Alles uit deze uitgave kan, mag of beter moet worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, nadat u de uitgever daarvan schriftelijk op de hoogte heeft gesteld.
Wel herkende ik bij mezelf een
soortgelijke reactie als vorige keer, toen ik het concept op mijn bureau
had liggen. Je stelt het lezen uit, juist omdat je weet dat je het ook nu
weer in een ruk zult uitlezen. En je stelt het ook uit, omdat je weet dat
je ook nu weer zult lezen over zijn woede en machteloosheid. En ook, omdat
je weet dat je niets meer zult kunnen doen aan dat wat hem is overkomen.
Maar, toch moet het gelezen worden. Juist om lering te kunnen trekken uit
zijn ervaringen met het recht en met iedereen die daarin professioneel een
rol speelt. Daarom moest het ook geschreven worden.
Voor juristen is de
Faillissementswet duidelijk en eenvoudig. Schuldenaars die 'in een
toestand verkeren dat ze hebben opgehouden te betalen', worden failliet
verklaard. De failliet verklaarde verliest daardoor de beschikking en het
beheer over zijn vermogen, de curator neemt het beheer over en vereffent
de boedel en een rechter-commissaris houdt toezicht. Bij dat beheer hoort
ook dat de curator alle post mag openen.
Na het lezen van dit boek denk je echter (met een
knipoog naar een gedicht van Roland Holst): 'Ze hebben het opgeschreven,
tezamen en blij. Maar wat het voor mensen betekent, vergeten zij.' En
zeker als het niet gaat over rechtspersonen, maar over mensen met een
gezin en kinderen, denk ik daar dan bij.
Jur beschrijft zijn ervaringen met zijn faillissement.
Een woord dat 'geen enkel beeld bij hem oproept' voordat het hem overkwam.
Daarom is het zo goed juist zijn ervaringen te lezen. En om te lezen -
nee, ik ga niets verklappen over de inhoud - hoe ontzettend belangrijk het
is om fatsoenlijk en tijdig te worden opgeroepen voor de zitting waarop
het faillissement zal worden uitgesproken. En over het belang van het
hebben en kunnen vinden van een goede en begripvolle advocaat. Want als je
voor de eerste keer in je leven naar de rechtbank in Zutphen gaat, naar
een zitting die ertoe kan leiden dat je het beheer over je spullen en je
post volledige kwijt kunt raken, dan heb je er recht op om goed en
fatsoenlijk te worden bejegend door iedereen die professioneel een rol
speelt in deze procedure. Ik ben er uiteraard niet bij geweest, maar uit
de inhoud van dit boek leid ik af dat dat hier niet steeds het geval is
geweest. En als er een keer iets mis gaat, wat altijd en overal kan
gebeuren, past een welgemeend excuus.
Zelfs als de betrokkene, Jur in
dit geval, zelf mild en begripvol start. Een detail dan: Als hij arriveert
voor die eerste zitting blijkt dat die 'gewoon' geen doorgang zal vinden.
Dat kan en wil hij zelf dan nog billijken met de gedachte: 'Vergissen is
menselijk', ondanks het feit dat hem daarover geen enkel bericht heeft
bereikt. Maar dat laat onverlet dat de 'schuldigen' daar wel op moeten
reageren met welgemeende excuses. Verderop in de procedure wordt
hij minder mild... Lees en huiver.
Ook over de wijze waarop wordt omgegaan met klachten
en kritiek. Los van de vraag of kritiek terecht is of niet; iedere klager
heeft altijd recht op een fatsoenlijke bejegening en op een eerlijk
antwoord. Kort en goed: Dit boek is een must voor iedere rechtenstudent en
iedereen die beroepshalve betrokken is bij het faillissementsrecht.
Het eindigt positief met een reeks aan voorstellen.
Het is hier niet de plaats om die allemaal afzonderlijk te bespreken. Maar
daar zitten zeer zinvolle suggesties bij. Want er moet inderdaad een
openbare discussie komen over de positie en de taak van de advocatuur (ook
in het faillissementsrecht. Mijn collega Klaas de Vries heeft daar al een
aanzet toe gegeven door daarover een uitspraak van de Tweede Kamer te
initiëren, die ook door de minister zal worden uitgevoerd), mediation moet
'normaal' worden in het recht, de samenstelling van de raden van toezicht
moet anders en beter, de verplichte procesvertegenwoordiging kan inderdaad
zo goed als zeker worden afgeschaft en de wetgever moet garanderen dat
rechtshulp altijd goed en betaalbaar blijft!
'Hoop doet leven', schrijft Jur
aan het slot van zijn boek. Dat is waar. Hoop en verwachting inspireren
tot mooie gedachten en goede voornemens.
Na
alles wat mij al met mijn Recht is overkomen wilde ik niets liever dan me
bevrijden van dit onrecht. Het liefst wilde ik het laten vallen als een
glas en de scherven in de glasbak donderen, het nooit meer zien en voelen.
Maar ook wilde ik het ervaren onrecht niet verloren laten gaan,
juist omdat ik er van overtuigd was dat het verhaal over mijn
faillissement tot lering kan strekken van de mensen die verantwoordelijk
zijn voor de verontrustende staat van ons Recht of daar veranderingen in
aan kunnen brengen.
Ook
besefte ik in de loop der jaren steeds meer dat ons Recht en zeker het
faillissementsrecht niet of nauwelijks beschreven en bestudeerd wordt
vanuit het perspectief van de mens, die met dat recht te maken krijgt.
Tevens raakte ik er door de feiten en ervaringen van
lotgenoten/slachtoffers van ons Recht meer dan ooit van overtuigd dat
openbaarmaking en verdieping van die feiten onontbeerlijk is voor de
veranderingen die ons Recht bitter hard nodig heeft.
Ik
verkeerde jaren in een duivels dilemma, waaruit ik me uiteindelijk heb
kunnen bevrijden. Daar ben ik in geslaagd, gedreven door de overtuiging
dat het met ons Recht/ Faillissementsrecht anders en beter moet en dat ik
daaraan kan en moet bijdragen. Door die overtuiging, waarin ik van geval
tot geval en van dag tot dag bevestigd word heb ik drie jaar na mijn
faillissement mijn tegenzin overwonnen. Ik heb de moed gevonden en de tijd
vrijgemaakt om de feiten toch te laten spreken. Ik noem de mensen,
met wie ik door het faillissement te maken heb gekregen met naam en
toenaam ter verantwoording. Omdat mijn naam niet ter zake doet, heb
ik dit boek, net als de twee eerdere boeken, onder het pseudoniem Jur
Terharte geschreven. Ik heb er echter geen enkele moeite mee mijn naam aan
dit boek en de overtuiging, die er uit spreekt te verbinden.
De
onvrede, die de gang van zaken in mijn faillissement teweeg heeft
gebracht, is dezelfde onvrede die ik in mijn eerdere boeken al beschreven
heb. Ik heb dan ook waarachtig geprobeerd om me tot de beschrijving van de
feiten te beperken. Het is geen smeuïg verhaal, maar dat zijn de feiten
ook niet. Die feiten spreken wel voor de onvrede die mij en al die
mensen treft aan wie geen recht wordt gedaan. Op de feiten in dit boek
word ik graag aangesproken. Ik sta open voor commentaar en reacties. Op
niet ter zake doende feiten of ongemotiveerde beschuldigingen of
diskwalificaties ga ik niet in.
Uitgaande van al die gevallen waarin de vrijheid van
meningsuiting niet wordt beperkt en rekening houdend met de jurisprudentie
daarover en gegeven de openbaarheid van ons recht, kan ik mij niet
voorstellen dat dit boek geen recht op openbaarheid zou hebben.
Maar mochten advocaten of andere hoeders van mijn
Recht - zoals al vaker en eerder -
proberen om de openbaarmaking en verspreiding van dit boek in een Kort
Geding door de rechter te laten verbieden, dan reken ik geruggensteund
door de beschreven feiten op hulp van journalisten, advocaten,
rechtswetenschappers, volksvertegenwoordigers en zeker van lotgenoten en
geestverwanten.
Voor
het geval die hulp uit mocht blijven, is er een aantal mensen dat vanwege
het belang van openbaarmaking van de feiten dit verhaal onder hun naam en
toenaam wil uitbrengen.Ik heb het verhaal omwille van de
invoelbaarheid grotendeels in de ik-vorm geschreven. Zonder de hulp van
vrienden in en buiten de stichting Advokater i.o. was dit boek er nooit gekomen.
Omdat ik, geholpen door de stichting Advokater i.o.
kritisch ben blijven vragen en schrijven en tot het bittere einde een
appèl heb gedaan op mijn curatoren, mijn rechter-commissaris, mijn
rechters, mijn president en mijn bestuur van de Rechtbank te Zutphen, mijn
Procureur-generaal bij de Hoge Raad, mijn Nationale Ombudsman, mijn
Commissie voor de Verzoekschriften, mijn Vaste Kamercommissie voor
Justitie, mijn Minister van Justitie, op mijn rechtswetenschappers en op
mijn volksvertegenwoordigers, is er een enorme correspondentie ontstaan.
Die correspondentie vormt een boek, c.q een naslagwerk op zich en is te
omvangrijk om in zijn geheel af te drukken.
Anderzijds is die correspondentie zo tekenend en
illustratief voor de wijze waarop de hoeders van mijn/ons Recht hun
tekortschieten proberen te bemantelen, dat de geïnteresseerde
lezer/jurist/ politicus/wetenschapper/journalist er kennis van moet kunnen
nemen. Daarom, en om Recht en het onrecht zo openbaar mogelijk te maken
staat voor degene die daar om vraagt de gehele correspondentie in kopie of
op CD-rom ter beschikking.
De
bekende tekenaar Bert Witte heeft zich door een door mij ingezonden brief
over een faillissement laten inspireren en een prachtige tekening gemaakt
over een inhalige curator. Brief en tekening werden gepubliceerd.
Mijn verzoek aan Bert Witte om zich door mijn boek nogmaals te laten
inspireren is gehonoreerd met een viertal goed getroffen tekeningen die
ter illustratie tussen de regels zijn afgedrukt. Hetzelfde
geldt voor een aantal collages van kritische woorden/ uitlatingen uit
artikelen van mijn hand over juridische onderwerpen, die door kranten en
tijdschriften zijn gepubliceerd. Om zoveel mogelijk mensen in kennis te stellen van dit
boek zal het boek net als deel 1 en 2 aangeboden worden aan de Nederlandse
Bibliotheekdienst. Ook zal het op Internet (www.stoa.nu) en (www.sdnl/advocadur.htm) gezet worden.
In 1970 word ik,
24 jaar jong, terwijl ik voor een rood stoplicht sta te wachten buiten
mijn schuld in volle vaart aangereden door een in slaap gevallen chauffeur
van een vrachtwagen vol met zwijnen. Ik ben bijna een week in coma en heb maandenlang een
verlaagd bewustzijn. De diagnose wordt door de behandelende neuroloog
gesteld op contusio cerebri (hersenkneuzing).
Door ernstige fouten van vooral de voor de verzekeraar
keurende neuroloog, wijlen de heer dr. G. Schouwink uit Arnhem en de psycholoog B. Kuypers
uit Grubbenvorst worden de post-contusionele klachten (na de
hersenkneuzing) niet aan de hersenkneuzing toegeschreven, maar aan mijn
'premorbide (al gevormde) karakterstructuur'. Door dat onmogelijke, mij
niet bekend gemaakte, mijns inziens misdadige, oordeel, waarvoor twee
neurologen in 1979 door het medisch tuchtcollege veroordeeld (gewaarschuwd
en berispt) worden, mag ik jarenlang niet zijn wat ik ben: een patiënt met
een ernstig hersenletsel. De sociale, medische en juridische gevolgen
daarvan zijn catastrofaal. Over hoe een hersenbeschadiging voelt en wat de
jarenlange ontkenning van mijn klachten in mijn leven teweeg heeft
gebracht, schreef ik een boek.
In 1981 krijg ik dankzij de uitstekende
diensten van de advocaat mr. J.E.F.F.M. Duynstee, met wie ik een bijzonder
goed contact had en uitstekend kon samenwerken, na een lange rechtsstrijd,
van de verzekeringsmaatschappij Holland van de vrachtwagenchauffeur een
klein gedeelte van mijn totale schade vergoed en wel een bedrag van f
180.000. Dat bedrag is de helft van de toenmalige maximale dekking. De
andere helft gaat naar het kind dat naast mij in de ongeluksauto zat en
dat net als ik onder de gevolgen van een ernstige hersenkneuzing lijdt.
In overleg met de heer Duynstee besluit ik om
'uitgaande van de schadevergoeding leven en werk te proberen en om de
neurologen pas aan te spreken als dat nodig mocht zijn'.
In de loop van de tijd na 1981 ga ik tegen
wil en dank beseffen dat de jarenlange ontkenning van de klachten voor de
ontwikkeling van mijn leven en werk ernstigere gevolgen heeft dan ik me
wilde en kon voorstellen. Daarom wil ik alsnog erkenning van de neurologen
en een redelijke vergoeding van de aangerichte schade.
In 1991 kom ik daar aan toe.
Ik wend me weer tot mr. J.E.F.F.M. Duynstee. Deze
blijkt echter raadsheer te Den Bosch geworden te zijn. Maar zijn neef, de
advocaat mr. A.F.M. Duynstee, wil me wel bijstaan. Met deze advocaat heb
ik geen goed contact, met hem kan ik niet goed samenwerken.
De advocaat A.F.M. Duynstee brengt nota bene vanuit
Mexico - in plaats van één - vier dagvaardingen uit bij drie verschillende
rechtbanken, terwijl het om vorderingen gaat, die met elkaar verknocht
zijn en er overduidelijk sprake is van een meervoudige causaliteit. Hij
verzuimt belangrijke stukken in het geding te brengen en noodzakelijke
rechtsmiddelen in te zetten. Hij maakt tal van andere fouten. De twee
advocaten, mr. J. Sneep en mr. H.A. Schenke, die ik in al de jaren daarna
in moet schakelen, zetten de fouten van hun voorganger niet recht en
voegen daar slechts andere fouten aan toe. Een van de advocaten (mr. J.C.
Sneep) wordt dubbel berispt door de tuchtrechter.
Klachten over de andere twee advocaten wachten op het
oordeel van de tuchtrechter. Samen veroorzaken mijn advocaten een
juridische ramp van de eerste orde, waardoor de kans op de erkenning die
ik nodig had en heb, verkeken lijkt. Woede, onvrede,
ontgoocheling en het gevoel dat ik lotgenoten moet hebben, zetten mij aan
tot het plaatsen van een advertentie in een aantal kranten, waarin ik als
'freelance journalist /auteur' van een te schrijven boek 'Boef met Bef'
vraag om 'opmerkelijke ervaringen met advocaten'.
Mijn
gevoel blijkt meer dan juist. De postbode in mijn dorp maakt overuren.
Ik word overspoeld met honderden ervaringen van
mensen, die vaak veel ernstiger blijken te zijn dan de mijne. Ik kom in
contact met vele slachtoffers van advocaten. Uit die contacten komen de
landelijke, ideële stichting Advocadur en de uitgeverij Jurilet voort.
Ik kijk het Recht recht in de ogen, tien jaar lang.
In het boek 'Recht in de ogen gekeken' doe ik
daar uitgebreid verslag van. Dat boek staat in zijn geheel op Internet (www.sdnl.nl/advocadur.htm).
In de loop van 1997 en 1998 gaan de vier door mr. A.F.M.Duynstee ingezette
procedures verloren door zijn fouten en die van zijn confraters.
Naast de enorme advocaatkosten ben ik veroordeeld tot
betaling van de geliquideerde gerechtskosten. (Ongeveer f 14.000 per
procedure). Het gaat om 'executoriale vonnissen uitvoerbaar bij voorraad',
hetgeen betekent dat ik als verliezende partij direct moet betalen en dat
die betaling, indien nodig, via beslagen of een openbare veiling van
goederen kan worden afgedwongen. Desalniettemin gaan de neurologen
en de psycholoog in de jaren die volgen niet over tot invordering van de
gerechtskosten. Ik hoor nooit meer iets. Ik ga er daarom vanuit dat zij
geen betaling vorderen, omdat ze eindelijk begrijpen dat ik niets aan hen,
maar zij veel meer aan mij verschuldigd zijn.
Een
en ander ervaar ik als een gebaar van goede wil, dat helpt om een weg te
vinden voor mijn woede en onvrede.De jaren gaan voorbij. Ik neem afstand
van een immens, haast levenslang onrecht. Er komt eindelijk wat rust en
vrede.
Op 26 oktober 2000 stuurt Advocadur mr. A. Bolt, de advocaat van de
inmiddels overleden neuroloog Schouwink ter informatie het boek 'Een
ongeluk komt zelden alleen'. In de begeleidende brief deelt de stichting
namens mij mede dat: 'Terharte de erven Schouwink niet wil belasten met
iets, wat wijlen de heer G. Schouwink tijdens
zijn leven goed had moeten maken'. Zoals te doen gebruikelijk reageert de
advocaat mr. A. Bolt niet op wat ik vind en
voel, denk ik.
Eerste deel:
gang van
zaken in mijn faillissement
1. 8
november 2000: verzoekschrift van de advocaat, mr. A. Bolt /erven
G.Schouwink 'strekkende tot mijn faillietverklaring'
Op 9 november krijg ik per aangetekende post en van
deurwaarderskantoor C. Schmitz uit Terborg een schrijven van de Rechtbank
te Zutphen. Ik lees de namen dr. G. Schouwink en mr. A. Bolt. Alleen al
die namen roepen onmiddellijk het onrecht en de onvrede op die ik in 'Wat
vooraf gaat' en in mijn eerdere boeken heb proberen te verwoorden.
Dan
lees ik dat ze mij failliet willen laten verklaren 'teneinde hun
vordering van zo'n f 14.000 betaald te krijgen', een vordering waarover ze drie jaar met geen woord
hebben gerept en die ze nimmer hebben opgeëist. Ik heb schriftelijk noch
mondeling ooit te kennen gegeven niet te willen betalen. Omdat mijn
advocaat, mr. H.A. Schenke van advocatenkantoor de Mul/Zegger uit Nijmegen
en ook ik drie lange jaren niets van Schouwink en Bolt horen, zijn hij en
ik er van uit gegaan dat de erven Schouwink geen betaling meer vorderen. Ik
dacht dat ze eindelijk begrepen hadden dat ik niets aan hen, maar dat zij
- of beter wijlen de heer Schouwink - veel meer aan mij verschuldigd
waren. Het feit dat Schouwink jaar in jaar uit die betaling niet heeft
opgeëist heb ik in de loop van die jaren ervaren als een gebaar van goede
wil, dat mij helpt om een weg te vinden voor mijn woede en onvrede. Maar
door het faillissementsverzoek barsten die woede en onvrede weer in mij
los, alsof ze nooit weg zijn geweest. Ik voel me weer in staat van oorlog.
Ik
word lees ik: 'opgeroepen om op DONDERDAG de ZEVENDE
DECEMBER, des voormiddag om 9.30 uur, te verschijnen ter Raadzitting van
de Arrondissementsrechtbank te ZUTPHEN, Meervoudige Civiele Kamer, als dan
en aldaar gehouden wordende in het Paleis van Justitie aan de
Martinetsingel 2 te Zutphen teneinde te worden gehoord op het
verzoekschrift, strekkend tot faillietverklaring van de voornoemde
gerekwireerde. (dat ben ik)
Het
woord failliet roept geen enkel beeld of gevoel bij mij op. Ik heb nog
nooit met een faillissement te maken gehad. Ik weet dan ook amper wat een
faillissement inhoudt en helemaal niets van de gang van zaken bij een
faillissement. Wat ik wel weet is dat ik hoe dan ook niet failliet
verklaard wil worden. Ik wist en weet dat ik zal moeten betalen, omdat er
sprake is van een executoriaal vonnis.
Maar na overleg met vrienden / leden van Advocadur
wil ik de kans aangrijpen om de rechter te wijzen op het feit dat het doen
en nalaten van advocaten bepaald niet alleen in mijn geval tot in wezen
onhoudbare executoriale vonnissen leidt, zoals ik dat in mijn boeken
uiteen heb gezet. We besluiten te proberen die boeken ter informatie van
de rechter in het geding te brengen, in de hoop dat die actie publiciteit
oplevert voor de boeken en voor de stichting Advocadur. Ook besluiten we
dat ik, wanneer de rechter mij failliet verklaart, onmiddellijk tegen zijn
vonnis in beroep zal gaan. Dat besluit ligt geheel in de lijn van de
doelstelling en overtuiging van de stichting Advocadur om zoveel mogelijk
juristen en dus óók de hogere rechter informatie te verschaffen over de
problemen die mensen met hun Recht ondervinden.
2. Vanaf 8 november 2000: appèl op mr. A. Bolt en
haar cliënten, de erven van de neuroloog G. Schouwink en op dhr drs.
B.R.M. Kuypers, NIP-psycholoog
Het
verzoekschrift roept allerlei vragen op. Ik wil weten wat de reden is dat
de erven Schouwink bijna vijf jaar na het executoriale vonnis van 16
januari 1996 mij plompverloren failliet willen verklaren en of dat de wens
van wijlen hun vader was. Ook wil ik weten of en zo ja welke rol mijn boek
en de advocaat mr. A.Bolt daarbij hebben gespeeld. Ook wil ik een antwoord
op de vraag waarom mijn advocaat noch ik op de hoogte zijn gesteld vanhet
faillissementsrekest en naar wie het geld gaat als ik betaal: naar
de advocaat Bolt of naar de erven Schouwink.
Deze en vele andere vragen stel ik aan mr. Bolt,
advocaat bij het advocatenkantoor Nysingh Dijkstra en De Graaf te Arnhem.
Ik wijs er op dat door dit rauwelings ingediende faillissementsverzoek de
strijd tussen mij en Schouwink weer zal doen oplaaien. Daarom vraag ik om
een gesprek, waarin de duidelijkheid verschaft kan worden, die ik wil. Ik
schrijf brief na brief en krijg geen antwoord. Ik schrijf nieuwe brieven en doe die aangetekend op
de post. Weer krijg ik geen antwoord.
Dan
richt ik mij direct tot de erven Schouwink. Ik appelleer aan de
redelijkheid van mensen die ik niet ken en die zich niet bekend willen
maken. Ik dring aan op een gesprek, op surséance van betaling, op een
akkoord. Mijn appel blijkt keer op keer vergeefs en stuit af op de
advocaat Bolt die bot weigert een antwoord te geven op fatsoenlijke
vragen. Nu haar eigen doen en nalaten in het geding is, blijken voor de
advocaat Bolt de mogelijkheden van mediation, die haar beroepsgroep en ook
haar kantoor hoog in het vaandel zeggen te hebben staan, niet te gelden.
Conform de gedragsregels dient mevr. mr. A. Bolt 'een regeling in
der minne boven een rechtszaak te laten prevaleren'. Dat is de
theorie. De praktijk is dat mr. Bolt niets, maar dan ook niets doet om tot
een regeling in der minne en daarmee tot een oplossing van ons geschil te
komen.
3. 16 november 2000: informatie Rechtbank Zutphen
over de sanering van mijn schuld
Op
16 november stuurt de griffier van de rechtbank mij een brief waarin hij
mededeelt dat ik 'binnen 14 dagen na datering van deze brief een
verzoek kan indienen tot toepassing van de
schuldsaneringsregeling'. Omdat ik er van overtuigd ben dat ik niet
failliet verklaard word, omdat ik immers moet en wil betalen, maak ik geen
gebruik van die mogelijkheid.
4. 7 december 2001: hoorzitting Rechtbank
Zutphen
Op
7 december ga ik met een aantal leden van de stichting Advocadur, vrienden
en belangstellenden voor de eerste keer van mijn leven naar de rechtbank
te Zutphen 'teneinde ter zitting gehoord te worden over het verzoek
strekkende tot mijn faillissement'. Het is een oud, imposant, in
een mooie rode steen opgetrokken, donker gebouw, waar een nieuw modern
gedeelte aan vast is gebouwd. Al het glas, al het licht en alle ramen in
dat nieuwe gebouw suggereren een openheid en doorzichtigheid, die ik in de
jaren die volgen niet zal mogen ervaren.
De
entree van het gerechtsgebouw is een statige deur, waarvoor je komt te
staan na de beklimming van een hoge, stenen trap. Achter de deur
aan de rechter zijde is de receptie en de portier, die mij doodleuk
mededeelt dat 'de zitting verdaagd is en derhalve geen doorgang kan
vinden en er een nieuwe zitting uitgeschreven zal worden, waarvan ik
ongetwijfeld bericht krijg.'
'Van het feit dat de zitting van vandaag
geen doorgang kan vinden heb ik echter geen enkel bericht gekregen en
daarom zijn wij hier met zijn allen voor niets gekomen'. Dat houd ik de
man voor. 'Dan moet u zich tot de rechtbank en niet tot mij
wenden' is zijn commentaar. 'Vergissen is menselijk' denk ik en ik
laat het er maar bij.
Op
21 december 2000 krijg ik van de griffier een brief waarop staat
dat 'de zitting om gehoord te worden op het
verzoekschrift, strekkende tot faillietverklaring van u/uw bedrijf is
aangehouden tot 22 december 2000'. Voor de zekerheid
bel ik ditmaal naar de rechtbank om van een zekere mevr. van Loon te horen
'dat mijn zaak wederom is aangehouden en nu tot 4
januari 2001'.
Op
27 december 2000 krijg ik van deurwaarder Schmitz een nieuwe oproep om ter
rechtszitting te verschijnen en inderdaad op 'DONDERDAG, de VIERDE
JANUARI TWEEDUIZEND EN EEN, des voormiddag om 9.00 uur.'
5. 4
januari 2001: alsnog hoorzitting bij Rechtbank te Zutphen
i.v.m het faillissementsverzoek / pleidooi
Dit
keer kom ik niet voor niets. Om 9.10 uur worden de vijf mensen, die mij
vergezellen, en ik door een bode uitgenodigd in een grote zaal. Achter een
bureau op een verhoging zit de rechter mr. W.H. Westhuis en links naast
hem de griffier, de heer E. Teunissen. Voor mij liggen mijn beide door
veel bibliotheken aangeschafte boeken naast mijn goed voorbereide
pleidooi, waarin ik uitgebreid heb aangegeven wat mijn bezwaren zijn tegen
het verzoek om mij failliet te verklaren. Mr. Westhuis geeft kort en
zakelijk het faillissementsverzoek weer en vraagt mij of ik de vordering
bestrijd.
Ik
antwoord dat ik weet wat een executoriale vordering is, dat ik weet dat ik
moet betalen en dat ik ook zal betalen. Dan pak ik mijn pleidooi. Aan de
hand van dat pleidooi stel ik mr. Westhuis op de hoogte wat er aan de
schuldvorderingen vooraf is gegaan en wijs hem op de twee boeken die ik
daarover geschreven heb. Ik wijs hem erop dat de vordering van Schouwink al
vanaf 16 januari 1996 bestaat, dat ik nooit geweigerd heb te betalen, maar
dat Schouwink en zijn advocaat geen gebruik hebben gemaakt van de
mogelijkheid om het vonnis te executeren.
Ook
deel ik mede dat ik van de andere in het faillissementsrequest genoemde
schuldeiser, de NIP-psycholoog, drs. B.R.M. Kuypers uit Grubbenvorst,
wiens vordering als steunvordering is aangegeven, in alle jaren na het
executoriale vonnis ook nooit een verzoek heb gekregen om te betalen.
Ik wijs de rechter op de mogelijkheid dat mijn
schuldeiser daarom zijn rechten verwerkt heeft.
Ik
wijs er tevens op dat en waarom het verzoek om mijn faillissement zinloos
en nodeloos is, daar ik immers wil betalen, moet betalen en zal betalen.
Ik doe daarom een appèl op het in ons recht bestaande beginsel van
redelijkheid en billijkheid en verzoek mr. Westhuis gebruik te maken van
zijn onafhankelijkheid en uitgaande van mijn argumenten het verzoek af te
wijzen. Het valt me op dat de griffier, die met een verbouwereerd
gezicht weliswaar vol belangstelling kijkt en luistert, toch maar heel
weinig opschrijft van hetgeen ik uitgebreid naar voren breng.
De
rechter onderbreekt mij niet. Ik krijg alle kans om te spreken en om mijn
woorden toe te lichten. Dan kom ik aan het laatste punt van mijn
pleidooi toe.
Ik zeg dat ik hoop dat de rechter het nodeloze
verzoek om mij failliet te verklaren, afwijst, maar dat, wanneer hij dat
niet mocht doen en mij failliet verklaart, ik zoals door het bestuur van
de stichting Advocadur besloten, onmiddellijk in beroep zal komen.
Ik
zeg dat ik in dat geval gebruik wil maken van de mogelijkheid om de hogere
rechter te informeren over mijn ervaringen met advocaten en die van al die
mensen die zich al jaren tot Advocadur wenden. Tot slot verzoek ik mr.
Westhuis om de boeken, die voor me liggen in ontvangst te nemen, zodat hij
als rechter van de inhoud daarvan kennis kan nemen.
Dat
weigert de rechter Westhuis. Hij stelt geen enkele vraag. Wel zegt hij in
het bijzijn van alle aanwezigen dat 'de boeken voor zijn oordeel
over het faillissementsverzoek niet ter zake doen, dat hij over mijn
pleidooi na zal denken en dat ik van hem hoor'.
6. Vrijdag
12 januari 2001, 18.00 uur: telefoon van mijn 1e curator mr.
Vestiens
Maar op vrijdag 12 januari 2001 om ongeveer 18.00 uur
gaat de telefoon van de stichting. Er meldt zich een advocaat, een zekere
mr. P.H. Vestiens van advocatenkantoor de Jonge Peters & Remmelink te
Doetinchem. Als te doen gebruikelijk, wanneer een advocaat wat zegt pak ik
het schrijfblok en mijn pen. Advocaat Vestiens meldt mij zonder enige
emotie dat mr. Westhuis mij op 4 januari 2001 failliet heeft verklaard en
dat hij tot mijn curator is benoemd. Even ben ik sprakeloos.
Dan
dringen de woorden stuk voor stuk tot mij door. 'Op 4 januari 2001,
4 januari 2001, failliet, failliet', dreunt het door mijn hoofd,
waar de ene vraag na de andere zijn kop opsteekt.
'Waarom heeft niemand mij daarvan in
kennisgesteld?'. 'Waarom heb ik zoals te doen gebruikelijk geen vonnis
thuisgekregen'. 'Waarom heeft die rechter Westhuis zich niet aan zijn
woord gehouden? 'Hij zei toch, wat we met vijf man gehoord hebben luid en
duidelijk: 'U hoort van mij'. 'Waarom stelt die advocaat/curator mij pas
nu op de hoogte? Kan ik nog wel wat ik wilde en wil in hoger beroep
komen?'
Die
vragen laat ik op mr. Vestiens los. Die antwoordt echter op
ongeïnteresseerde toon als uit een juridisch boek genomen dat
'zulks hem niet regardeert' en dat 'voor zover zijn kennis reikt, de potentiële failliet
zelf naar het vonnis van de rechter dient te informeren en indien en voor
zover hij in hoger beroep wenst te komen, zelf zorg dient te dragen voor
een procureur die voor hem dat beroep instelt'.
'Waarom heeft de griffier, die mij wel informeerde
over het faillissementsverzoek, de hoorzitting, de schuldsanering mij niet
op die noodzaak gewezen?', dien ik hem logisch van repliek.
'Dat
strekt zich niet uit tot mijn verantwoordelijkheid' is de reactie
van mr. Vestiens. 'En
waarom heeft u mij dat niet gezegd? 'En hoe kom ik aan een
advocaat/procureur, die hoger beroep aantekent? vraag
ik aan de advocaat/curator'. 'Ook dat alles behoort niet tot
mijn verantwoordelijkheid' zegt hij. Wel is hij bereid om
'mij per fax het vonnis van de rechter te sturen, zodat ik
zwart op wit kan lezen dat ik failliet verklaard ben en dat hij mijn
curator is'.
Tot
slot zegt dat 'hij zich binnenkort bij mij zal melden ten einde te
overleggen en zijn werkzaamheden ter hand te nemen'. Op 17 januari
2001 belt hij om een afspraak te maken. Op mijn schrijfblok schrijf ik:
'ten einde u nader over het faillissement te informeren'. We spreken af op
22 januari 2001 op het kantoor van de stichting Advocadur.
7. Vanaf
vrijdag 12 januari 2001, 18.06 uur: geleur om een procureur / failliet
of niet
Op
vrijdag 12 januari 2001 om 18.06 uur rolt dus het vonnis uit de fax,
waaruit blijkt dat ik op 4 januari 2001 failliet verklaard ben, tevens het
bewijs dat ik pas op vrijdagavond om 18.06 uur het vonnis onder ogen
krijg. Bij de bibliotheek in Wehl vind ik in de Verzamelde Nederlandse
Wetgeving van Vermande de faillissementswet. Ik lees dat de termijn om in hoger
beroep te komen acht dagen bedraagt. 'Die termijn verstrijkt dus vandaag
en in ieder geval op maandag aanstaande', besef ik. Als een razende bel ik
met zo'n tien advocatenkantoren in en buiten het arrondissement Zutphen,
die zonder uitzondering gesloten zijn. De dames en heren advocaten
vertoeven kennelijk elders. Het enige contact dat ik met een advocaat kan
leggen is via een antwoordapparaat. Ik spreek op veel antwoordapparaten
mijn rechtsvraag in en dat is, dat ik voor het hoger beroep dat ik in wil
en moet stellen een advocaat/procureur nodig heb.
Dan
kom ik op het idee mr. Vincent Hetterscheidt uit Doetinchem te bellen,
advocaat en vader van een van de vriendinnen van mijn oudste dochter. Die
man heb ik een paar keer op ouderavonden op school gezien en ook leren
kennen in verband met naar hem verwezen zaken van mensen, die zich in hun
juridische nood tot de stichting Advocadur gewend hebben. Nu is mijn eigen
juridische nood tot grote hoogte gestegen. We noemen elkaar bij de
voornaam. Ik heb zijn telefoonnummer. Tot mijn geluk neemt hij op. Ik leg
Vincent mijn probleem voor.
'Je
moet als de wiederweerga in hoger beroep, want anders gaat het vonnis in
kracht en gezag van gewijsde' hoor ik hem zeggen, terwijl ik die
woorden opschrijf. 'Wat wil dat
zeggen?' vraag ik. 'Dat betekent dat het faillissementsvonnis
dan definitief is en je er niets meer tegen kunt doen,' zegt hij gewichtig
en met grote nadruk. Maar mr. V. Hetterscheidt, die het zo mooi
zegt, wil niet de procureur zijn, die ik nodig heb. Ik vraag hem
natuurlijk waarom niet. Maar mr. V. Hetterscheidt zegt geen ja en geen nee
op mijn toch duidelijke vraag. In de woorden van een van de mensen die
zich in hun nood tot de stichting Advocadur hebben gewend: 'Hij
duikt in een emmer met snot en hij glibbert'. Hij draait er om
heen. Een ding is mij volslagen duidelijk en dat is dat hij mij niet wil
helpen.
Daarom
zeg ik 'Ik betaal je goed voor je werk en ik zal het hoger beroep zelf
schrijven. Dat kan ik volgens mij prima'. Dan bid en smeek ik hem
om alleen maar formeel in beroep te komen zonder verder als advocaat op te
treden, zodat in ieder geval de termijn niet overschreden wordt en ik niet
failliet word verklaard. Ik houd hem voor dat ik dan ondertussen in alle
rust een advocaat kan zoeken. Ook dat wil hij niet. Wat ik ook zeg, ik heb
geen advocaat en dus geen procureur.
Op
maandag 15 januari 2001 zet ik in alle vroegte mijn geleur om een
procureur voort. Ik bel allerlei mij niet bekende meesters /advocaten -
procureurs. Maar als ik verteld heb wie ik ben, wat ik wil en
waarom, haken ze allemaal stuk voor stuk af. Of het komt, doordat ze mij
en mijn kritische artikelen in kranten en tijdschriften, mijn negatieve
uitspraken in de media over advocaten en hun tuchtrecht kennen, of omdat
ze een hekel hebben om een rechter uit hun arrondissement tegen te
spreken, ik weet het niet.
Ik
benader de Raad van Toezicht en de deken in het arrondissement Zutphen en
Arnhem met een klemmend verzoek om een procureur, maar 'zulks dient
schriftelijk te geschieden en bovendien moet ik bewijzen verstrekken voor
het feit dat minimaal twee advocaten niet in mijn rechtsvraag hebben
willen voorzien'. Ook benader ik op maandag 15 januari 2001 de Raad
voor Rechtsbijstand. Die Raad stelt zich op het standpunt dat 'het
gaat om een vonnis dat in kracht en gezag van gewijsde is gegaan en waar
dus geen beroep meer tegen mogelijk is'.
Heel
de maandag hoop ik dat de boodschap, die ik op vrijdag op zo'n tien
antwoordapparaten van advocatenkantoren heb ingesproken tot een reactie
leidt. Ik heb het faxnummer, het e-mailadres en de beide
telefoonnummers van Advocadur ingesproken. Heel die maandag regent
het zoals alle dagen telefoontjes, fax- en e-mailberichten van
slachtoffers van advocaten, maar geen advocaat reageert op mijn noodkreet.
Wat ik ook probeer, het blijkt allemaal tevergeefs. Ik blijf het
proberen totdat ik weer net als vrijdagavond alleen nog maar
antwoordapparaten aan de lijn krijg. Om een uur of zes, 's avonds, eindigt
mijn geleur om een procureur.
Vervolgens informeer ik het gerechtshof te Arnhem per
brief en per fax met de mededeling dat 'ik
hoe dan ook in beroep wil en moet komen tegen het vonnis van mr. Westhuis,
dat ik van vrijdag 18.06 uur tot maandagmiddag geprobeerd heb een
advocaat/procureur te vinden, dat me dat niet gelukt is en dat ik daarom
zelf formeel in beroep kom en dat de gronden waarop mijn beroep berust
medegedeeld zullen worden wanneer ik een advocaat/procureur gevonden heb'.
Per brief krijg ik een paar dagen later het even kille als
formele antwoord dat 'een gewone burger niet in beroep tegen een
gerechtelijk vonnis kan komen en dat die middels een advocaat/procureur
dient te geschieden' .
Zelfs
het aanbod van een vrouw, sympathisant van Advocadur, die de achtergronden
van mijn faillissement kent, om 'alle advocaatkosten voor haar
rekening te nemen', helpt mij niet aan een
procureur/advocaat.
Ik
ben, wat ik nooit wilde zijn: failliet. Een dringend appèl op een tweetal
cassatieadvocaten om cassatie tegen het faillissementsvonnis aan te
tekenen, leidt slechts tot duidelijkheid over hun rekening, maar niet over
de mogelijkheden van cassatie of over het inzetten van andere
rechtsmiddelen. Ik blijf failliet.
. 15 januari
2001 : failliet
Nooit
heb ik iets met faillissementen te maken gehad. Ik ken dus de gang van
zaken niet. Ik weet niet meer van faillissementen dan dat bedrijven dat
kan overkomen, die niet aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.
Maar ik heb geen bedrijf en geen schulden. Het feit dat ik failliet ben
roept dan ook aanvankelijk geen enkel gevoel bij mij op. Dat verandert
echter gauw.
In een
van de Gelderse kranten heeft een advertentie gestaan, waarin melding
wordt gemaakt van mijn faillissement. Ik heb die niet gezien. Ik lees
nooit advertenties over faillissementen. Maar vrienden, mensen uit
mijn dorp en ver daarbuiten wel. Ze hebben gelezen dat ik failliet ben
verklaard, ' Het
is het gesprek van het dorp. Niemand begrijpt waarom. Ik heb immers geen
bedrijf en sta ook niet te boek als iemand die schulden maakt of zijn
financiële verplichtingen niet nakomt.
Heel
mijn gezin en ik worden op het faillissement aangesproken. Mensen vragen
wat eraan de hand is. We worden geconfronteerd met een probleem,
dat helemaal geen probleem had hoeven te zijn, wanneer het gerecht te
Zutphen simpel de fout had rechtgezet, gemaakt door de griffier en/of de
curator, die mij niet op de hoogte stelden van het faillissementsvonnis
noch van de noodzaak om daar zelf naar te informeren. Over de
verloren juridische procedures tegen de neurologen en de daaruit
voortvloeiende kostenveroordeling en enorme advocatenrekeningen hebben
mijn vrouw en ik onze kinderen niet ingelicht. We vonden het nog niet
nodig om ze daarmee te belasten.
Door
het faillissement worden we gedwongen om de kinderen, die inmiddels
allemaal rond de twintig zijn, zo goed en kwaad als mogelijk te
informeren. Daar slagen we in, zeker omdat ze geïnteresseerd zijn. Maar de
mensen in en buiten mijn dorp die wil ik niet informeren. Ze weten niets
over mijn ongeluk en alle gevolgen daarvan. Voor hen ben ik wie ik ben.
Dat wil ik graag zo houden. Daarom spreken we met de kinderen af dat we
alle vragen over mijn faillissement afdoen met de mededeling dat 'Niet ik,
maar de stichting Advocadur failliet is en dat een aantal advocaten en een
griffier daar schuld aan hebben'.
9. Vanaf 15
januari 2001: postblokkade en blokkade van mijn bankrekening.
Omdat
ik failliet ben verklaard wordt mijn rekening bij de postbank onmiddellijk
geblokkeerd. Er staat een bedrag op van f 5000 dat ik er, volledig
overvallen door mijn faillissement, niet vanaf heb gehaald. Dat bedrag en
mijn maandelijkse AAW-uitkering verdwijnen zoals afgesproken naar de
bankrekening van de curator Vestiens. Ook wordt alle op mijn naam gestelde
' en
aan de curator doorgestuurd. Dus ook post gericht aan mijn vrouw,
mijn kinderen of aan de stichting Advocadur gaat naar de curator. De
curator laat mij weten dat 'ik bij zijn secretaresse naar mijn post
dien te informeren en die, nadat die door hem is gezien, kan
ophalen'.
De
postblokkade is volledig zinloos. Ik heb immers geen andere inkomsten dan
een aan mijn ongeluk te danken AAW-uitkering, die - zoals afgesproken met
mijn 1e curator - onmiddellijk naar hem
gaat. Er bereikt mij nimmer zakelijke of financiële post. Ik doe niet in
commerciële zaken en heb behalve de erven Schouwink en/of mr. Bolt geen
enkele schuldeiser. De enige zaak waarvoor ik mij al tien jaar inzet, is
een ideële zaak, en wel die van de stichting Advocadur, tot wie zich vele
slachtoffers van advocaten en van andere hoeders van ons Recht wenden. Ten
behoeve van die stichting gebruik ik al jaren een deel van de
AAW-uitkering. De andere post die mij bereikt, is privé.
De
curator wordt dus keer op keer geïnformeerd over privé-zaken van mijn
vrouw, van mij, mijn kinderen of van Advocadur die hem als persoon noch
als curator aangaan.
Ik
laat alle emoties weg, maar beperk mij tot de constatering dat het
bijzonder pijnlijk is dat een volslagen vreemde man van dag tot dag in
jouw zit te neuzen. De postblokkade draagt op geen enkele manier, met geen
eurocent, bij aan de betaling van de schuld en dient dus geen enkel doel.
Er is kortom alle reden om de postblokkade op te heffen. Daarom verzoek ik
de curator per brief om een eind aan die flauwekul van de postblokkade te
maken. Dat verzoek wordt per brief zonder opgaaf van redenen afgewezen.
Vervolgens verzoek ik de curator om mij door hem gecontroleerde post
onmiddellijk door te sturen, omdat er brieven tussen kunnen zitten, die
snel een antwoord behoeven. Ook dat verzoek wordt formeel, zonder opgaaf
van redenen afgewezen. Ik moet en zal mijn post na overleg met de
secretaresse persoonlijk afhalen.
10. Vanaf 15
januari 2001: vergeefs appèl op de rechter, de griffier en de
curator.
Mijn
lijf en ziel schreeuwen om gerechtigheid. Er moet voor mij wat recht gezet
worden. Mij moet recht worden gedaan. Het onrecht moet stoppen. Die
alleszins logische en uit de feiten volgende wens drijft mij tot acties.
Ik schrijf brief na brief aan rechter mr. W.H. Westhuis, die zich niet aan
zijn woord heeft gehouden, aan de griffier, dhr. E. Teunissen en aan mijn
curator, dhr. mr. Vestiens.
Mijn
verzet richt zich op dat moment logischerwijs nog enkel en alleen op het
feit dat ik niet op de hoogte ben gesteld van het vonnis en van de
klaarblijkelijke noodzaak om zelf naar dat vonnis te informeren. In
alle toonaarden wijs ik erop dat ik daardoor niet in beroep heb kunnen
komen en schuldeloos in een voor mij beschamend faillissement terecht ben
gekomen. Ik vraag om het proces-verbaal van de hoorzitting, dat me niet
verder helpt dan de conclusie dat de griffier niet heeft opgeschreven dat
rechter Westhuis heeft gezegd dat ik van hem zou horen.
Ik doe
op grond van de feiten een klemmend appèl op voornoemde hoeders van mijn
Recht. Ik appelleer aan hun gevoel voor redelijkheid en
billijkheid en verzoek hen om maatregelen te nemen die er toe zullen
leiden dat ik alsnog in beroep kan komen. De antwoorden die ik krijg komen
er kort samengevat op neer dat voornoemde hoeders van mijn recht hun
verantwoordelijkheid op elkaar afschuiven of hun toevlucht nemen tot
klinkklare leugens. Een daarvan is dat de heer mr. H. Peters
toenmalig medewerker van de stichting, maar zonder enige kennis van en
ervaring met faillissementszaken, tot mijn juridisch adviseur wordt
verheven en ik tot zijn cliënt. Die verkeerde voorstelling van zaken is
door de griffier in de juridische wereld geholpen en daar nooit meer uit
gekomen. Aan die leugen wordt onder andere door mijn rechter mr. W.H.
Westhuis in zijn brief d.d 18 januari 2001 de conclusie verbonden dat deze
'juridische adviseur eerder telefonisch naar de uitspraak had
kunnen informeren'.
In
diezelfde brief gaat mr. Westhuis zich te buiten aan een andere leugen met
zijn uitspraak 'temeer daar u, zoals u zelf schrijft in uw brief
van 16 februari 2001 - wist dat mogelijk nog de dezelfde dag uitspraak zou
worden gedaan'.
Een
tweetal verklaringen van mr. Peters zelf waarin hij de stellingen van de
griffier en mr. Westhuis als onwaar bestempelt, vinden geen gehoor.
Een stroom van brieven maakt duidelijk dat de rechter, de griffier,
de rechter-commissaris en de curator geen antwoorden geven op vragen,
feiten ontkennen en verdraaien, kortom dat ze niet bij machte zijn om een,
door één van hen, veroorzaakt probleem op te lossen. Er ontstaat
een lange correspondentie, die te uitgebreid is om in dit verhaal op te
nemen, maar wel zo sprekend is dat die aangeboden wordt aan wie daarin
geïnteresseerd is.
11. Vanaf 15
januari 2001: vergeefs appèl op de president van de Rechtbank te
Zutphen en de P.G van de Hoge Raad te Den Haag
Maar
met betrekking tot. de bevoegdheden van een president van een rechtbank
biedt de wet wel soelaas.
Art. 14 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie
(WRO) stelt duidelijk:
De presidenten zijn bevoegd, ambtshalve of op de
vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun college, de
gerechtsauditeurs, de griffiers, substituut-griffiers en waarnemend
griffiers, die de waardigheid van hun ambt, hun ambtsbezigheden of
ambtsplichten verwaarlozen, of die zich schuldig maken aan overtredingen
in art. 11, onder c bedoeld … de nodige waarschuwing te doen',
Art. 11, c spreekt over:
Handelen en nalaten ernstig nadeel toebrengt aan de
goede gang van zaken bij de rechtspraak of aan het in haar te stellen
vertrouwen.
Maar
waarnemend president mr. A.C. de Visser doet niet de nodige
waarschuwing, ook al ligt het er duimendik bovenop dat het feit dat
ik niet over het faillissementsvonnis geïnformeerd ben, schade
heeft toegebracht aan de goede gang van zaken bij de rechtspraak en aan
het in haar te stellen vertrouwen.
Art. 192 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering:
Getuigenverhoor
Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten,
beveelt de rechter een getuigenverhoor, zo vaak een der partijen het
verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot
de beslissing der zaak (misbruik van procesrecht, etc.) kunnen leiden. Hij
kan dit ook ambtshalve doen.
Mijn
verzoeken om getuigen te horen vinden geen gehoor. Ik ben voor de
waarnemend president klaarblijkelijk geen partij. De waarnemend president
hoort mij niet, hij roept geen deskundige getuigen op om zich een beeld te
vormen over de gang van zaken in mijn faillissement. Hij verricht geen
enkel onderzoek, gaat voetstoots uit van de juistheid van de gegevens die
de griffier, de rechter, de curator en de R.C hem aanreiken.
Ik
heb tal van klachten over de wijze waarop ambtenaren van een rechterlijk
college zich jegens mij gedragen. Weer lijk ik de wet aan mijn zijde te
hebben.
Art.
14
a van dezelfde wet WRO zegt:
Degene die een klacht heeft over de wijze waarop een
ambtenaar van een rechterlijk college zich jegens hem heeft gedragen, kan
de procureur-generaal bij de Hoge Raad verzoeken een vordering in te
stellen bij die Hoge Raad tot het doen van een onderzoek naar die
gedraging.
Ik
wend me dan ook onmiddellijk tot de Hoge Raad en wel tot de
procureur-generaal (p.g), de heer mr. Th. B. ten Kate, zij het met weinig
vertrouwen.Dat komt, omdat uit gegevens van de stichting WORM (Wetenschappelijk
Onderzoek Rechterlijke Macht) blijkt dat de procureur-generaal mr. Th. B.
ten Kate van de 317 klachten over handelingen van rechters, die in de
periode 1991-1994 werden ingediend in geen enkel geval 'een verzoek tot
het instellen van een vordering tot het doen van onderzoek bij de Hoge
Raad heeft ingesteld'. Uit de gegevens die de stichting
Advocadur bereiken blijkt dat er in het beleid van de procureur-generaal
óók na 1994 geen enkele verandering is gekomen. ]
Voornoemde procureur-generaal wijst mijn klachten dan
ook net als de waarnemend president van de rechtbank simpel met
leugenachtige brief af. Geen gesprek, geen onderzoek, niets. Kortom de
wet is duidelijk, maar degenen die er voor betaald worden die wet
uit te voeren doen er niets mee. : 'bij
juristen zo incestueus diep in hun genen woekert dat geen sterveling zijn
gelijk behaalt'.
12. 22
januari 2001: bezoek van de 1e curator
13. Vanaf 22
januari t/m 19 april 2001:
de rechter-commissaris: mr. D. Vergunst
Door de onwrikbare opstelling van de erven Schouwink,
de griffier, de rechter, de procureur-generaal van de Hoge Raad en de
curator, die zich niet ontvankelijk tonen voor het probleem waarin ik
schuldeloos terecht ben gekomen, besef ik dat ik zal moeten accepteren dat
ik failliet ben en zal moeten betalen. Maar ik wil het de mensen
die mijn faillissement hebben aangevraagd en die niet voor rede vatbaar
blijken te zijn, zo moeilijk mogelijk maken. Ik heb er
begrijpelijkerwijs enorm veel moeite mee om geld te betalen aan de erven
Schouwink en hun advocaat, die als gezegd in mijn rechtsgevoel enorm veel
meer aan mij verschuldigd zijn. Iedere mogelijkheid om de betaling van dat
geld uit te stellen, wil ik dan ook aangrijpen.
In
overleg met vrienden/leden van de stichting Advocadur besluit ik - nu ik
failliet ben verklaard - mijn huid zo duur mogelijk te verkopen en de
confrontatie aan te gaan met de curator en de rechtbank, die mij immers
niet wezen op de noodzaak om zelf naar het vonnis van de
faillissementsrechter te informeren.
Conform de doelstelling van de stichting willen we
registreren en documenteren hoe justitie zich gedraagt en dat geldt dus
ook voor faillissementen. Op de gang van zaken in mijn faillissement is op
dat moment al heel wat aan te merken. Op die gang van zaken dient de
rechter-commissaris acht te slaan. De curator, de griffier, de rechtbank,
niemand wijst mij op die taak. Daar moet ik op eigen krachten achterkomen.
Daarom vraag ik de rechter-commissaris op 31 januari 2001 om uitstel van de werkzaamheden
van de curator en daarmee om opheffing van de postblokkade totdat de
procureur-generaal van de Hoge Raad op mijn klacht heeft beslist.
De rechter commissaris antwoordt op 2
februari 2001: 'er is geen wettelijke bepaling die mij de
mogelijkheid biedt om de curator een bevel te geven om zijn werkzaamheden
op te schorten'.
Op
8 februari 2001 dien ik hem van repliek met
onder andere de stelling 'De rechter-commissaris is geen automaat,
maar een mens die onafhankelijk van 'wettelijke bepalingen' tot een
oordeel kan komen en/of de rechter daarom kan vragen, zeker wanneer de
redelijkheid en billijkheid hem daartoe aanleiding geven'.
Op
mijn repliek gaat de rechter-commissaris niet in. Hij schuift mijn verzoek
en mijn repliek door naar de rechter, die zich net als de
rechter-commissaris op het ontbreken van een wettelijke bepaling beroept
en mijn verzoek op 22 februari 2001 afwijst.
Ik ben en blijf dus veroordeeld tot die zinloze postblokkade. Ook
op 22 februari 2001 haal ik noodgedwongen mijn
post op. Er zitten drie brieven tussen, die niet voor mij maar voor andere
'faillieten' bestemd zijn. Ik maak geen gebruik van de mogelijkheid
om het gebrek aan accuratesse van mijn 1e
curator breed uit te meten, maar ik stuur die brieven op 24 februari 2001
keurig terug.
Daarom maak ik een gebaar van bereidheid tot vrede en
daarom verzoek mijn 1e curator om
'in het vervolg net als op sommige andere advocatenkantoren te doen
gebruikelijk mijn post direct even door te sturen en mij daarmee een reis
naar Doetinchem en andere ellende te besparen'. Op mijn
verzoek wordt niet gereageerd. Het wordt dus niet gehonoreerd. Mijn
vredesgebaar wordt afgewezen. Ik ben en blijf dus gedwongen om de aan mijn
vrouw, kinderen en aan mij gerichte post en brieven op te halen. Al die
post heeft nimmer met het faillissement te maken en bevat nooit een woord,
waarmee de curator en mijn schuldeiser Schouwink hun voordeel zouden
kunnen doen. Ik heb mijn curator immers volledige opening van mijn
financiële zaken gegeven.
Ik
herhaal daarom op 23 februari 2001 mijn
verzoek aan de rechter-commissaris om de onzinnige postblokkade op te
heffen. Daarnaast vraag ik op 20 maart
2001 op grond van mijn geringe financiële middelen - een AAW-uitkering
- en omdat de 1e curator besloten heeft
' het inkomen van mijn vrouw niet aan te spreken en het huis niet
te executeren', om toepassing van de schuldsaneringsregeling,
waarop de griffier mij in november 2000 gewezen heeft.
Een
groot deel van mijn uitkering stop ik al jaren in de stichting Advocadur.
Van die uitkering betaal ik allerlei kosten en indien nodig de reiskosten
van de medewerkers, onder wie de heer mr. H. Peters. Door het
faillissement kan ik deze betalingen niet meer verrichten. Al mijn geld
gaat immers naar de curator.
Om
het - als gezegd - de erven/schuldeisers Schouwink zo moeilijk mogelijk te
maken en om betaling te kunnen uitstellen, maar ook omwille van de
financiering van de activiteiten voor Advocadur richten de heer mr.
Peters, toenmalig medewerker van de Stichting Advocadur, en de stichting
zelf in goed overleg met mij op 4 april 2001
een verzoek tot de rechter-commissaris om als schuldeiser erkend te
worden. Daarbij baseren zij zich op het standpunt dat zij betaling
willen van de kosten die ik placht te betalen.
Volgens art. 64 van de faillissementswet
'houdt de rechter-commissaris toezicht op het beheer en de
vereffening van de faillieten boedel'. De wet laat zich niet
uit over de eisen die aan dat toezicht gesteld dienen te worden. In
mijn faillissement wordt duidelijk dat de rechter-commissaris bij dat
genoemd toezicht klaarblijkelijk een grote mate van vrijheid toekomt.
Conform art. 66 is de rechter-commissaris 'Bevoegd ter opheldering
van alle omstandigheden het faillissement betreffende, getuigen te horen
of een onderzoek van deskundigen te bevelen'. Er worden nog
altijd geen getuigen of deskundigen gehoord. Mijn vrouw noch
ik worden gehoord 'ter opheldering' van de droevige
'omstandigheden' zoals die van de postblokkade, de gevolgen
van het niet doorsturen van belangrijke brieven en klinkklare leugens,
etc.
Zoals hiervoor aangegeven heb ik in 1996 op advies
van een bevriende notaris om op geld beluste advocaten van mijn lijf te
houden conform art. 109 e.v. van het Nieuwe Burgerlijke Wetboek afstand
gedaan van mijn deel in de huwelijksgoederengemeenschap. Dat feit heeft
logischerwijs alles te maken met het beheer en de vereffening van de
failliete boedel, waar de rechter-commissaris toezicht op moet houden.
Voor dat toezicht dient de rechter-commissaris uiteraard over
objectieve juridische informatie te beschikken. Uit alles blijkt dat de
rechter-commissaris niet over die informatie beschikt.
Maar desalniettemin roept hij, om een juridisch
pasklaar antwoord te krijgen op de vraag wat de juridische gevolgen zijn
van voornoemd art. 109, geen als objectief en onafhankelijk aan te merken
getuigen en deskundigen op ter opheldering van de vraag of en zo ja wat
die afstand voor mijn faillissement betekent. Wat de
rechter-commissaris daarentegen wel doet is dat hij mijn verzoek om voor
een schuldsanering in aanmerking te komen, net als sommige andere
verzoeken, doorspeelt naar mijn 1e
curator, die op grond van zijn, mij later gebleken, grote financiële
belangen bij mijn faillissement bepaald niet objectief blijkt te zijn.
Als
een volleerd advocaat geeft de curator in zijn brief d.d. 5 april 2001 - ondanks zijn eerdere beloftes
- toch uitgebreid zijn mening over de door mij gedane afstand van mijn
deel uit de huwelijksgoederengemeenschap. Al zijn bespiegelingen rondom
die afstand zijn bovendien in tegenspraak met wat hij me op 12 maart 2001
telefonisch mededeelde en in voornoemde brief van 5 april 2001 schrijft.
In die brief en ook in zijn faillissementsverslag bevestigt mijn 1e curator de met mij gemaakte afspraak met nota
bene de al eerder aangehaalde woorden:
Immers, toen mijn 1e
curator in zijn keurige, bruine pak bij mij was, heeft hij mij al naar
onze banktegoeden en naar het inkomen van mijn vrouw gevraagd. Daarover
heb ik hem toen geïnformeerd. Dat is de 1e curator klaarblijkelijk
vergeten. En bij zijn bij mij peperduur in rekening te brengen
'studie, lezing, ontwerpen, rangschikken en opstellen van stukken,
etc' is hij klaarblijkelijk niet toegekomen aan zijn door hen zelf
ingevulde en op 14 februari 2001 ondertekende 'Vragenlijst voor
curatoren', waarop hij onder punt 2 keurig het door mij opgegeven inkomen
van mijn vrouw invult.
Nu
ik een op juridische gronden (afstand van mijn deel in
huwelijksgoederengemeenschap) gebaseerd verzoek indien om in aanmerking te
komen voor een sanering van mijn 'schuld', houdt de curator zich niet meer
aan zijn woord. Er is geen andere dan de droevige conclusie dat het
toezicht van de rechter-commissaris zich óók niet tot voornoemde leugens
en verbroken beloftes heeft uitgestrekt.
Gedurende al mijn contacten met mijn 1e en later met mijn 2e curator moet ik constateren dat zij namen,
feiten en argumenten door elkaar gooien. Dat blijkt bijvoorbeeld
uit voornoemde brief d.d. 5 april 2001, die
mijn 1e curator aan de rechter-commissaris
mr. W.H.H. Westhuis richt. Mijn rechter-commisaris is echter de heer
Vergunst. Mr. Westhuis was de rechter die beloofde 'om over
mijn woorden na te denken en van zich te laten horen'.
Mijn verzoek voor het saneren van mijn schuld wordt
vervolgens door de rechter-commissaris d.d 9 april
2001 afgewezen. Voor die afwijzing is naar mijn overtuiging een
beslissing over de juridische gevolgen van mijn verklaring van afstand van
mijn aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap noodzakelijk, met andere
woorden een beslissing over de juridische vraag of mijn vrouw al dan niet
gehouden is om op te komen voor mijn schulden. Die beslissing neemt mijn
rechter-commissaris niet. Zonder nader onderzoek en zonder mij of een
objectieve ter zake deskundige te informeren volgt de R.C. mijn 1e curator. In zijn brief d.d. 9 april 2001 schrijft hij: 'Ik ga
ervan uit dat uw echtgenote voldoende inkomsten geniet om in het
levensonderhoud van u en uw gezin te voorzien'. De uiteindelijke
beslissing op mijn verzoek om mijn faillissement om te zetten naar
de schuldsaneringsregeling laat hij over aan de rechtbank. Daaruit en ook
uit het navolgende blijkt de willekeur van het handelen van mijn
rechter-commissaris.
Ook
mijn verzoek om de werkzaamheden van de curator stop te zetten totdat de
procureur-generaal bij de Hoge Raad op mijn klacht heeft beslist wordt in
een daarvoor op 15 maart 2001 belegde hoorzitting besproken. Die zitting,
waarvoor een rechter, de griffier en de curator zich vrij gemaakt hebben,
blijkt volledig onnodig. Dat komt doordat de curator verzuimt om mij de
post door te sturen, c.q mij niet op de hoogte stelt van belangrijke, aan
mij gestuurde brieven. Een belangrijke brief is die van de
procureur-generaal bij de Hoge Raad d.d. 14 februari 2001. Die brief bevat
namelijk de afwijzing van mijn verzoeken aan de procureur-generaal en had
de hoorzitting van 15 maart 2001 geheel en al overbodig gemaakt, wanneer
ik er kennis van had kunnen nemen.
Het
enige argument van de procureur-generaal in zijn brief d.d 14 februari
2001 is de leugen, die de door de griffier in de wereld is geholpen. Die
leugen is dat 'ik kon beschikken over een juridische adviseur die
mij op de noodzaak om zelf naar mijn faillissementsvonnis te informeren
had kunnen wijzen'.
Bij
brief d.d 11 april 2001 stel ik mijn
rechter-commissaris wederom een aantal concrete vragen. Met name vraag ik
hem voorde zoveelste keer om 'een bindende uitspraak te doen over de vraag
of alle vermogensbestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap nou wel
of niet in de faillissementsboedel vallen'.
Van
die uitspraak wil ik op de hoogte zijn, voordat de rechters een beslissing
nemen over mijn verzoek om een schuldsaneringsregeling. Er komt geen
antwoord. Weer vraag ik om mondeling overleg, ook al is dat al de vorige
keren dat ik daarom vroeg, niet gehonoreerd.
14. 19 april
2001: uitnodiging voor een gesprek met de R.C., mr. D. Vergunst
Drie
en een halve maand na het faillissementsvonnis word ik uit mijn droom
geholpen dat mijn verzet tegen het faillissement net als bij het
tuchtrecht voor advocaten of het bestuursrecht kosteloos zou zijn. 'De
curator dient voor al zijn werkzaamheden betaald te worden' zegt
mr. Vergunst, terwijl hij mij nog steeds vriendelijk en zelfs een beetje
vaderlijk aankijkt.
In
mijn geheugen staat het bezoek van de curator in zijn keurige bruine pak
voor eeuwig gegrift. Ik zie hem weer zitten, ontspannen achterover
leunend, genietend van zijn koffie en zijn sigaretje. Ik hoor hem weer
zijn woorden kiezen, die hij keurig en nadrukkelijk uitspreekt, alle tijd
van de wereld nemend, zonder mij op de hoogte te stellen van zijn kosten.
'Maar over zijn
kosten heeft hij met geen woord gerept', gooi ik er woedend uit. 'En ook de
griffier, de rechter en ook u, de rechter-commissaris,hebben mij nooit
gezegd of geschreven dat de curator zijn werkzaamheden in rekening zal
brengen en hoeveel mij dat gaat kosten. Ik ben dus ronduit misleid en
belazerd', laat ik mij ontvallen. 'Ik neem aan dat u mij bij de aangifte van misleiding
en bedrog wel behulpzaam zult zijn' laat ik er sarcastisch op
volgen.
De
R.C. doet er het zwijgen toe, maar ontkent mijn laatste beschuldigingen
niet. Ik doorbreek de stilte en vraag op de man af 'Hoeveel gaat die curator mij in godsnaam
kosten?'
Mr.
Vergunst kijkt mij nog altijd vriendelijk aan en zegt: 'Het is niet
aan mij om daarover een oordeel uit spreken'. Mijn vraag 'aan wie dat dan wel is en of hij op grond van zijn
ervaring bij benadering aan kan geven hoeveel de curator in rekening
brengt' blijft onbeantwoord in de grote rechtszaal hangen.
Daarom herhaal ik mijn klacht dat hij, de griffier en de rechter, mij
nooit hebben gezegd of geschreven dat de curator zijn werkzaamheden in
rekening zal brengen en hoeveel mij dat gaat kosten. De rechter-commisaris
reageert met de woorden: 'Indien en voor zover u zich met de gang
van zaken en de gegeven informatie niet kunt verenigen, kunt u zich
daarover bij de rechtbank beklagen'.
Van die typische juristenvolzin maak ik snel een notitie, om die
niet te vergeten.
De
woorden en de argumenten van de rechter-commissaris leiden naar het
pijnlijke besef dat al mijn protesten al geld gekost hebben en dat nieuwe
protesten nog meer geld zullen kosten. Ik maak me ernstige zorgen en leg
die aan de rechter-commissaris voor. Hij reageert vriendelijk op mijn zorg
en slaat weer erg menselijke tonen aan. Hij raadt mij met klem en veel
overtuigingskracht aan om 'ter voorkoming van verdere curatorkosten
zo snel mogelijk mijn verzet op te geven en mijn schuld te betalen' en
zegt dan dat 'de rekening van de curator wel mee zal vallen'. Zijn
woorden klinken echt en gemeend en hij kijkt er ook erg serieus bij.
Ik
meen zelfs enige bewogenheid te ontwaren. De griffier knikt instemmend. Ik
reageer op de menselijke signalen die de rechter-commissaris en de
griffier uitzenden. Daardoor ontstaat er zowaar een ontspannen, ongedwongen,
vriendelijke atmosfeer. In die atmosfeer raadt mr. Vergunst mij aan
om 'zo snel mogelijk te betalen en om daartoe de curator te vragen
om een specificatie van zijn rekening'. 'Curator om specificatie vragen en dan
betalen' schrijf ik met grote letters op mijn schrijfblok.
Dan
zegt hij: ' indien en voor zover u kritiek en commentaar op de
rekening van de curator mocht hebben, raad ik u aan om mij daarvan in
kennis te stellen, zodat ik als R.C. met het een en ander rekening kan
houden'.
Die
woorden klinken mij als muziek in de oren en werken als een kompres op
mijn rechtsgevoel, dat na zovele uit de lucht gegrepen torenhoge
advocatenrekeningen, nu ontstoken is door de angst voor de rekening van
mijn advocaat/curator. Die angst steek ik niet onder stoelen en banken van
de grote zittingszaal. Maar mr. Vergunst reageert daar menselijk op. En de
griffier knikt bevestigend en vriendelijk. Er ontstaat een informeel,
eerlijk en open gesprek, waarin ik de rechter-commissaris uitgebreid kan
informeren over de juridische nood waarin zovele mensen door met name het
doen en laten van advocaten in terechtkomen.
We
praten over lekenrecht, de verplichte procesvertegenwoordiging, die de
toegang tot de rechter blokkeert, over mijn boeken, die de
rechter-commissaris na de afhandeling van mijn faillissement zegt te
willen lezen. Kortom, ik denk een mens te vinden die ik kan
vertrouwen, een mens die niet alleen een graad in de rechtsgeleerdheid
heeft, maar ook een graat in zijn rug, een vent die het als dat nodig
mocht zijn op durft te nemen tegen de curator.
De
rechter-commissaris maakt een sympathieke indruk op mij en ik vertrouw hem
op zijn woorden. Daarom laat ik mij door hem overtuigen. Daarom zeg
ik dat ik mijn verzoek om in aanmerking te komen voor de sanering van mijn
schuld intrek. Daarom
zeg ik dat ik mijn verzet op zal geven en dat ook de door de curator toch
al niet erkende concurrente schuldeisers, mr. H. Peters en de stichting,
waarvan ik de voorzitter ben hun 'schuldvorderingen' zullen intrekken. Dan
zeg ik dat ik de curator om diens gespecificeerde rekening zal vragen en
zal betalen. Tenslotte zeg ik tegen de R.C. dat hij geen antwoorden meer
hoeft te geven op mijn vragen in mijn brief van 11 april 2001 op één
voorwaarde, 'en die is' vraagt de rechter-commissaris.
'Die is dat u mijn schuldeisers, de erven Schouwink en de psycholoog drs.
B.R.M. Kuypers vraagt of zij volledig achter het faillissement staan, of
ze door hun advocaat zijn geïnformeerd over het verzoek mij failliet te
verklaren en of mijn geld, als ik betaal, naar hen of naar hun advocaat
gaat.' 'Na alles wat die mensen mij hebben
aangedaan, moet ik dat weten', zeg ik uit de grond van mijn hart Mr.
Vergunst stemt toe en zegt mijn schuldeisers aan te zullen schrijven.
15. Voorjaar
/ zomer 2001: de curator geeft geen antwoord en de R.C. is op
verlof
De
erven Schouwink en hun advocaat geven geen antwoord op de vraag van de
rechter-commissaris of zij achter het faillissement staan en ook niet of
ze door hun advocaat zijn geïnformeerd over het verzoek mij failliet te
verklaren. Maar op 2 mei 2001 schrijft de heer
Kuypers onder andere: 'ik ben niet betrokken geweest bij de
faillissementsaanvraag, noch daarover geïnformeerd door de erven
Schouwink'. Tevens ' Die brief ontvang ik pas op 13 juni
2001.
Op 15 juni 2001 wend ik mij tot de
rechter-commissaris met een achttal vragen die de brief van Kuypers
oproepen. Vraag 1 luidt: 'Is volgens vaste rechtspraak/jurisprudentie tot
een verzoek tot faillietverklaring een steunvordering als die van Kuypers
noodzakelijk?
16. 18 juni
2001: telefoon van mijn 2e curator mr.
Doon
Op 1 juni 2001 schrijft mijn 1e curator mij dat 'hij wegens
vertrek naar een ander advocatenkantoor de behandeling van mijn
faillissement heeft overgedragen aan zijn kantoorgenoot, mevr. mr.
A.M.T. Onmiddellijk vraag ik haar om de gespecificeerde rekening waar ik al
zo lang om vraag. Ik krijg geen antwoord. Op 18 juni 2001 dient niet mr. Weersink, maar mr. J.
Doon, advocaat bij advocatenkantoor Remmelink te Doetinchem zich zonder
nadere uitleg telefonisch als mijn 2e
curator aan. Hij 'stelt mij voor om een afspraak met mij te
maken 'teneinde zich voor te stellen en mij te informeren over de stand
van zaken in het faillissement'.
'De stand van zaken is dat uw voorganger mij
schriftelijk noch mondeling informatie heeft gegeven over het feit dat hij
als curator voor iedere minuut, dat hij zich met mijn faillissement
bezighoudt geld kost en zijn uurloon niet ter sprake heeft gebracht. De
stand van zaken is dat zijn bezoek aan mij in rekening wordt gebracht
tegen een bedrag waarvan ik de omvang bij gebrek aan informatie van uw
kantoor niet ken. De stand van zaken is dat uw voorganger en heel uw
kantoor mij al vanaf 20 april 2001 geen specificatie verstrekt van de
kosten van de curator, zodat ik kan betalen; de stand van zaken is dat uw
voorganger mijn vragen en brieven onbeantwoord laat. De stand van zaken is
ook dat uw bezoek mij ongetwijfeld geld gaat kosten, waarvan ik de omvang
niet ken, de stand van zaken is dat ik met mijn 1e curator de ter besparing van kosten de
duidelijke schriftelijk vastgelegde afspraak heb gemaakt dat mijn
uitkering van maand tot maand in de faillissementsboedel valt tot de
schuld is afgelost'.
De in
maanden haast stelselmatig opgebouwde onvrede schiet er uit. Ik eindig
mijn litanie met de woorden: 'Mijn 2e
curator, mr. J. Doon reageert niet op mijn woorden, maar maakt er zich
vanaf met een volzin, waarvan ik een notitie heb gemaakt:
'Uw woorden volgend lijkt het mij niet aangebracht u op te zoeken'.
'Dat lijkt mij ook niet', zeg ik
met een diepe zucht, waarmee ik mijn hart een beetje lucht.
17. Vanaf 18
juni 2001: het doen en laten van de 2e
curator mr. Doon
In die
tijd neemt mijn 2e curator mr. Doon
allerlei werkzaamheden ter hand, waarmee hij de schriftelijk door zijn
voorganger mr. Vestiens vastgelegde afspraak breekt om 'mijn uitkering van
maand tot maand in de faillissementsboedel te laten vallen tot dat de
schuld betaald kan worden'. Een daarvan zijn de kontakten met de Rabobank
te Wehl.
Een
medewerker van die bank heeft in de krant over mijn faillissement gelezen
en neemt geheel buiten mij om contact op met de curator. Deze begint
vervolgens een discussie met de Rabobank over de vraag of de gezamenlijke
rekeningen van mijn vrouw en mij in de faillissementsboedel dienen te
vallen. Over die vraag wordt op mijn kosten tegen een nog altijd onbekend
uurloon over en weer geschreven en getelefoneerd. Ik wil dus niets
liever dan een eind maken aan de poppenkast van mijn 2e curator, die mij in ieder geval geld gaat
kosten.
Daarom
herhaal ik met klem mijn verzoek om de gespecificeerde rekening, zodat ik
kan betalen en mijn eventuele bezwaren tegen die rekening onder woorden
kan brengen. Ook van de 2e curator krijg ik geen antwoord, ook niet op
mijn herhaalde verzoeken. Ik krijg geen rekening. Ik kan niet betalen,
omdat ik niet weet wat ik moet betalen. Wel krijg ik op 5 juli 2001 een brief met betrekking tot
'de financiële stand van het faillissement'. In die
brief staat letterlijk: 'Dat standpunt herhaalt hij in zijn brief d.d 31 juli 2001. Duidelijk is dus dat de psycholoog
Kuypers op die datum zijn vordering niet heeft ingediend en ik dus zijn
vordering niet hoef te voldoen.
Met
geen woord rept mijn 2e curator over de
'schuldeisers' Peters en de stichting Advocadur, wiens vordering, zoals
hij dat uitdrukt in zijn brief van 6 april 2001 aan mr. Peters en aan de
stichting Advocadur 'hij niet kan plaatsen op de lijst van
voorlopig erkende concurrente crediteuren nu uw vordering betrekking heeft
op de periode van voor 4 januari 2001, zijnde de datum van het
faillissement'. Ook daarom ga ik er dus van uit dat de
rechter-commissaris heeft doorgegeven dat deze schuldeisers van hun schuld
afzien. Dat heb ik immers met hem afgesproken en die afspraak heb ik
schriftelijk bevestigd.
Wat
mr. Doon wel doet is mij brieven schrijven, waarin hij niet ter zake
doende standpunten inneemt over de gezamenlijke rekening van mijn vrouw en
mij bij de Rabobank. Ik schrijf mijn 2e
curator dat met mijn 1e curator de
afspraak gemaakt is om ter vermijding van kosten de rekening bij de RABO
en de ING ongemoeid te laten en de gehele uitkering in de
faillissementsboedel te laten vallen. Het helpt niets. Hij gaat gewoon
door met zijn correspondentie met de Rabobank. Mijn verzoeken aan
de R.C. om de 2e curator te dwingen zich
te houden aan de met de 1e curator
gemaakte afspraak halen niets uit.
18. Vanaf augustus 2001: ander doen en laten van de
2e curator mr. Doon
Ook
weidt mijn 2e curator uit over een met de
schuldeiser Schouwink te sluiten akkoord, ook al heb ik dat al vele malen
aangeboden en is dat resoluut afgewezen. Verder bestookt hij met brieven
over zijn kosten en over tal van andere onderwerpen, die niet ter zake
doen. Het enige dat ter zake doet en dat ik hem diverse keren
schrijf is dat ik op 19 april 2001 met de rechter-commissaris heb
afgesproken dat ik ga betalen om op die wijze het faillissement en ook de
werkzaamheden van de curator te beëindigen en dat ik daarom moet weten wat
ik inclusief zijn kosten moet betalen.
Bij
brief d.d 2 augustus 2001 laat hij mij
eindelijk weten: 'Het is enkel en alleen aan de rechtbank om mij
een salaris toe te kennen. De tarieven daarvoor liggen vast in de
richtlijnen. Het is ook aan de rechtbank om te oordelen over de
rechtmatigheid, doelmatigheid, etc, van de door mij uitgevoerde
werkzaamheden. Ik zal derhalve niet ingaan op uw verzoek om die
werkzaamheden aan u te specificeren'.
Daarmee levert de 2e curator Doon het zoveelste
bewijs dat hij als een echte advocaat slechts ingaat op feiten, die hem
welgevallig zijn. Hij gaat immers geheel en al voorbij aan het feit dat
het niet om mijn verzoek gaat, maar om dat van de rechter commissaris.
Hij gaat ook niet in op mijn argument of beter dat
van de rechter-commissaris, dat betaling van mijn schuld een einde maakt
aan het faillissement, verdere kosten vermijdt en de
verificatievergadering niet nodig maakt.
Op 10 augustus 2001 stuurt mr. Doon de stichting
Advocadur en mr. Peters een brief waarin hij in tegenstelling tot zijn
eerdere brieven d.d. 6 april 2001 en 5 en 31 juli 2001 de een en de ander
tot schuldeiser verheft, dit met het oog op de verificatievergadering te
houden op 18 september 2001 om 15.30 uur in het gerecht te Zutphen.
Die brief aan mr. Peters is gericht aan het adres van de stichting
Advocadur. Mr. Peters, een ons inziens door doen en laten van de Orde van
Advocaten in zijn arrondissement getraumatiseerde en uit de orde gestoten
advocaat, is echter met de noorderzon vertrokken, zonder een adres of
telefoonnummer achter te laten, waarop wij hem kunnen bereiken.
Uitgaande van de hierboven genoemde feiten is er voor
mijn curatoren geen enkele reden om aan te nemen dat 'mr. Peters en de
stichting hun 'schuldvorderingen' door zouden willen zetten'. Eén brief
met de duidelijke vraag of voornoemde 'schuldeisers' hun vordering al dan
niet handhaven zou genoeg zijn geweest om de verificatievergadering te
voorkomen. Mijn curatoren schrijven op mijn kosten vele nodeloze brieven,
maar díe brief niet. Dat alles laat ik de toezichthouder op de
goede gang van zaken in mijn faillissement, mijn rechter-commissaris
weten. Die antwoordt echter niet. Daarom wend ik mij maar weer tot
de man met brieven d.d 6, 13 augustus en 11 en 17
september 2001, waarin ik hem onder andere wijs op de onwil van de
curator om mijn zijn gespecificeerde rekening te sturen en op de onnodige
acties van mijn 2e curator richting
Rabobank Wehl.
Ik heb
van mijn levensdagen nog nooit van een verificatievergadering gehoord en
raadpleeg de Koninklijke Vermande uit onze niet genoeg te prijzen
dorpsbibliotheek. Daarin lees ik wat de zin en de bedoeling van zo'n,
verificatievergadering is. Dan valt mijn oog op art. 108.
Ik
lees: 'De R.C. bepaalt uiterlijk binnen 14 dagen nadat het vonnis
van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan':
1) den dag waarop uiterlijk de
schuldvorderingen moeten worden ingediend;
2) dag, uur en plaats waarop
de verificatievergadering gehouden zal worden.
Ik ben
4 januari 2001 failliet verklaard maar de rechter-commissaris heeft pas op
18 september 2001 den dag bepaald waarop uiterlijk de
schuldvorderingen moeten worden ingediend en den dag, het uur en de plaats
waarop de verificatie gehouden zal worden.
Verder
stelt de wet allerlei eisen met betrekking tot 'het onderzoek door
de curator', 'door de gefailleerde te geven inlichtingen bij de
verificatievergadering', 'verdaging van de vergadering', 'de
eedsaflegging', 'verwijzing naar de Rechtbank bij betwisting van een
vordering', 'betwisting door de gefailleerde van een vordering', 'het op
te stellen proces-verbaal', etc, etc. Maar mijn curator, mijn R.C.
en mijn griffier houden zich aan geen van deze en andere in wetsartikelen
omschreven eisen.
Ik wil
- ik kan het niet genoeg herhalen - al vanaf 19 april 2001 betalen. Er
hebben zich geen andere schuldeisers aangemeld dan de erven Schouwink. Op
19 april 2001 heb ik de R.C. gezegd en geschreven dat ik al zijn adviezen
zou opvolgen en zou betalen. Ik heb de rechter-commissaris gezegd
en geschreven dat de stichting Advocadur en mr. Peters hun
schuldvorderingen intrekken.
De
curatoren weigeren om gespecificeerd aan te geven wat ik aan hen moet
betalen. Ik kan derhalve niets doen wat een einde maakt aan mijn
vermaledijde faillissement en dat is betalen. De
verificatievergadering dient daarom geen ander doel dan verkwisting van
tijd, die de rechtbank te Zutphen beter voor andere doeleinden had kunnen
gebruiken; geen ander doel dan het spekken van de beurs van mijn 1e en 2e curator
met een voor mij nog altijd onbekende hoeveelheid geld. Dat en nog
veel meer schrijf ik en ook de stichting Advocadur aan de
rechter-commissaris op 11 september 2001. Maar
deze antwoordt niet, is kennelijk nog altijd met verlof en zijn
plaatsvervanger is nog altijd onbekend.
Pas op
17 september 2001 laat de rechter-commissaris
weer van zich horen met een brief waarin hij op mijn verzoek mededeelt:
'de verificatievergadering is openbaar en de kosten van de curator
behoeven niet geverifieerd te worden'. Ook schrijft hij dat de brief van
11 september 2001 nog beantwoord zal worden. 'Geen specificatie,
geen verificatie van de kosten van de curatoren'.
De
moed zakt me samen met tal van onbeantwoorde vragen in de schoenen.
Al vele maanden snak ik naar het einde van mijn faillissement. Maar
dat einde komt maar niet. De dag van de verificatievergadering
nadert. Mijn onvrede stijgt van dag tot dag en van slapeloze nachten tot
slapeloze nachten. Die onvrede steek ik samen met mijn vrienden van
Advocadur in een pleidooi, waarin ieder woord op zijn plaats valt.
19. 18
september 2001: de verificatievergadering
Pas
dan schrijf ik brief na brief aan de rechter-commissaris, in een poging
begrip te vinden. Ik wijs hem op de woorden van prof. Kortmann in de
media: 'Waar het mij om gaat is duidelijk te maken dat de wetgever
aan de rechter-commissaris een van de hoofdrollen heeft toegekend.
Hij is een hoofdrolspeler die in de eerste plaats toezicht moet houden op
het beheer en de vereffening door de curator teneinde er voor te waken dat
de belangen van alle betrokkenen naar behoren worden behartigd. Daarnaast
is hij tot op zekere hoogte 'medebeheerder' van de boedel en
geschillenbeslechter.'
Ook
over de verificatievergadering ontstaat er een lange correspondentie, die
me steeds meer moeite kost. Ik ben blij dat ik heb volgehouden. Want óók die correspondentie legt de vinger op het
onrecht en spreekt voor wie horen wil.
20. 26
september 2001: de rekening van de curatoren
Mijn
rust is van korte duur. Op 26 september 2001 krijg ik te langen leste de
rekening van de curatoren, dat wil zeggen krijg ik een 'uitgebreid
dossieroverzicht', waarin op acht pagina's de werkzaamheden van de 1e en de 2e
curator tot en met 14 augustus 2001 worden opgesomd. Van de R.C. heb ik
tijdens ons gesprek op 19 april 2001 begrepen dat ik de curatoren moet
betalen. 'Hoeveel?, dat kon hij mij niet zeggen, zelfs niet ten naaste bij
'. Uit mijn berekeningen, die ik baseer op de met de 1e curator duidelijk gemaakte afspraak heb ik
gerekend op werkzaamheden van een uur of 5, die mij tegen een voor mij
nimmer bekend gemaakt uurtarief in rekening gebracht zullen worden.
Maar
op 26 september 2001 lees ik dat het uurloon van mijn 1e curator € 147,16 of te wel f 327 en voor de
2e curator € 170, 18 of te wel f 378
bedraagt.
Ik
weet niet wat ik lees. Het telefoontje van mijn 1e curator op 12 januari 2001, dat te laat komt
om in beroep te komen tegen het faillissementsvonnis, wordt mij wel voor €
36,87 in rekening gebracht. Het
bezoek op 22 januari 2001 van mijn 1e
curator, waarbij hij alle tijd nam en de koffie en zijn sigaretje goed
liet smaken, kost daarom € 258,09.
Voor
de reis per auto van Doetinchem naar Wehl en terug naar Doetinchem (afstand 14 km) rekent mijn
1e curator € 73,74.
Voor
het openen van een aan mijn vrouw, aan mij of aan de stichting Advocadur
ter attentie van mij gestuurde brief, berekent mijn 1e curator 5 minuten. Dat kost per brief €
12,29, exclusief de BTW. De postblokkade, die tot 3 oktober 2001 duurt
levert met 41 brieven € 503,89 op.
Telefoongesprekken van derden leveren € 167,32 op.
Door de curator gevoerde gesprekken kosten € 172,06. Samen studeren mijn
curatoren op mijn faillissement. Die studie kost € 867,70. Aan
'voorbereiden, voorbereiden conferenties en verhoren' hangen mijn
curatoren een prijskaartje van € 592,19.
Voor
'ontwerpen, opstellen stukken' en 'O/O (ontwerpen en opstellen) andere
stukken' wordt € 612, 62 in rekening gebracht. Uit het
'uitgebreide dossieroverzicht' blijkt dat mijn curatoren op mijn kosten 'telefoneren, corresponderen, intern
overleggen, confereren, brieven openen, de ontvangen gegevens, literatuur
en jurisprudentie bestuderen, in het algemeen voorbereiden, maar ook
conferenties en verhoren voorbereiden, stukken opstellen en ontwerpen,
zittingen bijwonen en reizen'.
Voor
de door de Rabobank in Wehl in gang gezette werkzaamheden brengt mijn
2e curator mij € 579.34
in rekening.
Mijn
curatoren hebben zich van 8 januari 2001 t/m 14 augustus 2001 34.30 uur
met mijn vermaledijde faillissement beziggehouden. Op de laatste pagina
lees ik dat mijn curatoren hun werkzaamheden in rekening hebben gebracht
tegen het onvoorstelbare bedrag van € 5271,18. Dat bedrag zal in verband
met werkzaamheden na 14 augustus 2001 zoals 'nakosten, BTW, 'kantoor- en
publicatiekosten' (€ 675,53) nog oplopen tot € 7251.
Ik ben
compleet overdonderd. In tegenstelling tot de geruststellend woorden van
19 april van de rechter-commissaris 'valt de rekening helemaal niet mee'.
Heel de rekening is een aanfluiting van Recht, die van kostenpost tot
kostenpost tegen mijn rechtsgevoel en dat van vele andere mensen indruist.
De
emoties, die de rekening oproept, laat ik, zoals ik me heb voorgenomen,
weg. Ik beperk mij tot de vaststelling dat de rekening inslaat als een bom
en dat lezing van die rekening tot de dag van vandaag verontwaardiging,
woede, machteloosheid, kortom onvrede teweegbrengt, die duidelijk worden
uit het navolgende commentaar en kritiek op de rekening.
21. Commentaar en kritiek op de
rekening van de curatoren
1) Bij het 'uitgebreide dossieroverzicht'
prijkt van pagina tot pagina de kolom: 'Niet declarabel'. Die kolom blijkt
van pagina tot pagina leeg, dit in tegenstelling tot. de kolom
'gedeclareerd', die overvol blijkt.
2) Ook blijkt dat de heer Vestiens mij op 12
januari 2001 voor de eerste keer belt en dat gesprek, dat hij 15 minuten
laat duren, in rekening brengt voor € 36,87.
3) Vele werkzaamheden zoals: 'telefoon,
ontwerpen, studie, niet eerder genoemd, intern overleg, etc', worden niet
nader gespecificeerd, maar wel in rekening gebracht.
4) Het uurloon, dat mij tot 26 september 2001
niet wordt genoemd bedraagt voor de 1e
curator € 147, 16 en voor de 2e €
170,18. Mevr. mr. A. Weersink van hetzelfde kantoor heeft zich ook even
met mijn faillissement beziggehouden en wel tegen een uurtarief van €
171,48. Dat maakt een verschil uit van € 24,32, in guldens van f 54,- met
het uurloon van mijn 1e curator en van 30
eurocenten met het uurloon van de 2e
curator Die opmerkelijke verschillen in uurloon worden niet verklaard.
5) De eerste curator rekent voor iedere 'brief
aan derden' steevast 5 minuten (€ 12,29), maar de tweede curator 10
minuten (€ 28,36) of meer dan tien minuten. Ook dat verschil blijft
onverklaard.
6) Het simpele handwerk van openen en de
lezing van alle brieven van derden wordt zonder enig onderscheid,
kritiekloos tegen een bedrag van € 12,20 excl. BTW in rekening gebracht.
Het maakt mijn 1e en mijn 2e curator niet uit van wie de brieven afkomstig
zijn. Een brief van Super de Boer met de reclame van de week of over de
soepkippen in de aanbieding, van prof. B. Smalhout, met wie ik over mijn
3e boek overleg voer, van National
Geographic, de ANWB, de Rabobank, het GAK, van een vriend, van de
belasting, de gemeente, en zo voort, voor de curatoren maakt het geen
verschil.
Iedere brief wordt opengemaakt, ingekeken en
vervolgens voorzien van een plakkertje met daarop de hoogstaande tekst:
'akkoord' en de handtekening van mijn curator, die van brief tot brief
goed is voor minimaal € 12,20 excl. de BTW.
7) Mijn eerste curator bestudeert op 23
januari 2001 45 minuten de literatuur en de jurisprudentie. Kosten:
€ 110,81. Hij geeft niet aan waar die studie en jurisprudentie zich
op richten. Op 5 mei 2001 stort mijn 1e
curator zich tegen de gemaakte afspraak in op de 'studie van de literatuur
en de jurisprudentie afstandsverklaring' en hij schrijft daarover een
brief aan de R.C. Een en nader neemt volgens de curator twee uur in beslag
en kost mij € 294,96. Er blijkt nog niet genoeg gestudeerd te zijn over
die afstandsverklaring want op 10 mei 2001 en op 25 mei zet mijn 2e curator, mr. J. Doon zich aan dezelfde
studie. Die studie neemt twee uur in beslag. Bovendien begint mr. Doon een
briefwisseling over die afstandsverklaring met de Rabobank, dit tegen de
afspraak in, die de 1e curator en ik
daarover maakten. Studie en briefwisseling kosten mij € 510,44. Dan
hebben zich nog de heren/dames G.W. Wullink en A.M. Veldhuis 1,5 uur met
de afstandsverklaring beziggehouden tegen een tarief van € 120,61.
Ondanks alle studie en kosten is er nimmer een duidelijk, met redenen
omkleed, standpunt gekomen.
8) Het nodeloos openen en lezen van brieven,
die, zoals ik de curator en de R.C. keer op keer schrijf, stuk voor stuk
niet met het faillissement te maken hebben, kost mij € 503,89. Het mij
niet tijdig in kennis stellen van belangrijke brieven van de
procureur-generaal, uit Spanje of van andere brieven kost mij een niet
nader te omschrijven kapitaal aan emoties en geld. Desalniettemin slaat
mijn 1e curator mij bovendien aan voor €
24,58, omdat hij 'op 13 februari 2001 de poststukken geordend heeft'.
9) Uitgaande van art. 68, lid 1 van de
faillissementswet is 'de curator belast met het beheer en de
vereffening van de faillieten boedel'. Uitgaande van de in de wet
omschreven taak hebben mijn curatoren naast voornoemde taak tal van
werkzaamheden uitgevoerd en in rekening gebracht die niets met die taak te
maken hebben.
Mijn schuldeisers zijn er geen cent rijker van
geworden. Los daarvan hebben beide curatoren zich niet gehouden aan tal
van andere van toepassing zijnde wetsartikelen en hebben ze zich diverse
keren verrekend. Bijvoorbeeld in de uitdelingslijst verrekent mijn 2e curator zich ten nadele van mij met € 74,80.
Als de
griffier mij naar behoren had geïnformeerd, dan was er geen faillissement
en geen curatorenrekening geweest. Als de rechter-commissaris de moed
gehad zou hebben om de curatoren op de vingers te tikken, zouden de kosten
van de curatoren tot een minimum beperkt zijn gebleven. Hetzelfde geldt
wanneer de curatoren zich aan hun woord hadden gehouden en de rechters
verder hadden gekeken dan de mening en het advies van de
rechter-commissaris over de rekening van de curatoren.
Op
pagina 1 van het dossieroverzicht staat linksboven als 'verantwoordelijke voor het dossier' mijn 2e curator mr. J.M.J.M. Doon vermeld.
Bovenstaande kritiek en alle andere kritiek op de curatorenrekening is dus
in eerste instantie gericht op U mr. Doon.
€ 7251
voor verbroken beloftes, voor het niet tijdig doorsturen van brieven,
waardoor ik schade geleden heb en zal lijden, voor het openen van niet ter
zake doende brieven, kortom een kapitaal geïnd voor onnodige, niet
logische, niet redelijke, onbillijke werkzaamheden.
Al de
mensen die ik tot nu de rekening van mijn beide curatoren heb voorgelegd,
vinden net als ik die rekening van € 7251 euro's onverantwoord. Toch wens ik mijn curatoren veel
geluk met mijn van minuut tot minuut afgetroggelde geld.
De
vraag of u met een gerust hart en geweten van mijn geld kunt eten,
drinken, reizen of anderszins kunt genieten, wordt beantwoord door de
feiten die ik hierboven heb aangegeven en hieronder zal aangeven. Het
antwoord blijkt ook uit uw eigen rekening of 'uitgebreide
dossieroverzicht', waarvan hieronder de helft, die al genoeg zegt, is afgedrukt.
De totale rekening staat ter beschikking voor wie daar om vraagt en te
zijner tijd op Internet.
22. 2
oktober 2001: tweede gesprek met de R.C.
De
mijns inziens schaamteloze rekening van de curatoren, de bespottelijke en
pijnlijke gang van zaken bij de verificatievergadering, de door de
rechter-commissaris, mr D. Vergunst en de 2e curator, mr. J. Doon verbroken beloftes en
afspraken, het ontbreken van informatie, waardoor ik failliet ben
verklaard, de flauwekul met de postblokkade, kortom heel de gang van zaken
in mijn faillissement, brengt mij in alle staten van verzet. Ik wil
erkenning van de curatoren, de griffier en de R.C. voor de gevolgen van de
door hen gemaakte fouten. Ik wil mijn eer terug en het geld dat mijn beide
curatoren in mijn rechtsgevoel gestolen hebben.Tot mijn curatoren durf ik
mij, nu ik eindelijk hun uurloon ken en weet hoe zij aan hun uren komen,
niet meer te wenden.
Mijn faillissement is nog
altijd niet beëindigd, ook al schrijft de rechter-commissaris in zijn
brief van 12 juni 2001: 'Ten vervolge op uw brief d.d. 27 april
2001, ga ik er van uit dat u thans in overleg met de curator beziet op
welke wijze het faillissement op zo kort mogelijke termijn beëindigd kan
worden'. Maar er valt niet te overleggen met mijn
advocaten/curatoren, die er nooit voor mij zijn, die geen antwoord geven
op mijn brieven en telefoontjes en die geen antwoord geven op de vraag hoe
ik een einde aan mijn faillissement moet maken, maar wel op mijn kosten:
'telefoneren, corresponderen, intern opverleggen, confereren,
brieven openen, de ontvangen gegevens, literatuur en jurisprudentie
bestuderen, in het algemeen voorbereiden, maar ook conferenties en
verhoren voorbereiden, stukken opstellen en ontwerpen, zittingen bijwonen
en reizen'.
Omdat mijn blik zich inmiddels als vanzelf hecht aan
mededelingen in de krant over faillissementen lees ik om de haverklap dat
mijn rechter Westhuis talrijke keren tot rechter-commissaris wordt
aangesteld. Dat betekent dus dat mr. Westhuis als rechter-commissaris en
als rechter in faillissementszaken optreedt. Dat kan betekenen dat hij
heeft moeten oordelen over zaken waarin hij opgetreden is. Zeker is dat
rechter-commissaris Westhuis als rechter geoordeeld heeft over het salaris
van mijn 1e en 2e curator en tevens over het toezicht van de
rechter-commissaris daarop. Deze vermenging van functies lijkt mij niet
bevorderlijk voor de onafhankelijkheid van de rechter en dus niet in mijn
belang. In arren moede wend ik mij daarom maar weer tot mijn
rechter-commissaris. Als lid van de stichting Advocadur bestook ik hem met
brieven, waarin we feitelijk kritiek leveren op de curatoren en we hem
keer op wijzen op de noodzaak om als rechter-commissaris in dit
vermaledijde faillissement op te treden tegen de curatoren en hun rekening
en ook tegen de voornoemde vermenging van functies door mr. Westhuis.
Onze
kritiek op de rechter-commissaris steken we niet onder stoelen of banken.
Er komt geen feitelijk reactie op onze argumenten en klachten en er komt
geen bevredigende reactie van de rechter-commissaris. Wel nodigt hij mij
net als op 19 april 2001 op 2 oktober 2001 uit voor een gesprek. Omdat de
rechter-commissaris zich niet gehouden heeft aan de in ons eerste gesprek
d.d 19 april 2001 gemaakte afspraken neem ik dit keer mijn vriend/lid van
de stichting Advocadur/collega free-lance journalist, Th. Gerritsen, als
getuige mee.
Weer
doet de rechter-commissaris vriendelijk. Weer toont hij sympathie voor het
werk van de stichting Advocadur en de door ons uitgegeven boeken. Weer
toont hij begrip voor mijn problemen. Hij is zelfs bereid om een eind te
maken aan de postblokkade en te bevorderen dat het faillissement eindelijk
beëindigd kan worden. Weer zegt hij dat hij de rekening van de curatoren
en mijn kritiek en commentaar daarop kritisch zal bekijken en de rechter
van zijn oordeel in kennis zal stellen.
Maar
van zijn fouten die we hem voorhouden, van de door hem verbroken beloftes,
wil hij niets weten. Al mijn kritische vragen als 'van wanneer tot
wanneer was u op verlof en wie was uw plaatsvervanger? Waarom heeft u -
wat u nu zegt te willen doen - in de afgelopen maanden niet één keer
bevorderd dat het vermaledijde faillissement eindelijk beëindigd kon
worden', worden niet beantwoord.
Als
een volleerd advocaat, probeert hij zich vrij te pleiten. Er ontstaat een
discussie die van het begin af aan gedoemd is op niets uit te lopen. Wij
vragen namelijk iets van mr. D. Vergunst waartoe hij kennelijk niet in
staat is en dat is een ruiterlijk onomwonden erkenning van zijn eigen
fouten en tekortkomingen en die van de curatoren. Van het vertrouwen dat
hij bij mij op 19 april 2001 won blijft niets meer over. Ik weet zeker dat
ook de rechter-commissaris in de rij geplaatst moeten worden van juristen
die niet de moed hebben om op te treden tegen hun falende collegae, in dit
geval de curatoren, en niet het vermogen hebben om met hun eigen fouten om
te gaan. Dat wordt volstrekt duidelijk in ons gesprek. We raken pijnlijke
plekken van Justitie. De rechter-commissaris en ik zijn uitgesproken. Het
onrecht, waarvoor hij en de curatoren verantwoordelijk zijn, blijft en zal
nimmer wennen, zolang ook deze hoeders van mijn Recht hun ongelijk niet
erkennen. Ik ga uit van levenslang.
23. 3
oktober 2001: einde postblokkade
We
wijzen de rechter-commissaris op de willekeur en zijn gebrek aan optreden.
Als te
doen gebruikelijk reageert de rechter-commissaris niet op een hem niet
welgevallig onderwerp. Na ons gesprek van 2 oktober 2001 worden de
talrijke geschillen alleen nog maar schriftelijk behandeld, voor zover je
daarbij van behandeling kunt spreken.
24. 19 april 2002
: einde faillissement?
25. Laatste appèl op mijn
curatoren
Vanaf
12 januari 2001 stel ik vragen aan mijn curatoren, richt ik verzoeken aan
hen, breng ik feiten en argumenten in het geding en doe ik appèl op appèl
op hun verstand en hun gevoel voor redelijkheid en billijkheid. Na het
gesprek met mijn R.C. op 19 april 2001, waarin deze mij wees op de kosten
van de curatoren, richt ik mij, ter voorkoming van kosten, alleen maar tot
mijn curator indien dat noodzakelijk is.
Vanaf
het moment dat zij mij hun discutabele werkzaamheden niet meer peperduur
in rekening kunnen brengen leg ik mij geen beperking meer op. Ik vraag hun
het hemd van het lijf, ga met versterkte krachten uitgebreid de discussie
aan over hun informatieplicht, de postblokkade, de boedelafstand, de
vragen die zij onbeantwoord hebben gelaten, de ten onrechte opgevoerde
schuldeisers mr. Peters en de stichting Advocadur, hun ongemotiveerde
weigeringen mij de gespecificeerde rekening te doen toekomen, kortom ik
wijs hen op hun fouten en tekortkomingen, die uit dit boek spreken.
Ik
vraag keer op keer om de voor mij ontstane schade op basis van
redelijkheid en billijkheid in overleg met mij op te lossen. Maar mijn
1e en 2e
curator willen niets van fouten en tekortkomingen weten, laat staan van
schade.
Zoals
al die falende advocaten die wij/ik in de afgelopen jaren zijn
tegengekomen vinden ook mijn curatoren dat hun niets valt te verwijten en
dat zij het gelijk aan hun kant hebben. Ze schrijven brief op brief,
zoeken naar argumenten, waarmee ze hun doen en nalaten proberen te
rechtvaardigen. Maar mijn kritiek blijft naar mijn overtuiging en die van
redelijke mensen om mij heen, die in staat zijn om te oordelen en te
beoordelen, recht overeind.
Vanaf
12 januari 2001 ontstaat er een omvangrijke
correspondentie, die eindigt met een brief van de stichting Advocadur d.d
31 januari 2003 aan de curator Doon, waarin
een aantal vragen gesteld worden, die de curator niet beantwoordt. De
correspondentie bestaat uit 89 pagina's van A4 - formaat. Deze
correspondentie staat voor wie daarin geïnteresseerd is ter beschikking.
'Zoals ik u al aangaf geef ik u geen toestemming om
gebruik te maken van mijn naam noch de naam van mijn kantoor, noch geef ik
u toestemming om gebruik te maken van de feiten, waarop u kennelijk in uw
schrijven doelt. Doet u zulks desondanks toch dan stel ik vast dat u in uw
berichtgeving onjuist, onheus of onzorgvuldig bent, dan zal ik niet
aarzelen tegen uw stichting en degene, die van uw stichting bij de
publicatie betrokken zijn de mij ter beschikking staande rechtsmiddelen te
gebruiken'.
In
mijn berichtgeving over de gang van zaken in mijn faillissement heb ik me
laten leiden door de feiten. Die berichtgeving is naar mijn overtuiging
niet alleen 'juist, heus en zorgvuldig' maar ook
noodzakelijk, hetgeen af te lezen is uit dit boek en uit heel de
correspondentie met mijn curatoren.
Desalniettemin heb ik mijn curatoren op de hoogte
gesteld van de inhoud van dit boek en de daarbij horende correspondentie
en verzocht aan te geven of en zo ja waar en waarom ik in mijn
berichtgeving: 'onjuist, onheus of
onzorgvuldig' ben geweest, zodat ik daar rekening mee
kan houden bij de uiteindelijke publicatie.
Ik wacht op antwoord.
26. Laatste appèl op mijn
rechter-commissaris
Vanaf 31 januari 2001 richt ik mij tot de R.C. met
vragen over het doen en laten van de curatoren.
Ook
met mijn R.C. ga ik uitgebreid de discussie aan. Ik stel hem op de hoogte
van alle feiten, die uit dit boek spreken. Ik voer argumenten aan en stel
vragen, waarvan er vele onbeantwoord blijven.
Ik
formuleer klachten over het doen en laten van mijn curatoren en vraag hem
om die klachten te behandelen. Ik vraag hem om de kritiek op de rekening
van de beide curatoren, waarvan hij de rechters, die daarover dienden te
oordelen niet in kennis heeft gesteld, als nog aan die rechters te doen
toekomen. Ik vraag hem twee jaar lang om, alvorens te beslissen over al
mijn vragen en verzoeken, getuigen te horen, die deskundig zijn met
betrekking tot de problemen die ik hem voorhoud. Ook hem vraag ik het hemd
van het lijf en ook op hem doe ik appèl op appèl om tot een redelijke en
billijke oplossing te komen.
Mijn
R.C schrijft brief op brief, waarin hij naar argumenten zoekt, waarmee hij
zich probeert te rechtvaardigen. Het zijn gezochte argumenten, waarmee
mijn vragen niet beantwoord worden en de klachten over de curatoren niet
behandeld worden. Hij schrijft vier keer dat 'hij de correspondentie
definitief beëindigd', maar gaat toch telkens weer in op de feiten
en argumenten die ik hem voorhoud.
Hij
schrijft dat ' maar onderneemt niets tegen die beschuldigingen. Hij
schrijft en blijft schrijven en hij blijft praten. Maar het is praten
tegen een dove en drukken tegen een deur die niet open wil. Ook mijn R.C.
wil niets van fouten en tekortkomingen weten. Ook mijn R.C. vindt dat hem
niets te verwijten valt en dat hij het gelijk aan zijn kant heeft. Maar
naar mijn oprechte overtuiging en die van redelijke mensen om mij heen,
die in staat zijn om te oordelen en te beoordelen blijft mijn kritiek
recht overeind.
Vanaf
31 januari 2001 ontstaat er een omvangrijke correspondentie, die eindigt
met een brief van de stichting Advocadur d.d. 3 december 2002, waarin voor
de zoveelste keer op rij vastgesteld wordt dat de rechter - commissaris
'niet ingaat op feiten en stellingen en een groot aantal vragen open
laat'. De correspondentie bestaat uit 157 pagina's van A4 -
formaat. Voor wie daarin geïnteresseerd is, zal die correspondentie
spreken.
Op 5 november 2002 schrijft mijn rechter commissaris
de stichting Advocadur: 'Ten aanzien van het aangekondigde
verslag en de drukproeven volsta ik met een verwijzing naar artikel 7 van
de Grondwet: Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers
gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens iedere verantwoordelijkheid
voor de wet'. Van die vrijheid heb ik noodgedwongen gebruik
gemaakt.
In
mijn verslag over de gang van zaken in mijn vermaledijde faillissement heb
ik naar eer en geweten mijn 'gedachten geopenbaard'. De 'gevoelens' van
woede, machteloosheid en al die andere onvrede die het doen en nalaten van
mijn rechter-commissaris, de heer mr. D. Vergunst, bij mij hebben
opgeroepen heb ik proberen weg te laten'. Die gevoelens spreken uit alle
beschreven feiten en uit al de informatie die voor wie daarom verzoekt,
ter beschikking staat.
27. Vrijdag
27 december 2002: een uit het hart gegrepen tekening
Op 27
december 2002 neemt de Telegraaf een door mij ingezonden brief op. Die
brief schrijf ik naar aanleiding van een artikel d.d. 12 december 2002
over onjuiste declaraties van een omstreden topcurator.
Mijn
woorden over mijn zich rijk rekende curatoren inspireren de tekenaar van
de Telegraaf, de heer B. Witte, tot een spotprent, die prachtig verbeeldt
hoe ik mijn curatoren voor me zie. Miljoenen mensen lezen kort samengevat
wat ik in mijn vermaledijde faillissement heb meegemaakt en zien een
beeld, dat naadloos aansluit bij het beeld en de gevoelens, die beide
heren bij mij hebben opgewekt.
Zoals
altijd bij kritische woorden over ons rechtsbedrijf krijg ik ook dit keer
vele, vaak hartverscheurende reacties, die mijn overtuiging dat er
structurele oorzaken ten grondslag liggen aan de ellende die mensen met
hun Recht ondervinden, keer op keer bevestigen.
De
tekening doet me zo goed dat ik die de lezers van dit boek niet wil
onthouden. Een kopie van de publicatie en de tekening heb ik aan mijn
curatoren en aan de rechter-commissaris doen toekomen, met het verzoek om
mijn in het openbaar afgedrukte beschuldiging tegen te spreken. Er volgt
geen reactie.
Tweede deel:
Formeel
verzet tegen de gang van zaken in mijn faillissement / Appèl op appèl
In
deel 1 heb ik aangegeven dat en waarom al mijn pogingen om de
rechter-commissaris en de curatoren tot een redelijke oplossing te
bewegen. op niets zijn uitgelopen. Al mijn brieven blijken voor niets
geschreven, de gesprekken voor niets gevoerd, de geïnvesteerde tijd en
moeite, alle in het geding gebrachte feiten en argumenten, het lijkt
allemaal voor niets geweest. Justitie blijkt een slechte verliezer.
Ook
mijn rechter-commissaris heeft mij weliswaar een grote hoeveelheid brieven
geschreven, twee keer met mij gesproken, maar ook hij heeft mijn klachten
over de curatoren niet behandeld, ook al schrijft de griffier in zijn
brief d.d 13 juli 2002: 'Voor klachten over de curator kunt u
bij de rechter-commissaris terecht'. Mevr. Van Haaften van de Raad
van Toezicht van Advocaten in het arrondissement Zutphen, schrijft op 11
juni 2002: 'Tot slot bericht ik nogmaals dat de heer Terharte
klachten over de wijze waarop de curator zijn faillissement afwikkelt kan
indienen bij de rechter-commissaris in faillissementszaken'.
Maar
bij mijn 'rechter-commissaris in faillissementszaken' kan ik niet terecht.
Hij weigert getuigen te horen. Hij wil zijn licht niet opsteken bij de
door mij genoemde deskundigen in faillissementszaken. Hij regelt allerlei
zinloze zittingen, waarmee mijn curatoren zich louter door hun
aanwezigheid kunnen verrijken, maar nimmer een zitting, waarin de
curatoren en ik gehoord worden over mijn klachten. Mijn smeekbeden om de
zinloze, mijn geld verslindende postblokkade op te heffen worden negen
maanden niet gehoord en dan ineens zonder enige verklaring wel. Al mijn
kritiek op het doen en nalaten van de curatoren wordt niet gewogen. De
rechter-commissaris wijst mijn kritiek simpel af. De excessieve rekening
van mijn curatoren keurt hij zonder slag of stoot in zijn geheel goed.
Mijn goed onderbouwde kritiek van zeven pagina's op de curatorenrekening,
die veel verder en dieper gaat dan de kritiek in dit verhaal, wordt niet
ter harte genomen.
Mijn
rechter-commissaris heeft op al datgene waarvoor de curatoren naar mijn
overtuiging diep bij mij in de schuld staan, niets aan te merken. Mijn
verzoeken om mijn kritiek op de rekening in een mondelinge hoorzitting ten
overstaan van een onafhankelijke rechter te laten spreken, worden
afgewezen. Zonder mij te horen keurt uiteindelijk de rechter mr. Westhuis
de rekening goed.
Naar
het oordeel van mijn rechter-commissaris, die toezicht heeft moeten houden
op de gang van zaken in mijn faillissement, hebben de curatoren zich
gedragen zoals dat goede curatoren betaamt en treft hen geen enkele blaam.
Alle ellende die het faillissement teweeg heeft gebracht en die ik
hiervoor beschreven heb, heb ik naar het oordeel van mijn curatoren en
mijn rechter-commissaris '
De
houding, de opstelling en al die verschrikkelijke brieven van mijn
curatoren en mijn rechter-commissaris leiden tot de woede, de
verbijstering, de vernedering, de machteloosheid, de rechteloosheid,
kortom tot de grote en heftige onvrede, waaraan ik - zoals voorgenomen -
geen woord vuil wil maken. Maar het feitelijk onrecht dat ik in het
faillissement ondervind, wil ik laten spreken. Daarom wil ik me zo goed
mogelijk informeren en laten informeren. Ik wil de mening horen van
deskundigen.
Ik
vind dat ik recht heb op een objectief oordeel over de gang van zaken in
mijn faillissement, een oordeel waaraan mijn curatoren, de
rechter-commissaris en mijn rechters niet zijn toegekomen. Daarom teken ik
samen met de Stichting Advocadur, waarvan ik de voorzitter ben, formeel
verzet aan. Daarom formuleren we negen klachten over het functioneren van
mijn curatoren en veertien over de rechter-commissaris.
We
zijn vastbesloten om ook vast te leggen hoe het bestuur van het Gerecht en
de Deken/Raad van Toezicht van de orde van advocaten met onze klachten
omgaan. We worden gedreven door de overtuiging dat een zorgvuldig oordeel
over mijn klachten bij zal dragen aan de verbetering van de rechtspositie
van failliete mensen zoals ik.
Hieronder doe ik verslag van de ervaringen, die
wij/ik opdoen.
1. Appèl op
rechtswetenschappers om een standpunt in te nemen
2. Appèl op
de Vereniging van Insolventieadvocaten INSOLAD om een standpunt in te
nemen.
3. Appèl op
curatoren en op griffiers en rechters-commissaris, advocaten / curatoren
van andere rechtbanken om een standpunt in te nemen.
4. Appèl op
de Deken/Raad van Toezicht om mijn klachten over de curatoren te
behandelen
Klachten over het doen en laten van mijn
advocaten/curatoren moeten ingediend worden bij de Deken/Raad van Toezicht
van het arrondissement waarin de betrokken advocaat/curator werkzaam is.
'Om mijn zaken in andere banen te leiden' heb ik mij al op 14 juni
2001 gewend tot de Deken/Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Arnhem en Zutphen met het verzoek mij te helpen bij de
formulering van mijn klachten over de beide advocaten die als mijn curator
zijn opgetreden.
Alle
hierboven onder hoofdstuk 1, 2, 3 en 4 genoemde informatie die ik in de
loop der tijd vergaar, doe ik aan de Deken/Raad van Toezicht toekomen.
Voor lezers die de bestaande regeling bij klachten over advocaten/
curatoren niet kennen, wijs ik kort op het volgende: Bij klachten over het
doen en laten van een advocaat, dient de rechtzoekende burger zich, zoals
in de Advocatenwet staat, te wenden tot de deken.
De Advocatenwet is van 23 juni 1953, die conform
het Staatsblad 365 om het navolgende gaat: 'houdende instelling van de Nederlandse
Orde van Advocaten alsmede regelen betreffende orde en discipline voor
advocaten en procureurs'.
Die orde en discipline gelden dus ook voor curatoren.
De deken is de eerste bij wet aangewezen persoon om de orde en discipline
van de advocaten in zijn arrondissement te bewaken. Een
arrondissement is het rechtsgebied van een rechtbank. Mr. Vestiens valt
onder het arrondissement Arnhem en mr. J. Doon onder arrondissement
Zutphen. Beide Raden van Toezicht besluiten om mijn klachten over de
advocaten/curatoren door één Raad van Toezicht en wel die in Zutphen te
laten behandelen.
De Orde van Advocaten in een arrondissement wordt
vertegenwoordigd door de Raad van Toezicht, die geheel en al uit advocaten
uit het betreffende arrondissement bestaat. De deken is een advocaat uit
het arrondissement en hoofd van de Raad van Toezicht. De taken van een
deken zijn vastgelegd in de al genoemde Advocatenwet.
De Raad van Toezicht en dus ook de deken:
'bevordert een behoorlijke uitoefening der praktijk en is bevoegd
tot het nemen van allerlei maatregelen die daartoe kunnen bijdragen. Zij
ziet toe op de naleving van de plichten van de advocaten' (art. 26).
'Verder dient de deken mensen die daar om vragen een advocaat aan te
wijzen'. (art. 13).
'Je kunt je ook tot de deken wenden en vragen of hij
je wil helpen bij het formuleren van jouw klacht. (art. 46c lid
1).' Artikel 46c lid 4 zegt: 'De klacht wordt
schriftelijk ter kennis van de deken gebracht'.
Naast de in de Advocatenwet opgenomen regels ter waarborging
van de kwaliteit van het werk van de advocaat, heeft de Nederlandse Orde
van Advocaten een aantal gedragsregels opgesteld die aangeven:
'Wat een
advocaat uit een oogpunt van behoorlijke beroepsuitoefening al dan niet
betaamt'.
In het Ten geleide van deze gedragsregels uit 1992 staan
prachtige volzinnen als:
Een deugdelijke en zorgvuldige
behandeling van de zaken is een eerste plicht van de advocaat.
De advocaat wordt ook buiten het hem
toegekende procesmonopolie door de maatschappij erkend als iemand die een
wezenlijke rol vervult in de rechtsbedeling.
Een goede beroepsuitoefening is een
openbaar belang.
Het klinkt allemaal zó mooi, net als de
Kersttoespraak van de Koningin, dat er eigenlijk niets mis lijkt te kunnen
gaan. Maar de schijn bedriegt!
In de
afgelopen twaalf jaar heeft de stichting Advocadur tientallen klachten
over advocaten ter behandeling voorgelegd aan dekens en Raden Toezicht.
Van geval tot geval blijkt er bij de behandeling van klachten over
advocaten van alles mis te zijn.
De
behandeling van mijn klachten over mijn advocaten/curatoren laat dezelfde
tekortkomingen zien die de stichting Advocadur in meer dan tien jaar in
vele gevallen heeft vastgesteld.
De
behandeling van klachten duurt ook in mijn geval jaren.
De
deken krijg ik nimmer te zien of te spreken. Ik weet dus niet eens hoe die
man of die vrouw heet. Mijn brieven worden beantwoord door mevrouw mr. D.
van Haaften, adjunct-secretaris van de Raad van Toezicht. Het onderzoek
door de Deken/Raad van Toezicht van mijn klachten over de curatoren reikt
ook dit maal niet verder dan een briefwisseling tussen de curatoren en
mij, waarbij de curatoren het zich kunnen veroorloven vraag op vraag
onbeantwoord te laten of een verkeerde voorstelling van zaken te geven.
Juist daarom verzoek ik de Deken/Raad van Toezicht
getuigen en deskundigen te horen en om mij met mijn curatoren in een
gesprek met elkaar te confronteren om daardoor feiten boven tafel te
krijgen.
Op mijn verzoek wordt - net als bij zovele andere
klachten over advocaten - niet gereageerd. Bij gebrek aan degelijk en
voldoende onderzoek kan het niet tot het compromis komen, waar de
advocatenwet over spreekt en waarnaar mijn voorkeur uitgaat.
Eindelijk, op 5 augustus 2002 formuleert mr. D. van
Haaften vijf klachten over het werk dat mijn beide curatoren hebben
afgeleverd. In haar informatie aan de Raad van Discipline maakt zij -
ondanks mijn uiitdrukkelijke verzoek - geen gewag van de hierboven
genoemde standpunten van prof. mr. B. Wessels, van mr. F. de Meeter, van
mr. J.W. Westenberg, en ook niet van de vereniging van curatoren INSOLAD.
Die gezagsvolle bronnen leveren informatie op, die zonder meer van belang
is voor mijn klachten over beide curatoren. Die informatie wil ik daarom
aan de klachten toevoegen samen met het feit dat mijn 1e en mijn 2e
curator geen lid zijn van INSOLAD. Ik slaag er echter niet in om die
toevoegingen te bewerkstelligen. Zoals bij zovele Dekens/Raden van
Toezicht het geval blijkt te zijn, gebeurt er ook met mijn klachten,
buiten de briefwisseling met de curatoren, niets.
Door de aanhoudende druk en door vragen van mij en de
stichting Advocadur nodigt de laatst benoemde deken, de advocaat, heer mr.
F. van Oss ons uit op 9 augustus 2003 voor een
gesprek. In dat gesprek doet hij de toezegging om de klachten te
herformuleren. Die herformulering laat op zich wachten tot 12 november
2003. Vervolgens geef ik volgens de gemaakte afspraak bij brief d.d. 21
november 2003 mijn commentaar op de opnieuw geformuleerde klachten, wat er
op neer komt dat de deken aan moet geven dat uit zijn onderzoek blijkt dat
mijn klachten over de curatoren niet of onvoldoende zijn behandeld door de
rechter-commissaris en de president en het bestuur van het gerecht te
Zutphen.
Ook wil ik dat de deken in zijn omschrijving van de
klachten het woord 'schriftelijk' opneemt waar het gaat om mijn klacht dat
de curator, de griffier, de rechter of het Gerecht te Zutphen mij niet
hebben geïnformeerd over het faillissementsvonnis en ook niet over de
kolossale kosten van de curatoren. Met die toevoeging wil ik voorkomen dat
de curatoren zich kunnen beroepen op, c.q zich kunnen verschuilen achter
het vermeende toezicht van de rechter-commissaris en de president/bestuur
van het Gerecht te Zutphen.
Een negatief oordeel over rechters van het Gerecht te
Zutphen lijkt voor de advocaat/deken te veel gevraagd. De volzin dat mijn
curatoren en mijn rechter-commissaris, c.q zijn confraters/collegae mij
schriftelijk noch mondeling die informatie hebben verschaft die voor mij
essentieel was en die veel kwaad had kunnen voorkomen, komt niet uit zijn
mond en ook niet uit zijn pen. Daartoe heeft het onderzoek van de deken
zich niet uitgestrekt. Ook aan mijn keer op keer herhaalde verzoek om het
declaratiegedrag van mijn advocaten/curatoren te onderzoeken, komt de
deken niet toe. Er komt geen teken van leven van de deken, al mijn
herinneringen ten spijt.
Op 12 januari 2004 worden
mijn op 14 juni 2001 ingediende klachten eindelijk naar de Raad van
Discipline te Arnhem verwezen. In plaats van zelf de standpunten te
onderzoeken, die uit mijn brief d.d. 21 november 2003 spreken, verzoekt
deken Van Oss de Raad van Discipline om '2003' inhoudelijk mee te nemen in de
procedure'. Ik ga daarmee maar akkoord in de hoop dat de Raad van
Discipline mijn verzoek om mijn klachten over de curatoren terdege te
onderzoeken wél zal honoreren.
Op 18 februari 2004 word ik door de redactie van het
TV-programma RTL-4 Boulevard telefonisch gevraagd om in hun programma van
19 februari kort een standpunt te formuleren over het tuchtrecht voor
advocaten Ze
leggen die vraag aan mij voor, naar men zegt, vanwege mijn kritische
stellingen en uitspraken over dat tuchtrecht, die zij in de Staatscourant
en andere kranten en tijdschriften zijn tegengekomen. Ook zal de mening
worden gevraagd van de deken van Amsterdam, de heer mr. Van Veggel.
Uiteraard doe ik mee. Alleen al in het belang van al
die rechteloze slachtoffers van advocaten zoals ik, wil ik geen
gelegenheid voorbij laten gaan om mijn kritiek op het tuchtrecht voor
advocaten voor zoveel mogelijk mensen te laten spreken. Die kritiek of
beter mijn overtuiging is kort samengevat dat de behandeling van klachten
onmenselijk lang duurt, niet gericht is op het vinden van recht en
waarheid, daarom de kwaliteit van de advocatuur niet waarborgt. Ik vind
dat slachtoffers van een advocaat/curator er hoe dan ook geen baat bij
vinden. Mijn van geval tot geval in meer dan tien jaar gegroeide
overtuiging laat ik zin het TV-programma zo spreken dat de medewerkers aan
het programma er 'recht voor gaan zitten'.
Dan
komt mr. A. Moszkowicz aan het woord. Ten overstaan van TV-kijkend
Nederland doet hij mijn overtuiging af als 'onzin, die die man met
die baard van Advocadur uitkraamt en als feitelijk onjuist'. Hij
vindt dat 'het tuchtrecht prima werkt en hij vindt het goed dat
het er is'.
De befaamde strafpleiter vermeldt dat in de Raad van
Discipline één rechter en vier advocaten als rechter plaatsvervanger de
klachten beoordelen. Over de schijn van partijdigheid die opgeroepen wordt
door het feit dat advocaten als rechter moeten oordelen over
collega-advocaten rept hij met geen woord.
STICHTING ADVOCADUR i.o
UITGEVERIJ JURILET
Belangeloze bijstand bij
juridisch
letsel
documentatie juridisch letsel
Uw kenmerk :
Ons kenmerk : media77
Wehl, 20 februari 2004
Geachte heer Moscowicz,
In het TV-programma RTL - boulevard van 19 februari
2004 deed u mijn kritiek - en die van vele andere om hun tuchtrecht
verontruste burgers - op het tuchtrecht van advocaten lacherig,
laatdunkend en misprijzend af als 'onzin en feitelijk onjuist',
uitgekraamd door 'die man met baard van Advocadur '
U
stelt dat 'het tuchtrecht voor advocaten werkt en dat het goed is
dat het bestaat'.
Daarom wijs ik u op het volgende:
Samen met andere leden van de stichting Advocadur heb
ik me meer dan 10 jaar verdiept in feiten en achtergronden van mensen die
slachtoffer van advocaten zijn geworden of nog zijn. Ik heb meer dan 10
jaar ervaring met de wijze waarop Dekens en Raden van Toezicht klachten
over advocaten behandelen.
Ik heb klachten voor vele mensen geformuleerd en de
behandeling van die klachten door de Raden en het Hof van Discipline op de
voet gevolgd. Ik heb in al die jaren van klacht tot klacht de
overtuiging opgedaan dat het tuchtrecht voor advocaten 'niet werkt' en
voor de slachtoffers van advocaten helemaal 'niet goed is' en aan de al
bestaande onvrede slechts nieuwe onvrede toevoegt.
Mijn overtuiging heb ik laten spreken in het boek '
Recht op Tuchtrecht, dat u bij uw beroepsvereniging de NOvA kunt bestellen
en in het boek 'Recht in de ogen gekeken', dat u bij ons kunt bestellen of
via uw bibliotheek kunt lenen. Mijn overtuiging over het tuchtrecht
spreekt ook uit vele artikelen en tijdschriften en ook op Internet en wel
op de site van de Sociale Databank Nederland, alwaar u overigens óók van
het boek 'Recht in de ogen gekeken' kennis kunt nemen.
In het licht van mijn uiterst negatieve ervaringen
ervaar ik uw uitspraken in de TV-uitzending als zo misplaatst en
misleidend dat ik u op de man afvraag op welke feiten, gegevens en
ervaringen u zich baseert.
Als u geen feiten en gegevens kunt noemen, verzoek ik
u, zonodig sommeer ik u, om u schriftelijk en in een uitzending van
RTL-Boulevard te excuseren. In dat geval is voor mij de kous af en beperk ik mij
weer tot mijn ideële, maar zeker zo belangrijke werkzaamheden als uw
commerciële activiteiten.
Als u wel over feiten en gegevens beschikt, vraag ik
u op de man af of u deze in een openbare discussie tegenover de
feiten/gegevens, waarover ik beschik wilt plaatsen.
Ik vraag u dat, omdat het in het belang van zoveel
mensen, die bij gebrek aan een advocaat wanhopig recht zoeken voor datgene
dat hun advocaat hen heeft aangedaan, bitter noodzakelijk is dat de
waarheid over het tuchtrecht of beter over heel ons Recht aan het licht
komt.
Voor die discussie hebben we uiteraard meer tijd
nodig dan de formule van RTL-boulevard toelaat. Als u niet of niet naar
behoren reageert op deze brief kan ik in mijn volgende boek 'Een
faillissement dat nimmer went, zolang geen hoeder van mijn recht zijn
ongelijk erkent' in het hoofdstuk over het tuchtrecht voor
advocaten/curatoren slechts vermelden dat u niet reageert op deze brief.
Indien u niet of onvoldoende reageert is een klacht op zijn plaats. Die
klacht is dat zeker een landelijke bekendheid genietende advocaat zoals u
zich in het openbaar niet dient uit te laten over onderwerpen waar hij -
voorzover ik nu kan beoordelen - geen verstand van noch voldoende ervaring
mee heeft.
Juist omdat ik na meer dan 10 jaar ervaring met het
tuchtrecht weet wat voor een behandeling mij ingeval van een klacht tegen
u te wachten staat, weet ik nog niet of ik de moed kan opbrengen een
klacht in te dienen. Inmiddels ontving ik al vele reacties van mensen, die
grote moeite hebben met uw onjuiste en misleidende uitspraken.
Alvorens verdere stappen te zetten wacht ik eerst
verdere reacties op de uitzending af.
Op uw reactie, die wij/ik met zeer veel
belangstelling tegemoet zien wacht ik een maand.
Hoogachtend en vriendelijk groetend,
Namens de stichting Advocadur en Jurilet
Jur Terharte
c.c:
Redactie RTL-Boulevard
Mr. van Veggel (deken RvT arr. A'dam)
NOvA
Sociale Databank Nederland
Belangstellenden
Media
Mr. A.
Mosckowicz geeft net zoals de redactie van RTL-boulevard en de NOvA geen
enkele reactie. Een paar dagen na deze brief word ik er door een
sympathisant op geattendeerd dat mr. A. Moszkowicz in zijn boek 'Recht in
de ogen van Abraham Moszkowicz' op pagina 173 schrijft: 'Het is
onbegrijpelijk dat zoveel advocaten een nevenfunctie als
rechter-plaatsvervanger vervullen; als een advocaat ook af en toe rechter
moet zijn, dan laadt hij minstens de schijn van belangenverstrengeling op
zich'.
Die
stelling staat in tegenspraak met het feit dat mr. Moszkowicz in de
TV-uitzending van RTL-boulevard te kennen gaf dat 'het tuchtrecht
prima werkt en hij het goed vindt dat het er is'.
In de
Raad van Discipline hebben immers 'vier advocaten zitting, die af
en toe rechter moeten zijn en daarom minstens de schijn van
belangenverstrengeling op zich laden'.
Van
die kennelijk tegenspraak stellen wij de advocaat in kennis. We vragen om
een reactie. De vermaarde advocaat/strafpleiter mr. A.
Moszkowicz geeft - net als al zijn confraters/zusters die wij met
kritiek benaderen - op deze brief geen enkel antwoord.
Wel
krijg ik weer vele reacties en steunbetuigingen uit heel het land die mijn
kritiek op het tuchtrecht voor advocaten van geval tot geval pijnlijk
bevestigen en die voer voor juristen, journalisten, wetenschappers en
politici zouden moeten zijn.
Een van die reacties luidt onder andere:
'Als advocaten zoals Bram Moscowicz (klik op zijn
foto) zulke onzin verkopen in een programma als BOULEVARD krijgen
vele Nederlanders opnieuw het gevoel dat Nederland zelfs nog een
rechtvaardige staat is.
Zelfs Prof. A. Tak van Maastricht heeft vele
bedenkingen over de rechtvaardigheid van het Nederlandse Recht, tot zelfs
aan de Raad van State toe', vr.gr. Paul Quekel
senior.
is een treffend gedicht van een
anonieme klager, dat zo goed aansluit bij dit proza dat ik het alhier
citeer:
De advocaat
Een sluwe vent, een uitgeslapen rakker,
hij praat en draait met alle winden mee,
het Recht kleeft aan de dikste portemonnee
en roept zijn woordenrijke geestdrift wakker
Hij is een aartsbedrieger en verlakker
beladen met chicanes, goud op snee
van buiten eerzaam als een dominee
is er van geen den mammon zwakker.
Blijf uit zijn buurt, zijn nagels zijn geslepen
hij glimlacht, maar zijn klauw is snel en wreed
En, vóór ge't weet heeft hij u vastgegrepen.
De toga, die zijn fratsen zwart omkleedt,
Moet eer, onkreukbaarheid, fatsoen beduiden:
Wanneer hij nadert, ga d' alarmklok luiden.
De behandeling van mijn klachten over de
advocaten/curatoren laat - zoals alle klachten tegen advocaten - maar op
zich wachten. Tot 23 maart 2004 mag ik niet nader van de Raad van
Discipline vernemen. Daarom doe ik telefonisch navraag bij mevr. mr.
Verhoeven, griffier van de Raad van Discipline te Arnhem.
5. Appèl op
het bestuur van de rechtbank te Zutphen om mijn klachten over de
rechter-commissaris en de griffier te behandelen
Op 13 juli 2002 dien ik hem uitgebreid van repliek
en vraag wederom om een gesprek.
In
zijn antwoord van 5 augustus 2002 herhaalt de
president zijn standpunt: '
door u
gesignaleerde leemte in de uitspraak - regeling van de
faillissementswet kunnen dichten; dat is te danken aan uw interventie,
maar voor uw schadevergoeding en genoegdoening moet u bij de Haagse
Rechtbank zijn'. Weer wijst hij een gesprek dat hem, c.q het
bestuur van het gerecht meer duidelijkheid had kunnen brengen, af. Tot
slot kondigt hij voor de eerste keer aan: '
Mijn grootse klacht is dat de President van het
Gerecht te Zutphen enerzijds onderkent dat er fouten zijn gemaakt, maar
anderzijds de mogelijkheid afwijst om die fouten - via de bij het gerecht
bestaande klachtenregeling te onderzoeken en in kaart te brengen. De
oplossing van het door het Gerecht te Zutphen veroorzaakte probleem wordt
in handen gelegd van een advocaat en is op grond van mijn ervaringen
daarom verder weg dan ooit.
Omdat
ik me afvraag of een klacht over de griffier, de rechter-commissaris en de
rechters ooit wel tot een onderzoek en een gesprek heeft geleid, vraag ik
om een geanonimiseerd voorbeeld.
Ik
krijg geen antwoord.
Nieuwe
vragen aan andere rechtbanken, curatoren, rechters en rechtsgeleerden en
aan de belangenvereniging INSOLAD (vereniging van insolventieadvocaten)
over de gang van zaken bij faillissementen, leiden tot opmerkelijke
inzichten, die weer leiden tot brieven en vragen aan het adres van het
gerecht te Zutphen. Mijn negatieve ervaringen met en studie van het
faillissementsrecht leiden tot een mening, die klaarblijkelijk voor
kranten, tijdschriften, waaronder de Staatscourant, de moeite waard is.
Op
grond van dat alles herhaal ik schriftelijk mijn vraag om een gesprek met
het bestuur van het gerecht te Zutphen.
Op 8 augustus 2002 om 12.12 uur neem ik telefonisch
contact op met het Secretariaat van de President van het Gerecht.
'De president, c.q voorzitter van het bestuur is tot 9
september 2002 met vakantie', wordt mij medegedeeld.
Daarom
vraag ik naar diens plaatsvervanger. Dat blijkt de vice-president te zijn,
mevr. mr. A.R. Borghof Mulder. Deze vrouw luistert naar mijn argumenten.
Met name mijn argument dat uit de folder 'ik heb een klacht' van het gerecht te Zutphen
blijkt dat ik recht heb op een gesprek, treft doel. De vice-president doet
mij tot mijn grote genoegen de toezegging om op 18 september 2002 een
gesprek in de rechtbank te voeren.
'Eindelijk mag ik zeggen wat ik op mijn hart heb.
Eindelijk krijg ik de kans om de feiten ook mondeling te laten spreken.
Eindelijk krijg ik de mogelijkheid om het compromis dat ik zielsgraag wil
sluiten mondeling te bepleiten', denk ik.
Per
brief d.d. 30augustus 2002 bevestig ik de
gemaakte afspraak. In die brief 'stel ik
voor een zo goed mogelijk verloop van het gesprek een agenda
voor'. Heel de agenda is er op gericht om duidelijkheid te
krijgen over datgene wat mij met mijn Recht bij het Gerecht te Zutphen is
overkomen. Ik wijs weer op mogelijke getuigen zoals de eerder genoemde
prof. mr. B. Wessels, de curator mr. F. de Meeter en de
insolventiespecialist, rechtbankpresident mr. J.W. Westenberg.
Ook
verwijs ik naar INSOLAD, de vereniging van insolventieadvocaten, waarvan
mijn curatoren geen lid zijn. Tenslotte wijs ik er op dat er naast mijn
persoonlijk belang ook het algemeen belang van een goede behandeling van
klachten over de gang van zaken in faillissementen in het geding is.
Op 16 september 2002 laat niet de vice-president,
die mij een gesprek toezegde, maar de president van het gerecht te Zutphen
mij weten dat 'een gesprek geen zin heeft en herhaalt hij zijn
standpunt dat ik desgewenst De Staat der Nederlanden aansprakelijk kan
stellen'. De president blijft mijn klachten beperken tot 'de
gang van zaken rond de uitspraak'.
De
toon en de inhoud van óók deze brief zijn dermate illustratief voor de
manier van denken van vele juristen - ook over de stichting Advocadur -
dat het de moeite waard is ook deze brief in zijn geheel te lezen. Een
paar treffende volzinnen verdienen het om op deze plek geciteerd te
worden.
'Ik was bereid u en eventueel uw echtgenote naar
aanleiding van haar eerdere cri de coeur aan te horen en daarvoor een uur
in te ruimen in mijn agenda, maar nu de door u ingeschakelde Stichting
wenselijk geachte 'belangeloze bijstand bij juridisch letsel' kennelijk
gediend acht door correspondentie over klachtenbehandeling in het algemeen
in plaats van de u ook door mr. Westenberg geadviseerde rechtsmaatregelen,
trek ik de uitnodiging voor het gesprek in. U moet zelf maar weten of
rechtsbijstand in goede handen is bij een actiegroep. Ik wil
u slechts adviseren, om de boven onder c bedoelde weg (aansprakelijk
stellen van de Staat der Nederlanden) in te slaan en u daarvan niet te
laten afleiden door genoegen te nemen met het surrogaat voor een voorlopig
getuigenverhoor dat een klachtenbehandeling biedt. Voor genoegdoening voor
de eventueel door u geleden schade moet u in Den Haag zijn, maar intussen
is de rechtbank te Zutphen u erkentelijk voor het feit dat u ons er op
geattendeerd heeft dat anderen mogelijk ook de dupe kunnen worden van een
gebrekkige uitspraakaankondiging'.
6) Appèl op het
Ministerie van Justitie/ Bestuur Gerecht te Zutphen om een standpunt en
een regeling in der minne.
7. Appèl op
curatoren en het Bestuur van het Gerecht te Zutphen om mee te werken aan
mediation.
8. Appèl op
de Commissie voor de verzoekschriften en de Nationale Ombudsman om de
klachten over de griffier, de rechter-commissaris en de curatoren te
behandelen.
De Commissie voor de Verzoekschriften
'Wij hebben u gewezen op
het niet te weerleggen feit dat het Dekenaat / de Raad van Toezicht te
Amsterdam en te Zutphen jaren hebben laten verlopen, alvorens de
betreffende klachten in behandeling te nemen. Dat niet te weerspreken feit
behoeft naar onze overtuiging geen 'nadere onderbouwing en toelichting' en
is op zichzelf ernstig genoeg om onderzoek in te stellen.
In
zijn reactie van 15 april 2004 komt de
Ombudsman op basis van een aantal zeer algemene argumenten over
'factoren die een rol spelen bij zijn afweging om tot onderzoek
over te gaan' en over beleidsmatige aspecten tot de conclusie: 'U zult
begrijpen dat ik niet in algemene termen kan aangeven aan welke criteria
moet zijn voldaan, alvorens ik tot een onderzoek uit eigen beweging
besluit'.
Wij begrijpen er niets van!
Ik ben er niet in geslaagd om in de woorden van de
rechter mr. Westerveld 'mijn zaken via de Nationale Ombudsman in andere
banen te leiden'. Talloze andere burgers die dezelfde ervaringen met
Dekens/Raden van Toezicht opdoen, slagen daar evenmin in. De stichting
Advocadur is er niet in geslaagd om de Nationale Ombudsman te bewegen om
ten behoeve van het Algemene Belang onderzoek in te stellen naar de
ondermaatse wijze waarop Dekens/Raden van Toezicht hun bij wet gegeven
taak vervullen.
9. Appèl op
23 advocaten en 2 schaderegelingbureaus om op te treden en hun redenen om
dat niet te doen.
In aansluiting op zijn brief voer
ik een even lang als aangenaam telefoongesprek met de heer Sutorius. In
dat gesprek ervaar ik weliswaar sympathie voor mijn standpunten en die van
de stichting Advocadur, maar ik moet constateren dat óók mijn veertiende
poging om een advocaat te vinden, vastloopt.