerde burgers?

      Vraag 28: Wilt u het conflict Terharte/Gerecht te Zutphen 'aanbieden voor de mediation, waarvan u op grond van uw uitspraken in het dagblad de Gelderlander een voorstander blijkt te zijn en opnemen in de proef, die uw rechtbank in december a.s wil uitvoeren?

      Voor het geval u voornoemd conflict niet voor mediation wilt aanbieden, wilt u dan met redenen omkleden waarom niet?

      Ook op deze laatste brief komt geen reactie en ook deze laatste twee vragen blijven dus onbeantwoord.

      Ik heb me voorgenomen om de emoties die Justitie bij mij heeft opgeroepen en oproept weg te laten.

      Ik beperk mij daarom tot een reactie van een vrouw, die door haar Recht is bedrogen. Ze schrijft de stichting: 'Verzet tegen Justitie helpt geen zier, het leidt slechts tot onkosten, onvrede en enorm veel papier'.

      Haar gelijk blijkt uit honderden bij de stichting Advocadur aanwezige dossiers van mensen die recht zoeken voor wat Justitie hen heeft aangedaan. Haar gelijk blijkt ook uit mijn lange papieren correspondentie met het bestuur van het gerecht te Zutphen en met het Ministerie van Justitie over de gang van zaken bij mijn vermaledijde faillissement. Die correspondentie met de president van het Gerecht te Zutphen beslaat 87 pagina's van A4-formaat en die met het MvJ 24 pagina's van hetzelfde formaat. De gehele correspondentie, die mijns inziens het onvermogen van Justitie om met haar eigen fouten om te gaan pijnlijk illustreert, staat ter beschikking van degenen die er om vragen.

      7.       Appèl op curatoren en het Bestuur van het Gerecht te Zutphen om mee te werken aan mediation.

      Op 20 november 2003 prijkt er in de Gelderlander, de krant die in de loop van meer dan tien jaar heel wat artikelen van mijn hand over juridische onderwerpen heeft opgenomen, een artikel over mediation. Er wordt gewag gemaakt van 'het grote voordeel van mediation ten opzichte van een gerechtelijke procedure': 'Het is sneller, het kost minder en het grootste voordeel is dat er twee partijen tevreden naar huis gaan'. Dat is precies wat ik al vanaf 14 januari 2001, het begin van mijn faillissement, wilde en nog altijd wil.

      Ik lees dat: 'bij vijf rechtbanken in Nederland geëxperimenteerd is met mediation ter vervanging van een rechtszaak en dat de proef onlangs als geslaagd uit de bus is gekomen'.

      Dan lees ik: 'Nu doen ook andere rechtbanken, waaronder Zutphen voorzichtige pogingen in de richting van mediation. In december 2003 wordt in Zutphen een speciale mediationweek gehouden. Er zullen zo'n vijfentwintig tot dertig zaken die normaal voor de rechter zouden worden uitgevochten, aangeboden worden voor mediation'.

      Op grond van dat krantenartikel hebben de stichting Advocadur en ik - zoals hierboven aangegeven - ons tot het bestuur van de rechtbank gewend met vraag 28: Wilt u het conflict Terharte/ Gerecht te Zutphen 'aanbieden voor de mediation, waarvan u op grond van uw uitspraken in het openbaar een voorstander blijkt te zijn en opnemen in de proef, die uw rechtbank in december a.s wil uitvoeren?

      Voor het geval u voornoemd conflict niet voor mediation wilt aanbieden, wilt u dan met redenen omkleden waarom niet?' Het gerecht heeft geen antwoord gegeven.

      In het artikel in de Gelderlander komt de mediator, de heer ir. Paul van Waning aan het woord.

      Op de foto bij het artikel staat het Gerechtsgebouw te Zutphen, waar mijn problemen liggen. Daarvóór staat de door de rechtbank aangewezen mediator.

      Door alle weigeringen van Justitie van laag tot hoog om een door haar zelf veroorzaakt probleem samen in der minne te regelen, geloof ik niet meer in mediation.

      Maar de woorden, de sympathieke blik in de ogen van de mediator leiden samen met mijn ongebroken wil om enige erkenning te krijgen voor wat mij in mijn faillissement is aangedaan, tot het besluit om hem te benaderen.

      Op 30 november 2003 neem ik telefonisch contact met de heer ir. Paul van Waning op. Ik wijs hem op het feit dat uit alle ervaringen, die de stichting Advocadur in meer dan tien jaar heeft opgedaan, blijkt dat advocaten, curatoren, rechters-commissarissen, het OM, officieren van Justitie, kortom alle beroepsacteurs van ons rechtsbedrijf, zich volledig afsluiten voor de mogelijkheden van mediation, als hun eigen fouten in het geding zijn.

      Omdat de heer Van Waning luistert en ontvankelijk blijkt te zijn voor wat ik te zeggen heb, ontstaat er een lang en goed gesprek. In dat gesprek stel ik hem uitgebreid op de hoogte van het feit dat vele hoeders van ons recht de door hen zelf veroorzaakte problemen en de daaruit voortkomende schade keer op keer afschuiven op de verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat/procureur, die vele mensen niet kunnen vinden of niet kunnen betalen. Ook maak ik hem duidelijk dat uit al onze gegevens blijkt dat aperte beroepsfouten, die zelfs niet door advocaten ontkend kunnen worden, steevast verwezen worden naar de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, die even steevast oordeelt dat er weliswaar sprake is van een beroepsfout, maar niet van schade. Op die manier zijn rechtzoekende mensen weer aangewezen op een advocaat, die ze niet kunnen vinden. Daardoor zijn en worden, zeg ik de heer Van Waning, vele slachtoffers van Justitie volledig rechteloos.

      Vervolgens wijs ik hem op mijn eigen rechteloosheid, die ik in dit verhaal probeer te verwoorden en op mijn oprechte wens om voor een buitengerechtelijke oplossing van mijn probleem in aanmerking te komen. [37]

      Ik zeg hem dat ik niet meer in mediation geloof, wanneer Justitie een van de strijdende partijen is. De heer Van Waning zegt dat er niets op tegen is om via hem een poging te doen om voor mediation in aanmerking te komen. Dat ben ik met hem eens.

      We spreken af dat ik kort mijn problemen met de gang van zaken in mijn faillissement op papier zet en de namen noem van de hoeders van mijn Recht met wie ik een oplossing via mediation wil bereiken.

      Ik maak die samenvatting en noem de namen van onder andere mijn 1e en 2e curator en die van het bestuur van het Gerecht te Zutphen.

      De heer Van Waning stelt mij op 3 december 2003 schriftelijk voor om een collega, die uitgebreidere ervaring in de juridische wereld heeft dan hij te benaderen. Daarmee ga ik uiteraard akkoord.

      Op 11 december 2003 stelt de heer Van Waning mij na overleg met zijn collega twee mogelijkheden voor, waar ik een keuze uit dien te maken:

      1:     U bepaalt zelf met wie u mediation wilt en waarover en u legt uw voorstel tot mediation zelf aan die partij voor. Ik voel me dan nog vrij genoeg om als uw mediator op te treden.

      2:     We overleggen samen over wie, hoe en met welk mediationvoorstel te benaderen en ik neem daarbij de rol van uw persoonlijke mediationadviseur aan. Dat betekent dan dat, mocht het tot een of meer mediations komen, ik nooit als mediator daarin op zal kunnen treden.

      Als ik voor mogelijkheid 2 koes, dan maken we - volgens het voorstel van Van Waning - een afspraak voor een persoonlijk gesprek, waarvoor hij geen kosten in rekening brengt, aangezien hij dit soort gesprekken ziet in het licht van de bevordering van het fenomeen mediation.

      Aan die bevordering werk ik graag mee, ook al ben ik er van overtuigd dat de inzet van de mediator Van Waning niet tot mediation zal leiden.

      Maar aan de mogelijkheid om óók via een erkend en gerespecteerd mediator vast te leggen dat mijn curatoren en het gerecht te Zutphen, ondanks de mediationweek bij het Gerecht te Zutphen, de mediation af zullen wijzen doe ik graag mee.

      Ik kies dus voormogelijkheid 2. Vervolgens komt er een gesprek op zijn kantoor in Zutphen, waarin de heer Van Waning en ik elkaar voor de eerste keer ontmoeten. Het gesprek en ook het daarop volgende neemt vele uren in beslag, omdat ik klaarblijkelijk tonen aansla, die voor de mediator Van Waning de moeite waard zijn.

      Na die gesprekken stellen we in goed overleg een brief samen, die de heer Van Waning op 9 december 2003 onder anderen aan de advocaat Bolt, aan mijn beide curatoren en aan het Bestuur van het Gerecht te Zutphen doet toekomen.

      Mr Bolt is als te doen gebruikelijk kortaf en wil van geen mediation weten. Mijn 1e curator, mr. Vestiens wijst het voorstel tot mediation zonder nadere uitleg af. Mijn 2e curator, mr. Doon, schrijft d.d 20 december 2003 een brief aan de heer Van Waning, waarvan hij 'uitdrukkelijk wil dat ook ik die lees'.

      Die brief maakt duidelijk dat mr. Doon zijn fouten en tekortkomingen nog altijd niet onder ogen wenst te zien en die - zoals uit heel dit verhaal blijkt - afschuift op - in zijn woorden - 'het juridische kader', dat wil zeggen de griffier, de rechter-commissaris, de rechter, het Bestuur van het Gerecht te Zutphen, de faillissementswet, de richtlijnen voor de betaling van curatoren, etc. Dat schrijf ik hem op 12 januari 2004.

      In diezelfde brief schrijf ik: 'Vooralsnog zullen wij in het boek dat zijn voltooiing nadert de feiten en de fouten laten spreken en - zoals aangekondigd de gehele correspondentie tussen u en de stichting Advocadur inclusief uw laatste brief ter kennis brengen aan wie daar om vraagt'. In de correspondentie die daarna ontstaat protesteert mr. Doon tegen: 'de door u voorgenomen publicatie en mede tegen de in uw bericht genoemde correspondentie, ook het publiceren, ongeacht door wie; tegen de publicatie van de zijde van uw stichting, haar medewerkers en sympathisanten, de heer Teernstra en uw brieven'. Mijn 2e curator, die op de rekening geboekt staat als 'de verantwoordelijke voor het dossier' schrijft zelfs 'Ook protesteer ik tegen publicatie van de factu(u)(ren) van mijn kantoor en beperkt mijn protest zich niet tot de brieven van mijn hand'.

      Uit die citaten en uit heel de correspondentie met de 2e curator worden een aantal feiten duidelijk:

      1)     De advocaat/curator Doon heeft moeite met kritiek op zijn functioneren in mijn faillissement en op de rekening van de curatoren.

      2)     De advocaat/curator Doon gaat wederom niet in op de gestelde feiten en argumenten en komt niet verder dan zijn protest.

      3)    Hij wil niet begrijpen dat hij protesteert tegen de vrijheid van meningsuiting, die 

      naar   mijn overtuiging en die van vele andere mensen óók met betrekking tot het doen en laten van  de hoeders van ons recht dient te gelden.

      4)     Door de openbaarheid van de rechtspraak niet te eerbiedigen en tevens door opening van zaken te verbieden laadt hij de schijn op zich dat hij en zijn collega/curator Vestiens wat te verbergen hebben. [38]

      Ook op het weloverwogen verzoek d.d 9 december 2003 van de mediator Van Waning, om samen met mij mediation te beproeven heeft het bestuur van het Gerecht te Zutphen telefonisch of schriftelijk met geen woord gereageerd.

      Als de verplichte inschakeling van een advocaat niet zou gelden, zou ik wel weten wat me in rechte te doen stond om het Gerecht te Zutphen tot een antwoord te bewegen of, wat krasser uitgedrukt, fatsoen bij te brengen.

      Over mediation gesproken. In het hiervoor genoemde boek 'Recht op tuchtrecht', waaraan ik een bijdrage mocht leveren, schrijft mevr. mr. M. Pel, projectleider landelijk project Mediation naast Rechtspraak, c.q vice-president van de rechtbank te Arnhem een artikel over het onderwerp 'Tuchtrecht en Mediation.

      Dat onderwerp gaat mij vanwege mijnpersoonlijke ervaringen zeer ter harte. Daarom wend ik mij tot mr. M. Pel om aan haar theorie signalen uit de praktijk te koppelen, c.q haar te wijzen op het feit dat en waarom mediation in geval van fouten van hoeders van ons Recht niet tot de mogelijkheden behoort. Ik vraag om een gesprek. Er ontstaat een correspondentie, waarin duidelijk wordt dat ook mevr. mr. Pel geen tijd heeft.

      Wel heft mr. M. Pel tijd om in de Staatscourant van 31 oktober 2003 onder andere te melden: 'Er is ruimte voor mediation binnen de justitiële infrastructuur' en 'Minister Donner van Justitie is een warm pleitbezorger van mediation'. Ook de voormalige Ombudsman, mr. M. Oosting en de voormalige Minister van Justitie, mr. W. Sorgdrager blijken volgens berichten in onder andere het AD en de Telegraaf van 3 december 2003 'een warm voorstander van mediation'. De NRC van 27 april 2004 doet kond van het voornemen van mr. Donner, de Minister van Justitie, om 'mediation in bepaalde gevallen verplicht te stellen'.

      Als te doen gebruikelijk reageer ik met een ingezonden brief, waarin ik er voor pleit om die verplichting zeker voor Justitie te laten gelden.

      Voor de brief is als te doen gebruikelijk 'geen ruimte' en 'er waren vele inzendingen' en 'de redactie heeft de voorkeur gegeven aan andere inzendingen, etc'. [39].

      Er wordt veel geschreven en gesproken over de zegeningen van mediation. Voor mij en al die andere slachtoffers van fouten van Justitie blijken die zegeningen niet te zijn weggelegd.

      Daarom wend ik me ook tot een aantal hoogleraren en politici om het belang van mediation te bepleiten, juist in gevallen van problemen die door Justitie zijn veroorzaakt.

      Oók van die kant blijkt er geen enkele belangstelling te zijn om in de discussie over mediation óók de brokkenmakende hoeders van ons Recht tot onderwerp te maken.

      Naar een vreemde eend in de bijt van ons Recht wordt - ook als het over mediation gaat - niet of nauwelijks geluisterd.

      In vele advertenties in kranten en ook op Internet www.justitie.nl maakt Justitie reclame voor zichzelf en geeft zij haar verantwoordelijkheid aan.

      Sinds jaar en dag geeft 'De nieuwe Directie Toegang Rechtsbestel, onderdeel van het Directoraat Wetgeving, Rechtspleging en Rechtsbijstand' aan dat zij óók 'verantwoordelijkheid draagt voor het bevorderen van alternatieve (buitengerechtelijke) wijzen van geschiloplossing, zoals mediation'. [40]

      Ook het recent uitgekomen boek: 'Effectief conflicten oplossen' (ISBN 90 254 2720 0) van onder andere prof. mr. M. Barendrecht en mevr. mr. M. Pel (vice-president Gerechtshof) besteedt 'extra veel aandacht aan de mogelijkheid om via mediation conflicten op te lossen'. 

      Het feit dat ook advocaten/curatoren en andere hoeders van ons Recht fouten maken en daardoor conflicten veroorzaken, die eveneens recht op mediation zouden moeten hebben, blijft in heel het boek onvermeld. 

      De redenen die daaraan voor de hoeders van ons Recht aan ten grondslag liggen worden echter m.n in hoofdstuk 2 duidelijk verwoord: 'angst',  'een eenzijdige blijk', 'gevoelens van morele superioriteit', aversie tegen verlies', geen afstand kunnen doen van wat men al heeft',  etc'.

      Tot slot, mevr. mr. Pach, rechter te Zwolle, geeft in onder andere het Doetinchems Vizier desgevraagd aan 'waarom mediation moet'. 'Omdat mediation op de toekomst gericht is en kansen biedt, terwijl een rechtszaak in het verleden duikt en kansen meestal afsluit'.

      Mevr. Pach en al onze andere rechters zouden eens moeten weten!

      8.       Appèl op de Commissie voor de verzoekschriften en de Nationale Ombudsman om de klachten over de griffier, de rechter-commissaris en de curatoren te behandelen.

      De Commissie voor de Verzoekschriften

      De curator, de rechter-commissaris, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, de rechters, de vice-president, de president, het bestuur en de klachtenadviescommissie van het Gerecht te Zutphen, het Ministerie van Justitie en alle advocaten die ik tot op dat moment om hulp heb gevraagd, hebben het af laten weten. Mijn vragen worden niet beantwoord en mijn probleem wordt in het beste geval van de een naar de ander doorgeschoven.

      Mijn klachten krijgen een behandeling die niets met rechts- en waarheidvinding te maken heeft. Daarom zoek ik naar andere mogelijkheden om uit de verpletterende rechteloosheid te komen.

      In het Algemeen Dagblad lees ik hoe de toenmalige voorzitter van de Commissie voor de Verzoekschriften de VVD-er/politicus/ saxofonist mr. Dijkstal een loftrompet afsteekt over die commissie:

        'Het indienen van een klacht bij de volksvertegenwoordiging kan, mits goed gefundeerd een optimaal effect opleveren. Ik heb het als een essentiële en voldoening schenkende taak van een kamerlid ervaren om ook de individuele burger te hulp te schieten, wanneer de overheid faalde. Overigens hoeft falen in dit verband niet altijd te betekenen: in strijd met wet of norm. Het kan bijvoorbeeld ook betekenen: 'gebrek aan consideratie met een burger, die in een moeras van ellende dreigt weg te zinken''.

      Heel de juridische gang van zaken na mijn ongeluk en nu in dit faillissement is 'een moeras van ellende'. Het reglement van de Commissie voor de Verzoekschriften lijkt voor mij geschreven en legt in artikel 2 het onderzoek vast dat ik - en met mij vele andere failliet verklaarde mensen - al jaren wil. Met name de volgende volzin in artikel 2 spreekt mij aan:

      'De commissie kan in haar onderzoek mede betrekken de vraag of in bepaalde gevallen de overheid al dan niet een taak zal moeten gaan vervullen'.

      De griffier, de rechter-commissaris, de president en het Bestuur van het Gerecht te Zutphen worden in artikel 3 niet uitgesloten.

      Artikel 5 'Beperkingen' geven mij geen enkele reden om vanuit mijn 'moeras van ellende' niet een verzoek in te dienen.

      Integendeel, punt 2 van artikel 5 zegt: 'De commissie kan in afwijking van het in het eerste lid bepaalde een voorstel aan De Kamer doen om wel in te treden in een verzoek, indien uitzonderlijke omstandigheden, dan wel aan het Algemene Belang ontleende overwegingen haar daartoe aanleiding geven'.

      Dat geeft de burger moed!

      Ook herinner ik mij het advies van mr. Westenberg die mij immers op 18 juni 2002 schreef: 'Om door u aangeduide zaken in andere banen te leiden, zoudt u zich eerder dienen te wenden tot de Nationale Ombudsman, dan wel de Commissie voor de Verzoekschriften van de Tweede Kamer'. [41]

      De commissie voor de Verzoekschriften lijkt dus conform haar doelstelling de instantie bij uitstek waartoe ik mij dien te wenden.

      Op grond van dat alles richt ik mij eerst telefonisch tot de Commissie voor de Verzoekschriften met de vraag of 'de commissie het doen en laten van de curator, de griffier, de rechter-commissaris en de President en het bestuur van het Gerecht te Zutphen kan onderzoeken'. Op mijn aan diverse medewerkers gestelde vraag komt geen antwoord.

      Daarom herhaal ik de vraag schriftelijk op 2 juli 2002.

      Op 12 juli 2002 antwoordt de voorzitter van de commissie, de heer drs. F.M.H. van Dijk dat 'de rechter-commissaris tot de rechterlijke macht behoort en toeziet op de curator'. Daaruit leidt hij af dat er 'met betrekking tot het doen en laten van deze personen geen taak is weggelegd voor de Commissie'.'De griffies zijn daarentegen overheidsdiensten, waar ministeriële verantwoordelijkheid voor bestaat. Klachten daarover zijn in beginsel ontvankelijk, zij het dat de klachten uiteraard eerst voorgelegd moeten zijn aan de dienst zelf of aan een door de dienst ingestelde klachtencommissie'.

      Op mijn vraag of ik mij kan beklagen over de klachtencommissie geeft de heer van Dijk geen antwoord.

      Op 26 september 2002 verzoek ik de Commissie schriftelijk om 'mijn klachten over het functioneren van de griffier én de klachtencommissie te onderzoeken en om verder conform haar doelstellingen op te treden'.

      Op 2 oktober 2002 antwoordt de heer Van Dijk onder andere. 'Het merendeel van de van de in de bijlage genoemde klachten betreft het gerecht zelf en de klachten over de griffier lijken mij van volstrekt ondergeschikt belang.

      De Commissie behoudt zich het recht voor om op nadere brieven van uw kant niet meer te reageren'.

      De door nota bene het Gerecht te Zutphen erkende fout van de griffier lijkt drs. Van Dijk 'van volstrekt ondergeschikt belang'.

      Het is mij helemaal duidelijk dat de Commissie geen enkel onderzoek heeft gepleegd en er simpel gezegd geen zin in heeft om mij een hand toe te steken om mij uit mijn 'moeras van ellende' te trekken.

      Bij brief d.d. 5 oktober 2002 geef ik de heer drs. Van Dijk c.q de Commissie voor de Verzoekschriften met redenen omkleed duidelijk aan waarom de Commissie wel tot onderzoek dient over te gaan.

      Op die brief is tot nu toe geen antwoord gekomen.

      Heel de correspondentie met de Commissie voor de Verzoekschriften staat ter beschikking van de heer mr. Dijkstal, van andere politici en van degenen die daar om vragen. Wellicht is er 'één kamerlid, dat de essentiële en voldoening schenkende taak wil ervaren om ook de individuele burger te hulp te schieten, wanneer de overheid faalt'.

      De Nationale Ombudsman

      In de loop van de twaalf jaar dat de stichting Advocadur heeft bestaan hebben wij ons diverse keren tot de Nationale Ombudsman gewend met ernstige klachten over dekens/Raden van Toezicht, over de Nederlandse Orde van advocaten (NOvA), over het OM, over politiefunctionarissen en over andere overheidsdienaren.

      De ervaringen die wij daarbij met de Ombudsman hebben opgedaan baren ons net als onze geestverwanten grote zorgen. Antwoorden op brieven laten zeer lang op zich wachten. En als de Ombudsman eindelijk reageert, blijkt hij altijd wel een reden te hebben op grond waarvan hij meent niet te hoeven of te kunnen optreden. [42]

      Ons vertrouwen is dan ook tot een minimum beperkt.

      Dat wordt niet beter als hij schrijft: 'Ik deel u mede dat de Nationale Ombudsman niet bevoegd is om klachten over de Commissie voor de Verzoekschriften uit de Eerste of Tweede kamer te behandelen'.

      Om vast te leggen hoe de Nationale Ombudsman met mijn formele klachten over de griffier omgaat, wend ik mij toch, zij het tegen wil en dank, tot de Ombudsman en wel op 24 april 2002. Ik vraag hem om mijn klachten over de griffier en het Bestuur van het Gerechte te Zutphen te onderzoeken.

      Ik probeer hem duidelijk te maken dat hij en waarom hij dat volgens mij aan zijn stand verplicht is. Er ontstaat een lange correspondentie, die een voorlopig einde vindt met de brief van

      13 mei 2003 van de Nationale Ombudsman waarin deze veelbetekenend stelt:

      'Er bestaan met betrekking tot faillissementszaken geen wettelijke bepalingen (of nadere regelgeving) op basis waarvan de griffier verantwoordelijk is voor het bepalen van de dag van de uitspraak en het daarover mededelingen doen dan wel het informeren over de noodzaak om (telefonisch) te informeren naar de uitspraak van de rechter. Het beperken of vergoeden van een eventuele schade valt evenmin onder de verantwoordelijkheid van de griffier. Om die reden zal de Nationale Ombudsman uw klachten niet onderzoeken'.

      Ingevolge de Wet organisatie en bestuur gerechten is de Nationale ombudsman niet bevoegd klachten over het bestuur van een gerecht dan wel de door het bestuur ingestelde klachtencommissie in behandeling te nemen. Ik ben mij er van bewust dat ik door het opvragen van informatie zoals in de brief van 1 augustus 2002 en 16 januari 2003 een andere indruk bij u heb gewekt. Ik bied u hiervoor mijn excuses aan. Gezien het voorgaande zal de Ombudsman uw klachten over het Bestuur van het Gerecht te Zutphen niet behandelen.

      In goed Nederlands: De Nationale Ombudsman vindt in het niet bestaan van wettelijke bepalingen (of nadere regelgeving) een reden om niet op te treden. In mijn reactie stel ik daar tegenover dat daarin juist een reden zou moeten liggen om wel op te treden.

      Op 23 juli 2003 deelt de Ombudsman in antwoord op mijn schrijven mede:

      'Indien u van mening bent dat er ten onrechte wettelijke bepalingen ontbreken, kunt u dit voorleggen aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie van de Tweede Kamer. [43]

      Uit alle woorden van de Ombudsman blijkt - waar ik al bang voor was - dat de griffier / het Gerecht te Zutphen op kennelijke fouten en gebleken rechtsongelijkheid niet anders aangesproken kunnen worden dan middels een advocaat.

      Ik heb nog een ijzer in het vuur en dat is de mogelijkheid om bij de Nationale Ombudsman te klagen over Dekens en Raden van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten.[44]

      Daarom richt ik mij weer tot de Nationale Ombudsman met nu het verzoek om onderzoek te verrichten naar redenen en achtergronden van het feit dat de Deken/Raad van Toezicht van het arrondissement te Zutphen mijn d.d. 14 juni 2001 ingediende klachten over mijn beide curatoren/advocaten niet of nauwelijks onderzoeken, geen getuigen of deskundigen horen en mijn klachten jaren lang onder zich houden en niet verwijzen naar de Raad van Discipline te Arnhem.

      Op grond van die brief en een aantal herinneringsbrieven 'legt de Nationale Ombudsman mijn klachten op 13 november 2003 aan de Deken/Raad van Toezicht voor'. Die interventie leidt er toe dat de deken belooft de klachten door te sturen. Dat gebeurt na lang aandringen van mij uiteindelijk op 12 januari 2004.

      Het tijdsverloop van bijna 3 jaar en het gebrek aan onderzoek door de Deken/Raad van Toezicht doen mij besluiten om de Ombudsman te vragen onderzoek in te stellen. In zijn folder lees ik:

      'De Nationale Ombudsman 'kan de betrokken medewerkers horen, deskundigen raadplegen en/of onderzoek ter plaatse doen'. Hij kan een verslag schrijven van zijn bevindingen en dat voorleggen aan de betrokken overheidsinstantie'.

      Hij kan een rapport schrijven met daarin een eindoordeel over de behandeling, een aanbeveling doen, die tot doel heeft om een soortgelijke behandeling in de toekomst te voorkomen'.

      Juist omdat uit alle ervaringen van de stichting Advocadur met Dekens/Raden van Toezicht blijkt, dat de behandeling van klachten wat de tijdsduur en kwaliteit betreft ernstig te wensen overlaat [45] is voornoemd 'onderzoek en verslaglegging daarvan' zonder meer geboden.

      Daarop wijs ik de Nationale Ombudsman bij brief d.d. 18 december 2003.

      Op die brief antwoordt de Substituut Ombudsman, mevrouw mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, op 20 februari 2004: 'De Nationale Ombudsman is op grond van het bepaalde in de Wet Nationale Ombudsman niet bevoegd te oordelen over gedragingen van Raden van Toezicht'.

      Er lijkt dus geen gedegen onderzoek te komen door de Ombudsman naar de wijze waarop de deken/RvT te Zutphen tussen 14 juni 2001 en 12 januari 2004 de klachten over mijn curatoren hebben behandeld.

      In een reactie d.d 25 februari 2004 vraag ik de Ombudsman om de mening van zijn Substituut ombudsman te bevestigen of te ontkennen.

      Tevens herhaal ik, met nog meer klem, het verzoek om de klachten over de wijze waarop de Dekens/Raad van Toezicht mijn klachten over de curatoren hebben behandeld te onderzoeken en vast te leggen. Ook vraag ik hem om aan de hand van de vele verontrustende signalen die de stichting Advocadur sinds jaar en dag bereiken over het niet of gebrekkig functioneren van de Dekens/Raden van Toezicht in andere arrondissementen 'in het Algemeen Belang uit eigen beweging onderzoek te verrichten'.

      In zijn brief van 19 maart 2004 corrigeert de Ombudsman voornoemde mening van de Substituut ombudsman met de zin: 'De Raden van Toezicht vallen wel onder de bevoegdheid van de Nationale Ombudsman'.

      Verder schrijft hij: 'Uw brief geeft mij geen aanleiding een dergelijk onderzoek te openen, nu u uw stelling over het gebrekkig functioneren van de Dekens/Raad van Toezicht 'niet nader heeft onderbouwd of toegelicht'.

      Tot slot bericht de Nationale Ombudsman dat hij 'niet uit eigener beweging tot onderzoek wil overgaan, omdat hem onvoldoende signalen over het gebrekkig functioneren van de Raden van Toezicht en de dekens bereiken'.

      Op 24 maart 2004 schrijven wij de Ombudsman:

      'Wij hebben u gewezen op het niet te weerleggen feit dat het Dekenaat / de Raad van Toezicht te Amsterdam en te Zutphen jaren hebben laten verlopen, alvorens de betreffende klachten in behandeling te nemen. Dat niet te weerspreken feit behoeft naar onze overtuiging geen 'nadere onderbouwing en toelichting' en is op zichzelf ernstig genoeg om onderzoek in te stellen.

      In zijn reactie van 15 april 2004 komt de Ombudsman op basis van een aantal zeer algemene argumenten over 'factoren die een rol spelen bij zijn afweging om tot onderzoek over te gaan' en over beleidsmatige aspecten tot de conclusie: 'U zult begrijpen dat ik niet in algemene termen kan aangeven aan welke criteria moet zijn voldaan, alvorens ik tot een onderzoek uit eigen beweging besluit'.

      Wij begrijpen er niets van!

      Ik ben er niet in geslaagd om in de woorden van de rechter mr. Westerveld 'mijn zaken via de Nationale Ombudsman in andere banen te leiden'. Talloze andere burgers die dezelfde ervaringen met Dekens/Raden van Toezicht opdoen, slagen daar evenmin in. De stichting Advocadur is er niet in geslaagd om de Nationale Ombudsman te bewegen om ten behoeve van het Algemene Belang onderzoek in te stellen naar de ondermaatse wijze waarop Dekens/Raden van Toezicht hun bij wet gegeven taak vervullen.

      Dat ligt niet aan mij, niet aan mijn geestverwanten, die zich tot de Nationale Ombudsman wenden, niet aan de signalen die hem bereiken.

      Dat ligt aan de Nationale Ombudsman, die alle verontrustende signalen negeert en alle kansen laat lopen om de feiten daadwerkelijk te onderzoeken en daarover te rapporteren. De jarenlange correspondentie tussen de stichting Advocadur/mij en de Nationale Ombudsman staat voor degenen, die daarin geïnteresseerd zijn, ter beschikking.

      9.       Appèl op 23 advocaten en 2 schaderegelingbureaus om op te treden en hun redenen om dat niet te doen.

      Al mijn appèls op de hierboven genoemde personen en om instanties, zoals INSOLAD, de deken, de Raad van Toezicht, het Ministerie van Justitie, de Commissie voor de Verzoekschriften en de Nationale Ombudsman blijken tevergeefs.

      Na bijna drie jaar heeft de tuchtrechter nog altijd niet geoordeeld over het doen en laten van mijn advocaten.

      Geen sterveling wil mij helpen de gemaakte fouten en het daaruit volgend onrecht in kaart te brengen, laat staan het uit de wereld te helpen.

      De door de rechterlijk macht en de advocatuur in het openbaar gepropageerde buitengerechtelijke oplossingen van problemen zoals een regeling in der minne, mediation, arbitrage blijken ook in mijn geval niet te gelden als het gaat om schadelijke fouten en tekortkomingen van de hoeders van mijn recht.

      Alle personen en instanties, tot wie ik mij heb gericht schuiven in het beste geval mijn probleem op elkaar af.

      Alle kritiek op Justitie slaat dood bij gebrek aan instanties, waar de burger daadwerkelijk gehoord en geholpen wordt.

      De enige mogelijkheid die mij geboden wordt is een advocaat.

      Na al mijn negatieve ervaringen met advocaten ben ik als ik het woord advocaat hoor direct op mijn hoede. Ik ben immers een kapitaal aan emoties en aan geld aan die rechtshelpers kwijtgeraakt voor hun niet op de feiten gerichte, ondermaatse en soms volledig foute werkzaamheden. Voor die foute werkzaamheden werden mijn vorige advocaten weliswaar door de tuchtrechter veroordeeld, maar mijn geld heb ik bij een gebrek aan een advocaat die me wilde helpen, nimmer teruggezien.

      Ik ben voorwaar door schade en schande wijs geworden. Als het om hulp van advocaten gaat heb ik goed bijgeleerd.

      Ik neem me daarom voor om niet meer onvoorbereid en vol vertrouwen naar een advocaat te gaan en aldaar een gesprek te voeren dat niet leidt tot duidelijkheid.

      Ik neem het weloverwogen besluit om eerst schriftelijk vast te leggen wat mij na het verkeersongeluk en vervolgens in mijn faillissement is overkomen, wie daarvoor verantwoordelijk zijn en wat mijn schade is. In een brief van drie kantjes vat ik alle feiten kort samen.

      Ik bundel de meest van belang zijnde informatie, geef aan welke personen hun fout erkennen en mij daarvoor naar hun beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar verwijzen, die als te doen gebruikelijk de geleden schade afwijst. Ik verwijs naar mijn eerdere boeken en naar dit boek. Ook noem ik een aantal namen van mensen die nadere informatie kunnen en willen geven. Ik beklemtoon dat 'ik snak naar het einde van de strijd, dat ik niets liever wil dan het strijdperk verlaten, maar wel met opgeheven hoofd'.

      Ik benadruk dat het mij niet om geld te doen is en dat daarom mijn voorkeur uitgaat naar een regeling die op redelijkheid en billijkheid is gebaseerd'. Ik laat die brief door verscheidene mensen lezen, vraag hun commentaar, pas waar nodig de tekst en de informatie aan totdat volstrekt duidelijk is wat ik wil: genoegdoening van de advocaten/ curatoren, de griffier, de rechter-commissaris, c.q het Gerecht te Zutphen, c.q de Staat der Nederlanden.

      Vervolgens besluit ik te wachten en mijn brief of beter gezegd mijn vraag om hulp pas te versturen wanneer er een advocaat op mijn weg komt, die gespecialiseerd is in letselschade en/of faillissementszaken en mijn vertrouwen wekt.

      Bij alle advocaten die ik in de loop van de tijd daarna benader heb ik eerst aan hun secretaresse telefonisch de vraag voorgelegd of 'de betreffende advocaat over voldoende tijd beschikt om een recht zoekend mens te helpen en of ik mij schriftelijk tot hem/haar mag wenden'.

      Alle advocaten antwoorden via hun secretaresse dat hun agenda tijd en ruimte toelaat en lezen op één uitzondering na mijn informatiebrief.

      Hieronder doe ik verslag van mijn ervaringen.

      * Verzoeken aan advocaten binnen het arrondissement Zutphen en Arnhem

      De 1e advocaat

      Eerst benader ik advocaten bij mij in de buurt, dat wil zeggen advocaten die werkzaam zijn in het arrondissement Arnhem en Zutphen.

      De eerste advocaat, die op mijn weg komt en die ik om raad en hulp vraag is de heer mr. V. Hetterscheidt uit Doetinchem, de vader van een vriendin van mijn dochter, over wie ik hiervoor al geschreven heb. Ik wend me opnieuw tot hem, omdat ik hem ken en ook omdat hij getuige is geweest van mijn radeloze zoektocht naar een advocaat/procureur, die voor mij in beroep tegen het faillissementsvonnis wilde gaan.

      Bovendien heb ik de hoop dat hij zijn eerdere weigering om voornoemd beroep in te stellen goed wil maken.

      Op 4 augustus 2001 beng ik hem persoonlijk voornoemde brief, de daarbij horende informatie en mijn boeken. Op 2 oktober 2001 herhaal ik mijn verzoek om hulp. Er komt geen antwoord. Ik herhaal mijn verzoek nog een paar keer.

      Pas op 13 september 2003 reageert de advocaat Hetterscheidt voor de 1e keer en wel als volgt:

      'Intussen zijn uw boeken door mij grotendeels gelezen.

      Het is mij opgevallen dat een advocaat inmiddels in uw ogen niets goeds meer kan doen en het heeft weinig zin dat ik daarover nog eens een mening ga geven, tenslotte kan ik deze onvrede niet bij u wegnemen. Wel weet ik dat in mijn praktijk de cliënten veelal wel tevreden zijn, zoals veel andere cliënten, bijgestaan door collega's.

      De boeken wil ik wel houden en gaarne ontving ik informatie over de koopprijs, zodat ik die aan u kan betalen. Het doet mij vreugd dat de kwestie van het faillissement is opgelost en ik zie niet in wat ik daar verder nog aan kan helpen door te verklaren over gesprekken, etc.

      Het lijkt mij dat u niet voldoende attent bent geweest bij de behandeling van de aanvraag van het faillissement, anderszins wens ik u veel succes bij uw verdere acties waarbij ik u als raadsman niet zal bijstaan.

      Mr. Hettertscheidt draait met niet ter zake doende, suggestieve en beschuldigende mededelingen om mijn verzoek om hulp heen en gaat er dus niet op in. Zelfs tot een gesprek is hij niet bereid.

      De boeken retourneert hij niet en de prijs van de boeken (30,80 euro) betaalt hij niet, ook niet na een viertal herinneringsbrieven. Ook de tussenkomst van de Deken/Raad van Toezicht van de Orde van advocaten in het arrondissement Zutphen haalt niets uit.

      Pas na dreiging met publiciteit en de kantonrechter betaalt hij

      d.d. 1 december 2003 de 100 euro, die ik van hem vorder voor de boeken, de postzegels en de vele telefoontjes. Alle ergernis en alle onvrede heb ik hem niet in rekening gebracht. Die is onbetaalbaar.

      De 2e advocaat

      De tweede advocaat tot wie ik mij d.d. 5 september 2001 richt. is de heer mr. W. Reinds uit Etten. Ik ken hem nog van de periode, waarin hij lessen Recht en ik lessen Duits gaf op de MEAO te Doetinchem. Bovendien is hij door de deken van de Orde van Advocaten aangewezen om mij te helpen.

      In zijn reactie van 1 november 2001, bijna twee maanden na mijn verzoek, geeft hij vanuit zijn 'praktijkervaring' uitgebreid college in het faillissementsrecht. Hij gebruikt de prachtigste woorden waarmee hij echter niet duidelijk maakt waarom hij niet zou dienen op te treden tegen de griffier/het gerecht te Zutphen, wiens fout/tekortkoming immers zelfs door het Bestuur van het Gerecht te Zutphen is erkend. Wel maakt zijn brief duidelijk dat hij niet bereid is om met mij mondeling van gedachten te wisselen.

      Mr. Reinds 'vindt weliswaar wel, dat, wanneer waar is uw bewering, dat mr. Vestiens, uw curator, u eerst op 11 januari j.l. bezoekt deze ten opzichte van u niet erg zorgvuldig heeft gehandeld. Van belang daarbij is overigens wel dat mr. Vestiens wel het recht heeft om aan te tonen wat hij gedurende die week heeft ondernomen om met u in contact te komen. Ik kan u echter niet aanraden om welke actie dan ook te ondernemen'.

      Kortom mr. Reinds wil me niet helpen, geen 'actie ondernemen' tegen de in zijn optiek 'onzorgvuldig handelende mr. Vestiens'.

      Hij wil mijns inziens de gang van zaken in mijn faillissement en de verantwoordelijkheid daarvoor van zijn confraters en collegae niet onder ogen zien. Mr. Reinds kent mij amper en hij kent de feiten niet of niet goed genoeg. Hij heeft mij gezien noch gesproken.

      Toch heeft hij er geen enkele moeite mee om een suggestieve mening over mij persoonlijk en over het faillissement ten beste te geven. Aan het slot van de brief schrijft hij namelijk de volgende volzin of beter onzin:

      'Tenslotte nog dit, ik schreef u al dat u een verbitterd mens bent. Dat vind ik triest voor u.

      Wat ik minstens even triest vind is, dat u in uw brief aan mij allerlei ernstige beschuldigingen uit over rechters, de advocaat van de aanvrager [46] van uw faillissement en uw curator, terwijl ik moet constateren, dat er voor die beschuldigingen hetzij geen grond is, hetzij niet de gevolgen hebben, zoals u die ziet.

      Heel zakelijk geredeneerd komt het er op neer, dat u procedures heeft gevoerd, die u verloren hebt en dat u stelselmatig weigert om onder ogen te zien dat verliezen van procedures financiële gevolgen heeft, te weten dat u proceskosten moet betalen. Het is het recht van iedere schuldeiser om alle wettige middelen, daaronder valt het aanvragen van uw faillissement, uit de kast te halen en u tot betaling te dwingen.'

      Mr Reinds blijkt in mijn geval een braaf jongetje uit de juristenklas, dat niet de moed heeft zijn vak uit te oefenen, nu het om zijn falende confraters gaat, en ook niet de moed heeft om over de in zeer algemene zin ontkende aansprakelijkheid de discussie aan te gaan.

      De stichting Advocadur en ik wijzen mr. Reinds op zijn gebrek aan kennis van de feiten, zijn daaruit voortkomende verkeerde conclusies en op zijn onjuiste observaties over mij persoonlijk.

      Er ontstaat een correspondentie, waarin mr. Reinds naar mijn overtuiging zijn gebrek aan kennis en moed blijft etaleren.

      Voor een oordeel over de juistheid van de bevindingen van en over de advocaat Reinds verwijs ik naar de in dit verhaal weergegeven feiten en naar de met mr. Reinds gevoerde correspondentie, die voor eenieder ter beschikking staat.

      De 3e advocaat

      De derde advocaat tot wie ik mij op 2 oktober 2001 wend is de heer mr. J.M. Snellink uit Eibergen, die net als zijn confrater Reinds door de Deken is aangewezen om mij te helpen.

      Mr. Snellink maakt zich 5 oktober 2001 van mijn verzoek om hulp af met een beroep op het feit dat ik in de aanhef van mijn brief per ongeluk mr. Reinds heb laten staan.

      De 4e advocaat

      De vierde advocaat is de heer mr. M. Bloemers van advocaten kantoor Bloemers/Vermunt uit Doetinchem

      Advocaat Vermunt van dat kantoor heb ik in een zedenzaak leren kennen, waarin de hem voorgaande advocaten de belangen van de verdachte P. uitermate slecht gediend hebben.[47]

      Deze advocaat heeft mij toevertrouwd dat zijn kantoorgenoot mr. M. Bloemers veel ervaring met faillissementszaken heeft. Daarom wend ik mij op 2 oktober 2001 tot mr. Bloemers, bevrijd van een grote zorg, omdat in die periode een zekere mevrouw D. Voogd mij beloofd heeft op te komen voor de kosten van mr. Bloemers of een andere advocaat, kosten, waartegen ik op grond van al mijn eerdere ervaring huizenhoog opzie.

      Op 8 oktober antwoordt mr. Bloemers: 'Het spijt mij de verzochte rechtshulp niet te kunnen verlenen. Extreme drukte hier ten kantore en een kleine bezetting nopen mij selectief te zijn bij het aannemen van nieuwe zaken. Conform uw verzoek deel ik u mede dat mevr. D. Voogd [48] inderdaad contact met mij gehad heeft en mij heeft medegedeeld heeft dat zij bereid is een nader overeen te komen bedrag bij te dragen in de kosten van rechtshulp'.

      Mr. Bloemers wil net als alle andere advocaten, die ik nog om hulp moet gaan verzoeken, ondanks de toegezegde financiële steun, niet helpen.

      De 5e advocaat

      Omdat ik geen advocaat kan vinden, die bereid is om mij bij te staan, wend ik mij wederom tot de Deken/Raad van Toezicht. Op 12 november 2001 krijg ik bericht van de adjunct-secretaris van die Raad dat 'Mr. J.H. van den Sigtenhorst zich bereid toonde mijn zaak te bestuderen' en dat zij mij aanraadt een afspraak met hem te maken voor een bespreking.

      Ik neem contact op met de 5e advocaat. Mr. J.H. van den Sigtenhorst uit Zutphen nodigt mij uit voor een bespreking te zijner kantore op 21 november. Vooraf stuur ik hem mijn brief met de daarbij horende informatie en mijn boeken.

      Hij toont zich ontvankelijk voor mijn problemen, maar mijn vragen over de aansprakelijkheid van de griffier, de curatoren, de rechter-commissaris/de Staat der Nederlanden gaat hij lange tijd uit de weg. Op 6 februari 2002 neemt hij na brieven over en weer uiteindelijk het standpunt in dat naar zijn mening 'slechts de curator Vestiens, die mij te laat op de hoogte heeft gesteld over het faillissementsvonnis, aansprakelijk te stellen is'. Mr. Sigtenhorst schrijft onder andere: ' Indien confrère Vestiens voor zijn stilzwijgen gedurende meerdere dagen aan uw adres, geen valide verklaring heeft, is zijn stilzwijgen op zijn minst onzorgvuldig te noemen'.

      Om te beginnen zou ik u willen adviseren confrère Vestiens om opheldering te vragen waar het betreft zijn stilzwijgen. Komt die opheldering niet, dan wel weigert confrère Vestiens de door u te stellen vragen te beantwoorden, dan staat de weg open naar de Deken van de Orde van Advocaten'.

      Ook wijst hij er mij op dat ik mijn beklag kan doen bij de tuchtrechter. Mr. Sigtenhorst schrijft: 'Ik zou u dan ook willen adviseren, na mijn confrère te hebben aangeschreven, eerst de tuchtrechtelijke weg te bewandelen, indien daartoe aanleiding bestaat, nu u langs die weg middels tussenkomst van de deken de nodige informatie kunt vergaren, die wellicht te gebruiken is in de civielrechtelijke route'.

      Mijn vraag aan de heer Sigtenhorst of hij op die civielrechtelijke route mijn raadsman wil zijn wordt echter ontkennend beantwoord. Ik heb dus nog altijd geen advocaat. Oók de advocaat Sigtenhorst blijkt, zoals zovele advocaten en rechters, een compleet verkeerd beeld te hebben over de mogelijkheden via de Deken/Raad van Toezicht en het tuchtrecht om 'de nodige informatie te vergaren'.

      Bij gebrek aan 'tussenkomst' van de Deken en de adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht vergaar ik ondanks al mijn hardnekkige pogingen niet 'de nodige informatie, die ik in de civielrechtelijke route zonder meer kan gebruiken'.

      Voor die, door mr. Sigtenhorst aangeraden, civielrechtelijke route heb ik bovendien een advocaat nodig. Die kan ik maar niet vinden.

      Ik ben veroordeeld om verder te zoeken.

      De 6e advocaat

      In het dagblad de Gelderlander staat naar aanleiding van hun verhuizing naar een ander pand een wervend artikel over het advocatenechtpaar J. Willemse en G. Willemse-Schoemakers uit Ulft, een dorp vlak bij mijn dorp. Aangezet door dat artikel leg ik mijn hulpvraag voor aan de zesde advocaat. Mr. G. Willemse nodigt mij uit voor een gesprek, waarin hij tot de conclusie komt dat hij niet de advocaat is, die ik nodig heb. Hij verwijst me naar de letselschadeadvocaat, mr. Ruyzendaal.

      De 7e advocaat

      Na 6 vergeefse pogingen om in het arrondissement Zutphen of Arnhem een advocaat te vinden wend ik mij weer tot de Deken/Raad van Toezicht met wederom het verzoek om me een advocaat aan te wijzen. Mijn verzoek wordt gehonoreerd. De advocaat mr. Th. van Scheppingen uit Aalten wordt d.d. 14 november 2002 aangewezen.

      Deze zevende advocaat schrijft mij op 14 november 2002 onder andere: 'Van mw. mr. D. van Haaften van de Raad van Toezicht te Zutphen ontving ik heden een toelichting op uw verzoek om uw zaak, die de eventuele aansprakelijkheid van de faillissementscurator in uw inmiddels afgewikkelde faillissement betreft, wil aannemen. Hoewel ik dat in beginsel niet doe, omdat ik in dat soort gevallen een kansloze zaak kan verwachten, die vaak reeds door een of meer advocaten is behandeld, heb ik mw. Van Haaften in dit geval toegezegd de zaak in beginsel aan te nemen op de door mij gebruikelijke zakelijke voorwaarden'.

      Die zakelijke voorwaarden komen er op neer dat ik hem 'een voorschot dien te betalen van € 1.974 voor 10 uur studie'. Voor de zoveelste keer op rij word ik geconfronteerd met een advocaat die mijn rechtsvraag verkeerd weergeeft. Mijn zaak 'betreft immers niet alleen de aansprakelijkheid van de curator', maar ook die van de griffier en de rechter-commissaris, c.q de Staat der Nederlanden hetgeen ik duidelijk in mijn brief heb vermeld.

      Dat feit en het feit dat hij mij niet uitnodigt voor een gesprek, maar bot bijna 2000 vordert 'wegens: onderzoek aansprakelijkheid faillissementscurator met bijkomende werkzaamheden' draagt niet bij aan het vertrouwen dat een door zijn Recht gehavend mens als ik in een advocaat moet kunnen hebben.

      Omdat de 7e advocaat, die ik om hulp vraag begint met mijn zaken door elkaar te gooien, ben ik er nog meer dan ooit van overtuigd dat ik mijn rechtsvragen schriftelijk moet formuleren en dat het schrijven van dit verhaal de beste manier is om mijn advocaat te informeren.

      Bij brief d.d. 19 november 2002 dien ik mr. Van Scheppingen van repliek. Ik deel hem onder andere mede dat ik volledig op de hoogte ben van de feiten en dat een mondeling gesprek heel wat uren studie overbodig zal maken. Er ontstaat een correspondentie die er toe leidt dat mijn 7e advocaat zich bereid verklaart de voorgenomen tien uur studie te beperken tot een half uur en mij een gesprek van twee uur toestaat. Daartoe dien ik een voorschotnota van € 470,- te voldoen.

      Omdat de 7e advocaat mij nog niet voldoende vertrouwen geeft om met hem in zee te gaan, besluit ik om 'eerst de uitslag van de tuchtrechterlijke procedure af te wachten en heel het verhaal over mijn vermaledijde faillissement met alle gevolgen daarvan te schrijven'.

      Dat schrijf ik mijn 7e advocaat op 3 december 2002.

      Op 7 april 2004 is de tuchtrechtelijke procedure tegen mijn curatoren nog niet eens begonnen, maar mijn boek heb ik in concept klaar.

      Als het gedrukt is, zal ik mr. Van Scheppingen een exemplaar doen toekomen en ingaan op het voorgestelde gesprek van twee uur.

      De 8e advocaat

      Een verhaal uit de advocatenpraktijk, opgenomen in 'Rechtstreeks, een uitgave van Ross advocaten te Zevenaar, ook vlak bij mijn dorp Wehl, brengt mij tot Ross advocaten, alwaar, naar het Jaarboek voor de Advocaat vermeldt 'advocaten werkzaam zijn, die gespecialiseerd zijn in beroepsaansprakelijkheid en faillissementsrecht'.

      Ik heb dus goede hoop om bij Ross advocaten, de advocaat te vinden, die ik nodig heb.

      'Men heeft echter geen tijd en er zijn andere zaken, die op dit moment dienen te prevaleren'. Mijn achtste poging om een advocaat in

      het arrondissement Zutphen en/of Arnhem te vinden strandt.

      * rzoeken aan advocaten buiten het arrondissement Zutphen en Arnhem

      De 9e advocaat

      Enige tijd ben ik aangeslagen. Maar het onrecht dat in mij huist en de niet te breken wil om voor recht in aanmerking te komen blijven hun kop opsteken. Nog altijd denk ik dat ik een advocaat zal vinden, die me aan mijn recht helpt.

      In maart krijg ik het boek 'Oud zeer' in handen. Het boek verhaalt de ervaringen van de journalist Willem Oltmans met het Ministerie van Buitenlandse Zaken op weg naar zijn mijns inziens buitenproportionele schadevergoeding van f 8.000.000. Het boek is geschreven door de advocaat van Oltmans, mevrouw mr. Ellen Pasman, die de zaak Oltmans overnam van haar toenmalige kantoorgenoot mr. Nicolaï, die korte tijd voor prinses Margaretha en haar echtgenoot optrad.

      In het boek beschrijft advocaat Pasman de wijze waarop de tegenpartij van Oltmans, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, met zijn fouten omgaat. De ferme en hardnekkige wijze waarop zij, geruggensteund en betaald door de Nederlandse Vereniging van Journalisten de belangen van Oltmans heeft gediend, maakt grote indruk op mij.[49]

      Met name de arbitrage die een eind maakt aan het jarenlange conflict van Oltmans met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, spreekt mij aan. Ik heb immers een al jaren durend conflict met in wezen het Ministerie van Justitie, dat mij en met mij talloze andere slachtoffers net zo behandelt. Het boek geeft mij de moed om mij tot mijn negende advocaat te wenden. In mijn brief aan mr. Pasman dring ik aan op dezelfde arbitrage.

      Alvorens die op te sturen neem ik 25 april 2003 telefonisch contact met haar secretaresse op om als te doen gebruikelijk te vragen of mr. Pasman tijd en ruimte voor een nieuwe zaak heeft. Ik word echter met haar doorverbonden.

      Ik zeg haar dat ik graag zou willen dat zij net als voor de heer Oltmans ook voor mij optreedt, dat ik de feiten, de achtergronden van mijn verzoek en mijn rechtsvraag op drie A4-tjes heb samengevat en dat ik haar die schriftelijke informatie graag zou willen opsturen.

      Daarvan wil mevrouw Pasman echter niets weten. Ze wil dat ik mijn verzoek mondeling onder woorden breng. Ik zeg dat het veel beter is dat zij om te weten wat ik van haar wil eerst mijn brief en mijn samenvatting van drie pagina's leest. Mevr. blijft echter weigeren.

      Ze laat me geen andere keus dan om mijn verzoek op dat moment mondeling uiteen te zetten. Dat gaat me niet goed af, omdat ik daar niet goed op voorbereid ben en ook omdat mevrouw mij verscheidene keren op een toon en wijze onderbreekt, waar ik niet rustiger van word. Zo goed en kwaad als dat gaat wijs ik op de verantwoordelijkheid van de curator, de griffier en het Ministerie van Justitie. Ik probeer de overeenkomsten tussen de zaak Oltmans en de mijne duidelijk te maken. Ik praat als Brugman, maar voel van meet af aan dat mevrouw niet wil en dat mijn spreektijd ieder moment om zal zijn.

      Ik slaag er niet in om mevrouw Pasman naar behoren te informeren. Daarom herhaal ik mijn vraag om dat schriftelijk te mogen doen. Dat wil ze nog altijd niet. Ik wijs haar op de boeken die ik geschreven heb. Daar wil ze niets van weten. Ze wil niets van mij weten en zoekt voelbaar een argument om van mij en van mijn dringend verzoek aan haar af te komen. Ze zegt wat ook uit mijn aantekeningen blijkt onder andere dat 'mijn zaak te ingewikkeld is en dat ze daar geen tijd voor heeft'.

      Ik zeg dat 'ze dat pas kan beoordelen als ze goed weet waar het over gaat en dat haar secretaresse mij heeft medegedeeld dat ze nog tijd en ruimte in haar portefeuille heeft'. Dat noemt ze haar zeer aanzienlijke uurloon. Ik schrik me kapot, maar laat me daardoor niet afschrikken. Mevrouw Pasman wil me duidelijk niet helpen, maar maakt niet duidelijk waarom niet.[50]

      Wel noemt de negende advocaat tot wie ik mij om hulp wend, omdat ik haar daar zeer indringend om vraag twee confraters, die mij wellicht wel zouden willen helpen: mevr. mr. B. Böhler en mevr. mr. A.M. Willenborg.

      De 10 e en 11e advocaat

      Zoals bij al mijn verzoeken aan advocaten neem ik ook bij mijn 10 e en 11e poging om een advocaat te vinden eerst telefonisch contact op met de secretaresses van beide voornoemde advocaten mevr. mr. B. Böhler en mevr. mr. A.M. Willenborg.

      Beide advocaten hebben naar hun secretaresses mij zeggen, tijd en ruimte voor het aannemen van een nieuwe cliënt. Als ik zeg dat mevrouw Pasman mij heeft doorverwezen, word ik onmiddellijk doorverbonden.

      Uit de telefoongesprekken die ik met beide dames, c.q. de potentiële tiende en elfde advocaat voer, wordt mij snel duidelijk dat ik die nieuwe cliënt niet ben.

      Elf niet of slecht gemotiveerde afwijzingen van al dan niet aangewezen advocaten bevestigen wat ik als lid van de stichting Advocadur al jaren ervaar:

      Advocaten treden liever niet op tegen confraters en ook niet tegen collegae/juristen, laat staan tegen rechters/rechters-commissaris van wier oordeel zij in de zaken die zij bij de rechtbank voeren, afhankelijk zijn.

      Daarom zijn vele mensen, die zoals ik recht zoeken voor wat een advocaat, een curator, een rechter-commissaris, een rechter of een andere hoeder van hun recht hun heeft aangedaan, volslagen rechteloos.

      Al die afwijzingen geven mij de moed om verder naar een advocaat te zoeken en sterken me in mijn overtuiging dat het belangrijk is om mijn rechteloosheid en die van mijn lotgenoten vast te leggen.

      Hieronder doe ik verslag van datgene wat ik op mijn verdere zoektocht ga ervaren.

      De 12e advocaat

      De twaalfde advocaat, tot wie ik mij wend is de heer mr. P.A. Ruyzendaal uit Zeist, naar wie ik verwezen werd door de advocaat Willemse uit Ulft. Ik heb - herinner ik me - de heer Ruyzendaal leren kennen in de tijd dat hij in vaste dienst en ik als vrijwilliger voor de Stichting de Ombudsman werkten. Dat feit en de verwijzing door zijn confrater wekken bij mij vertrouwen. Op 7 mei 2002 wend ik mij tot de heer Ruyzendaal met mijn informatiebrief van drie kantjes, waarin ik mijn rechtsvragen heb geformuleerd.

      Hij wil eerst de processtukken bekijken. Die doe ik hem toekomen. Vervolgens nodigt hij mij voor een gesprek uit. Er ontstaat een uitgebreide discussie over de door mij gestelde aansprakelijkheid, waarin mr. Ruyzendaal het initiatief neemt en mij zijn zienswijze probeert op te leggen. Wat hij wil is duidelijk: hij wil niet. Mr. Ruyzendaal 'ziet geen mogelijkheden in schadevergoedingsacties en ook niet in de mediation of de arbitrage, waarnaar mijn voorkeur uitgaat'. Hij is echt heel aardig en hij neemt alle tijd en moeite om mij te overtuigen dat hij niet op wil treden.

      Maar ik hoor of lees in de correspondentie die na ons gesprek ontstaat, geen enkel argument dat mijn overtuiging wegneemt dat de advocaat die zonder enig overleg mijn faillissement aanvroeg, mijn griffier, mijn rechter-commissaris, mijn 1e en 2 e curator, mijn president en mijn bestuur van het Gerecht te Zutphen en tot slot mijn Ministerie van Justitie geen enkele verantwoordelijkheid dragen voor mijn faillissement en alle gevolgen daarvan.

      De 13e advocaat

      De dertiende advocaat tot wie ik mij op 7 mei 2003 wend is de landelijke bekendheid genietende advocaat mr. G. Knoops uit Amsterdam. In het Volkskrant magazine van 14 december 2002 doet mr. Knoops een aantal opmerkingen die een rechtzoekende burger als ik moed geven. Met name zijn opmerkingen: 'Advocaten op grote kantoren zijn alleen nog procesmanagers. Recht is een product, de gewone man komt er nauwelijks meer binnen. We moeten terug naar de basis: het bijstaan van de burger, etc' doen me besluiten mij tot hem te wenden.

      In tegenstelling tot de uitspraken van zijn secretaresse antwoordt mr. Knoops mij op 20 mei 2003.

      'Onder verwijzing naar uw schrijven d.d 7 mei 2003 waarin u mij verzoekt om een gesprek, bericht ik u hieraan, vanwege een overvolle agenda, geen vervolg te kunnen geven'. Op 4 juni 2003 schrijf ik: 'Ik vraag u of u mij, wanneer u weer over meer tijd beschikt, wel wilt helpen en of u een inschatting kunt maken wanneer dat het geval zou kunnen zijn. Mocht u helemaal geen mogelijkheid zien, zou u mij dan naar een collega kunnen verwijzen. Ik vraag u dat alles omdat het in toenemende mate onmogelijk blijkt een advocaat te vinden, die voor mij wil optreden'.

      Op die laatste brief komt geen antwoord. Daaruit maak ik op dat mr. Knoops niet voor mij wil optreden. Uit de media moet ik opmaken dat de heer Knoops inmiddels 'in zijn overvolle agenda' wel tijd heeft weten te vinden voor een aantal even geruchtmakende als bewerkelijke zaken, waaronder die van een drugshandelaar, die een gevangenisstraf uitzit.

      Ook vindt hij tijd om de belangen van de Nederlandse marinier in Irak te behartigen, tegen wie het OM in Nederland aangifte deed, omdat hij, daar hij zich bedreigd voelde, gebruik maakte van zijn wapen. Recent 'helpt de topadvocaat een vrouw, die door haar verzekeringsmaatschappij Klaverblad van brandstichting wordt beschuldigd'. Al deze zaken krijgen veel aandacht van de media.

      De 14e advocaat

      De veertiende advocaat tot wie ik mij op 5 juli 2003 wend is de heer mr. I. Sutorius uit Breda.

      Mr. Sutorius is een van mijn medeauteurs van het boek 'Recht op tuchtrecht', waarin ik op verzoek van een rechter een kritisch artikel heb geschreven over het tuchtrecht voor advocaten[51]. Mr. Sutorius is behalve advocaat ook Deken geweest van de Orde van Advocaten in het arrondissement Breda. In die functie heeft hij diverse keren de publiciteit gezocht en gevonden.

      Ik schrijf hem letterlijk: 'Uit artikelen van uw hand in kranten en tijdschriften en zeker uit uw artikel in het boek 'Recht op Tuchtrecht' maak ik op dat de kwaliteit van het werk van advocaten/curatoren u kennelijk net als mij ter harte gaat. Dat feit heeft mij er toegebracht mij tot u te wenden met het navolgende'.

      Ik stel hem net zoals de dertien confraters,die hem zijn voorgegaan op de hoogte van wat mij is overkomen en vraag hem om in mijn belang als mijn advocaat op te treden. Er komt geen antwoord. Op 2 augustus 2003 herhaal ik mijn brief. Er komt weer geen antwoord.

      Via zijn secretaresse hoor ik dat mijn brieven zijn aangekomen en herhaal ik telefonisch een aantal malen mijn verzoek. Er komt geen antwoord.

      Op 24 oktober 2003 wend ik mij tot de toenmalige deken in Breda. Die actie leidt tot resultaat.

      Op 27 oktober 2003 reageert mr.Sutorius op mijn brief van 5 juli 2003.

      Hij stelt onder andere: 'Als deken is de beroepsaansprakelijkheid van de advocaat uiteraard een onderwerp van mijn aandacht geweest, doch de inhoudelijke behandeling van deze civielrechtelijke aansprakelijkheid, zeker in een zaak als de uwe, dient door een advocaat met meer specifieke deskundigheid en proceservaring gedaan te worden'.

      Hij stelt de advocaat mr. Lietaert Peerbolte voor, uitgerekend de advocaat, met wie ik persoonlijk en als lid van de stichting Advocadur in zeer negatieve zin te maken heb gehad en heb.

      In aansluiting op zijn brief voer ik een even lang als aangenaam telefoongesprek met de heer Sutorius. In dat gesprek ervaar ik weliswaar sympathie voor mijn standpunten en die van de stichting Advocadur, maar ik moet constateren dat óók mijn veertiende poging om een advocaat te vinden, vastloopt.

      De 15e advocaat

      De vijftiende advocaat tot wie ik mij ook op 5 juli 2003 wend, is de heer mr. F. de Meeter. Mr. De Meeter staat bekend als een kundig en ervaren curator en advocaat.

      Hij is - zoals hiervoor geschreven - onder andere voorzitter van de Faillissementscommissie van de Nederlandse Orde van Advocaten, de NOvA; op grond daarvan heb ik mij al eerder tot hem voor informatie gewend. Hij is een bekend curator die in vele artikelen standpunten over faillissementsperikelen inneemt.

      In de affaire rond het omstreden declaratiegedrag van de curatoren/advocaten N. Wilke en H. du Pon van het grote advocatenkantoor CMS Derks Star is datgene gebeurd wat ik in mijn faillissement niet voor elkaar kon krijgen. In die zaak is het declaratiegedrag van beide curatorengrondig onderzocht en wel door de heer mr. F. de Meeter.

      Bovendien heeft hij blijk gegeven van de moed om met betrekking tot mijn faillissementsperikelen een standpunt in te nemen. Zoals hiervoor al vermeld, heeft mr. F. de Meeter mij op 21 juni 2002 geschreven dat 'hij het met mij eens is dat bij een goede taakuitoefening van de advocaat/curator hoort dat deze zo snel mogelijk contact legt met de failliet' en dat er 'voor de deken een taak is weggelegd om te achterhalen welke verklaring ten grondslag ligt aan het feit dat de aangewezen curator/advocaat Vestiens zich pas acht dagen na dato tot mij gewend heeft'.

      Kortom ik heb alle reden om me op 5 juli 2003 tot hem te wenden. Er komt geen antwoord. Omdat ik aan blijf dringen, reageert mr. De Meeter uiteindelijk op 17 november 2003. Hij schrijft onder andere: 'Ik ben bezig met werken als 65-plusser en ik begin niet meer aan een zaak als de uwe, waarvan duidelijk is dat er nog vele jaren mee gemoeid kunnen zijn. Bovendien betreft uw zaak een specialisme, waarmee ik nooit doende ben geweest'.

      Daarmee doelt de heer De Meeter kennelijk op het medisch letsel. Maar ik heb mr. De Meeter net als andere advocaten vooral en met name gevraagd om mij te helpen de gevolgen van het faillissement recht te zetten. Daarvoor leek hij mij een bij uitstek geschikte advocaat.

      Mr. De Meeter eindigt met de uiterst vriendelijke woorden: 'Ik hoop dat u er in slaagt om enige vrede in uw leven te vinden. Zo mogelijk zonder advocaat, maar indien dat naar uw mening niet anders kan, met een raadsman'. Ik schrijf mr. De Meeter dat alle pogingen om een oplossing te vinden voor de problemen, die ik in dit verhaal heb geschreven door degenen, die daar voor verantwoordelijk zijn worden afgewezen en dat zij mijn probleem telkenmale op de rechter afschuiven. Om de rechter te informeren heb ik echter een raadsman/advocaat nodig. Ik heb me voorgenomen om geen woorden te zoeken voor mijn onvrede.

      Ik beperk me daarom tot de conclusie dat die onvrede nog te groot is om de vrede te vinden, waar mr. De Meeter het over heeft. Ik zet mijn zoektocht naar een advocaat voort.

      De 16e advocaat

      In de staatscourant van 6 maart 2002 schrijft de hoogleraar en advocaat prof. mr. Bob Wessels een artikel dat de mij uit het hart gegrepen titel draagt:

      'De faillissementscurator een zwak geregeld ambt'.

      In dat artikel geeft de professor in theorie aan wat ik in de praktijk heb ervaren. 'De hoogleraar en advocaat Mr. Wessels uit scherpe kritiek op het ambt van curator. Hij vindt dat 'het hoog tijd is dat de curator onder een eigen beroeps en gedragsrecht valt' en stelt een 'Kamer voor beheerders in insolventiezaken' voor'. In de Staatscourant van 10 april 2002 stelt mr. W. Aerts, advocaat en voorzitter van de hiervoor genoemde Vereniging van Insolventieadvocaten INSOLAD in zijn reactie op Wessels onder andere dat 'curatoren eerder een gedragscode nodig hebben en de rechterlijke macht voldoende toezicht houdt op de door haar aangestelde curatoren'.

      In de Staatscourant van 25 september 2002 spreek ik als de freelance journalist, die ik tegen de verdrukking in geworden ben - beide heren/insolventiespecialisten tegen in het eerder genoemde artikel: 'Slachtoffer faillissement kan nergens terecht'. [53]

      De kritiek van prof. mr. Bob Wessels is mij uit het hart gegrepen en werkt om het eens beeldend te zeggen als een kompres op de open wond van mijn zwaar aangetaste rechtsgevoel.

      De woorden van de heer Wessels doen mij besluiten hem te vragen mij aan een oordeel van de onafhankelijke rechter te helpen. Behalve hoogleraar is hij immers advocaat. Ik besluit om hem persoonlijk op zijn artikel in de Staatscourant aan te spreken.

      Op 8 september 2002 voer ik een telefoongesprek met hem. Ik wijs op zijn artikel in de Staatscourant en op de reactie daarop van mr. Aerts en van mij.

      Ik stel hem kort op de hoogte van mijn ervaringen in mijn faillissement met mijn curatoren en zeg dat in het mijn geval het ambt van curator inderdaad zeer slecht geregeld was en dat ik daarvan het slachtoffer geworden ben.

      Dan lees ik de zin voor die ik voor alle zekerheid op papier heb gezet: 'In het licht van uw meer dan terechte kritiek op het ambt van curator en uitgaande van het feit dat u een gezaghebbend hoogleraar, auteur van vele boeken en artikelen over en een autoriteit op het gebied van faillissementszaken bent, bent u voor mij bij uitstek de advocaat, die ik nodig heb en/of de hoogleraar die een