Bedenkingen tegen Ontwerpbesluit op aanvraag Demkolec BV
te Haelen om veranderingsvergunning van GS Noord-Brabant


EuroStaete . . EKC . . Klokkenluiders <===> SDN . . Wolmanzouten . . English

Henry George (1839-1897): De Aarde behoort toe aan alle levende wezens

    't Achterom 9a,
    5491 XD Sint Oedenrode
    Tel. 0413-490387
    Fax. 0413-490386

AANTEKENEN.

Tevens verstuurd per fax 043 - 3618099 op 19 november 2000.


    Gedeputeerde Staten van Limburg,
    Postbus 5700,
    6202 MA Maastricht.

    Sint Oedenrode, 19 november 2000

    Ons kenmerk: SBL/19110/bd.

    Betreft:

    • Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving, Holstraat 17, 6082 BA Buggenum met 15 gemachtigden.
    • J. Hoebers, Haelenerweg 9, 6082 AA Buggenum.
    • J. Rulkens, Dorpsstraat 94, 6082 AR Buggenum.
    • P. Topeeters, Neel Doffstraat 18, 6082 AE Buggenum.
    • H. Slabbers, Galgenberg 35, 6082 AZ Buggenum.
    • L.G.G.M. Mom, Bergstraat 13, 6082 AJ Buggenum.
    • H.P.J. Vissers, Holstraat 6, 6082 BC Buggenum.
    • A.M. Schreuder, Thorbeckestraat 24, 6042 CR Roermond.
    • J. Schuermans, Roermondseweg 92, 6081 NW Haelen.
    • C.J. Schreuder, Eikendreef 23, 6081 EA Haelen.
    • C.J.M. Wijers, Poelakkerweg 3, 6082 NC Buggenum.
    • H.J.J. Sleutels, Holstraat 9, 6082 BA Buggenum.

    Bedenkingen tegen uw tot en met 21 november 2000 ter inzage liggende Ontwerpbesluit op de aanvraag (nummer CD 6471) van Demkolec B.V. te Haelen om een veranderingsvergunning als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet Milieubeheer.


      Geacht college,

    Namens opgemelde stichting en personen, hierna te noemen: cliënten, laat ondergetekende u tegen opgemeld Ontwerpbesluit op de aanvraag (nummer CD 6471) van Demkolec B.V. te Haelen de volgende bedenkingen toekomen:

      Bedenking 1.

    Ten onrechte gaat u ervan uit dat voor de in de aanvraag genoemde activiteiten geen Vwo-vergunning behoeft worden aangevraagd. Door het in werking treden van het Koninklijk Besluit van 4 november 1983 (Stb 1983 - 577), uitvoering gevende aan artikel 1, lid 2, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, zoals gewijzigd bij wet van 24 juni 1981 (Stb 1981-414), is de vergunningverlening voor de lozing van afvalwater, afkomstig van negen categorieën, bedrijven, op de riolering verlegd van de gemeente naar de waterkwaliteitsbeheerder c.q. beheerder van een zuiveringstechnisch werk. Bij dit Koninklijk besluit is onder andere de categorie bedrijven, die afvalstoffen opslaan, behandelen en verwerken aangewezen.

    Het dagelijks bestuur van het Zuiveringschap Limburg is het bevoegde gezag voor de verlening van een Vwo-vergunning. De aanvraag heeft betrekking op de lozing van de navolgende afval(water)stromen op het oppervlaktewater en op de gemeentelijke riolering.

    • maximaal 34000 m3/h aan (zuurstofarm) koelwater in de Maas.
    • regenwater afkomstig van het sterk verontreinigde bedrijventerrein.
    • regenwater afkomstig van verontreinigde daken.
    • giftige stoffen via de lucht, direct danwel indirect, in het oppervlaktewater (zie arrest C-231/97 van 29 september 1999 van het Europese Hof van Justitie)
    • bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering vanuit de bedrijfsgebouwen.
    • huishoudelijk afvalwater op de gemeentelijke riolering, afkomstig van kantoren.

    In tegenstelling met hetgeen u in het Ontwerpbesluit schrijft is voor bovengenoemde lozingen wel degelijk een Vwo-vergunning vereist van het dagelijks bestuur van het Zuiveringschap Limburg. Demkolec B.V. zal hiervoor om die reden dan ook een aanvraag voor een Vwo-vergunning moeten aanvragen. De aanvragen ingevolge de Wvo- en de Wm dienen gecoördineerd te worden behandeld. Het in geding zijnde Ontwerpbesluit kan om deze reden dan ook nooit in stand blijven.

      Bedenking 2.

    Ten onrechte gaat u ervan uit dat voor de in de aanvraag genoemde nieuwe activiteiten geen bouwwerken worden opgericht die aan te merken zijn als bouwen in de zin van de Woningwet. De hiervoor op te richten maal- en drooginstallatie met bijbehorende transportbanden e.d. betreffen namelijk bouwwerken op of in de grond van een zodanige omvang dat daarvoor een bouwvergunning van burgemeester en wethouders der gemeente Haelen is vereist.

    Dit betreffen bouwwerken ten behoeve van het bewerken en verwerken van afval en gevaarlijk afval. Het oprichten van dergelijke bouwwerken is in strijd met het vigerende gemeentelijke bestemmingsplan dat op betreffend perceel rust. Vanwege het feit dat Demkolec B.V. genoemde bouwwerken heeft opgericht zonder een daarvoor vereiste bouwvergunning kan hiervoor nooit milieuvergunning worden verleend. Het in geding zijnde Ontwerpbesluit kan ook om deze reden nooit in stand blijven.

      Bedenking 3.

    Het bewerken, verwerken en vergassen (verbranden) van (gevaarlijk) afval, waaronder kippenmest, veroorzaakt gegarandeerd meer geuroverlast als het verwerken en vergassen (verbranden) van kolen. Voor deze verhoging van de geuremissie, dient een revisievergunning c.q. uitbreidingsvergunning te worden aangevraagd.

    Wanneer door de Demkolec, B.V. wordt gesteld dat de verwerking en vergassing van bovengenoemde (gevaarlijke) afvalstoffen, waaronder kippenmest, geen hogere geuremissies tot gevolg heeft dan hadden zij dat moeten staven met een onderzoeksrapport van een onafhankelijk adviesbureau en had betreffend rapport onderdeel uit moeten maken van de aanvraag om de veranderingsvergunning. Omdat Demkolec B.V. een dergelijk geuronderzoeksrapport niet bij de aanvraag heeft ingediend, kan het in geding zijnde Ontwerpbesluit ook om deze reden nooit in stand blijven.

      Bedenking 4.

    Voor de in geding zijnde installatie is Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging van toepassing. Het bijstoken van (gevaarlijk) afval, waaronder kippenmest, heeft in deze installatie nooit eerder plaatsgevonden. Het betreft om die reden een nieuwe installatie voor het opstoken van afval.

    Ingevolge artikel 4 van genoemde richtlijn 96/41/EG bent u wettelijk verplicht de nodige maatregelen te treffen die ervoor zorgen dat geen nieuwe installatie wordt geëxploiteerd zonder een vergunning overeenkomstig deze richtlijn, onverminderd de uitzonderingen van Richtlijn 88/609/EEG van de Raad van 24 november 1998 inzake beperking van de emissies van bepaalde verontreinigde stoffen in de lucht door grote stookinstallaties.

    Ingevolge artikel 6 van deze EG-richtlijn had de in geding zijnde aanvraag een beschrijving moeten bevatten van:

    • de installatie en de aard en omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;
    • de grondstoffen en hulpmaterialen, de andere stoffen en de energie die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd;
    • de emissiebronnen van de installatie;
    • de situatie van de plaats waar de installatie komt;
    • aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk milieucompartiment, met een overzicht van de significante milieueffecten van de emissies;
    • de beoogde technologie en de andere technieken ter voorkoming of, indien dat niet mogelijk is, ter vermindering van de emissies van de installatie;
    • zo nodig de maatregelen betreffende de preventie en de nuttige toepassing van de door de installatie voortgebrachte afvalstoffen;
    • de andere maatregelen die worden getroffen om te voldoen aan de algemene beginselen van de fundamentele verplichtingen van de exploitant, bedoeld in artikel; 3;
    • de maatregelen die worden getroffen ter controle van de emissies in het milieu;

    Ingevolge artikel 7 van deze EG-richtlijn bent u wettelijk verplicht om een geïntegreerde aanpak bij de afgifte van de vergunning te volgen. Dit houdt in dat u wettelijk verplicht bent om de onder bedenking 1 vereiste Vwo-vergunningaanvraag en de onder bedenking 2 vereiste bouwvergunning aanvragen gecoördineerd in behandeling te nemen. Hieraan is niet voldaan. Ingevolge artikel 9 lid 3 van deze EG-richtlijn moet de vergunning grenswaarden bevatten voor de volgende stoffen:

    Naar de lucht:

    1. Zwaveloxiden en andere zwavelverbindingen.
    2. Stikstofoxiden en andere stikstofverbindingen.
    3. Koolmonoxide.
    4. Vluchtige organische stoffen.
    5. Metalen en verbindingen daarvan.
    6. Stof.
    7. Asbest (zwevende deeltjes en vezels).
    8. Chloor en chloorverbindingen.
    9. Fluor en fluorverbindingen.
    10. Arseen en arseenverbindingen.
    11. Cyaniden.
    12. Stoffen en preparaten waarvan is aangetoond dat zij via de lucht een kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.
    13. Polychloordibenzodioxine en polychloordibenzofuranen.

    Naar het Water:

    1. Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit in water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan.
    2. Organische fosforverbindingen.
    3. Organische tinverbindingen.
    4. Stoffen en bereidingen waarvan is aangetoond dat zij in of via het water een kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben.
    5. Persistente koolwaterstoffen en persistente en bio-accumuleerbare toxische organische stoffen.
    6. Cyaniden.
    7. Metalen en verbindingen daarvan.
    8. Arseen en arseenverbindingen.
    9. Biociden en fytosanitaire producten.
    10. Stoffen in suspensie.
    11. Stoffen die bijdragen tot eutrofiëring (met name nitraten en fosfaten).
    12. Stoffen die een negatieve invloed hebben op de zuurstofbalans (en meetbaar zijn aan de hand van parameters als BZV, CZV).

    De voorschriften 9 t/m 13 uit het Ontwerpbesluit voldoen daar niet aan.

    Ingevolge artikel 9 lid 4 van deze EG-richtlijn dienen emissies naar water, bodem en lucht, waaronder ook de emissies als gevolg van het vrijkomende vergiftigde vliegas dat na toepassing in cement, beton en asfalt door uitloging en slijtage vanuit deze nieuwe producten in het milieu komen, met de best bestaande techniek te worden voorkomen. De vergunning dient in ieder geval ook bepalingen te bevatten die de minimalisering van de verontreiniging over lange afstand en over de landsgrens naar andere lidstaten (Duitsland) garanderen en een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel waarborgen. Ook hieraan voldoen de voorschriften 9 t/m 13 uit het Ontwerpbesluit niet.

    Ingevolge artikel 9 lid 5 van deze EG-richtlijn dient de vergunning passende eisen voor de controle op de lozingen, met vermelding van de meetmethode, en -frequentie, de procedure voor de beoordeling van de metingen te bevatten, alsmede de verplichting de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden. Ook hieraan voldoen de voorschriften 9 t/m 13 uit het Ontwerpbesluit niet.

    Ingevolge artikel 9 lid 6 van deze EG-richtlijn dient de vergunning maatregelen te bevatten voor andere dan de normale bedrijfsomstandigheden. Daartoe wordt op passende wijze rekening gehouden met opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging, wanneer het milieu daardoor kan worden beïnvloed. De voorschriften 1 t/m 14 uit het Ontwerpbesluit voldoen hier niet aan.

    Ingevolge artikel 11 van deze EG richtlijn dient lidstaat Nederland er zorg voor te dragen dat de ontwikkelingen op het gebied van de best bestaande techniek wordt gevolgd. De best bestaande techniek op dit moment is de nuloptie-technologie van Edelchemie te Panheel. U bent dan ook wettelijk verplicht om deze techniek te volgen. Het in geding zijnde Ontwerpbesluit kan ook op grond hiervan nooit in stand blijven.

      Bedenking 5.

    Ingevolge de van kracht zijnde milieuvergunning mag de door de inrichting veroorzaakte geluidsbelasting op de tekening S-4075 aangegeven referentiepunten niet meer bedragen dan de in onderstaande tabel aangegeven niveaus.

        
        Referentiepunt	  geluidsbelasting in dB(A) etmaalwaarde
                1	                      57
                2	                      59
                3	                      56
                4	                      54
        
        
    Om te kunnen beoordelen of de uitbreiding aan de geluidsproductie als gevolg van:

    1. Het vaker in werking zijn van de torenfakkel.
    2. Meer verkeersbewegingen van vrachtauto's die nodig zijn voor het transport van afvalstoffen (secundaire brandstoffen) dan voor het transport van kolen. Met een vrachtauto aan kolen kan namelijk veel meer energie worden opgewekt als met een vrachtauto aan kippenmest. Het meevergassen van een vrachtauto aan RWZI-slib kost energie. Hiervoor zijn zelfs meer vrachtauto's aan kolen nodig.
    3. Het in bedrijf brengen en houden van de nieuw opgerichte maal- en drooginstallatie met bijbehorende transportbanden. boven de waarden uit bovenstaande tabel uitkomt had de aanvraag vergezeld dienen te gaan met een akoestisch rapport, waarin bovengenoemde uitbreidingen aan geluidsproductie waren meegenomen. Omdat Demkolec B.V. een dergelijk geluidsrapport niet bij de aanvraag heeft ingediend, kan het in geding zijnde Ontwerpbesluit nooit in stand blijven.

      Bedenking 6.

    Op grond van het in geding zijnde Ontwerpbesluit mag een zodanige hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen op het bedrijventerrein worden opgeslagen en in samenhang daarmee worden verwerkt, dat daarvoor een extern veiligheidsrapport is vereist op grond van het Besluit risico's zware ongevallen en een rampenbestrijdingsplan ingevolge de Rampenwet. Omdat Demkolec B.V. een dergelijk extern veiligheidsrapport en rampenbestrijdingsplan niet bij de aanvraag heeft ingediend, kan het in geding zijnde Ontwerpbesluit ook om deze reden nooit in stand blijven.

      Bedenking 7.

    Bij het meevergassen van (gevaarlijke) afvalstoffen, waaronder kippenmest, chemisch besmet bouw- en sloopafval, RWZI-slib, Abi-slib wordt de concentratie aan de zware metalen As, Cd, Cr, Hg, Pb, Zn in het overblijvende vliegas en slakken groter. Door dit vliegas en slakken te verwerken in cement, beton en asfalt wordt de milieubelasting naar water bodem en lucht als gevolg van uitloging en slijtage (van asfalt) van betreffend beton en asfalt vergroot. Aangezien het om prioritaire stoffen gaat is dit in strijd met o.a. de richtlijn 96/61/EG en het al in 1986-1990 door de Tweede Kamer der Staten Generaal goedgekeurde Indicatief Meerjarenprogramma Milieubeheer 1986-1990 nummer 19204, nrs 1-2. Het Ontwerpbesluit kan ook om deze reden nooit in stand blijven.

      Bedenking 8.

    Ten onrechte gaat u ervan uit dat het meestoken van (gevaarlijk) afval, door u misleidend secundaire brandstoffen of biomassa genoemd, een gunstig effect heeft op het milieu. Dit is volstrekt buiten de waarheid.

    Bijgevoegd vindt u:

    • Het artikel "Het misleidende spel met de kolencentrales "van Toine van Bergen, oud-raadslid van De Groenen in Nijmegen en vrijwillige milieurecherche (2 pagina's).
    • Ons artikel "collusie dicteert de landelijke overheid" uit Kleintje Muurkrant nr. 349, van 20 oktober 2000 (3 pagina's).
    • Onze brief van 30 oktober 2000, kenmerk: Essent/30100, aan Ing. D.E. van 't Slot van Essent Milieu (3 pagina's).
    • Onze brief van 3 november 2000 aan T. van Woerkom van Demkolec B.V. (3 pagina's).
    • Ons artikel "slaapwandelende Tweede Kamer" uit Kleintje Muurkrant nr. 350, van 17 november 2000 (4 pagina's).
    • Ons artikel "Collusie vergiftigt " uit Kleintje Muurkrant nr. 345, van 2 juni 2000 (2 pagina's).
    • De brief van 14 juni 2000 van Eric M.A. Zwitser aan milieugedeputeerde drs. C.E.M. de Waal (1 pagina).
    • De brief van 4 juli 2000 van drs. C.E.M. de Waal aan Eric M.A. Zwitser als antwoord daarop (1 pagina).
    • De brief van 11 juli 2000 van Eric M.A. Zwitser aan drs. C.E.M. de Waal als reactie daarop (1 pagina).
    • De brief van 23 oktober 2000 van Eric M.A. Zwitser aan zijn correspondentievriend drs. C.E.M. de Waal, uw verantwoordelijke milieugedeputeerde (1 pagina).

    Wij verzoeken u kennis te nemen van de inhoud en die inhoud hier als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen. Uit die inhoud kunt u opmaken dat het bijstoken van dit (gevaarlijk) afval integraal gezien juist een zeer ongunstig effect heeft op het milieu.

    Uit die inhoud kunt u tevens opmaken dat hier sprake is van samenspannende criminele collusie, waarin uw milieugedeputeerde drs. C.E.M. de Waal een hoofdrol speelt. Drs. de Waal gaat daarbij zelfs zover dat hij naar derden (Eric M.A. Zwitser) op officieel papier van uw provincie een brief stuurt dat ondergetekende "gaga" is, zonder aan ondergetekende daarvan een afschrift te versturen. Wij verwachten van u als college dat u uw milieugedeputeerde drs. De Waal hierover tekst en uitleg vraagt en deze tekst en uitleg verwoord in uw besluit.

    Uit de inhoud van bovengenoemd 8-tal bedenkingen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat u het nemen van het in geding zijnde Ontwerpbesluit voor een ander doel hebt gebruikt dan waarvoor aan u de bevoegdheid is verleend. U maakt zich hierbij dan ook zeer nadrukkelijk schuldig aan een detournement de pouvoir zoals staat verwoord in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het overtreden van dit wetsartikel betreft een politieke doodzonde.

    Op grond van bovengenoemd 8-tal bedenkingen kan het in geding zijnde Ontwerpbesluit nooit in stand blijven. Wij verzoeken u daarom over te gaan tot intrekking daarvan en tot afwijzing van de door Demkolec B.V. ingediende aanvraag en ondergetekende dat schriftelijk te bevestigen. De volmacht van cliënten vindt u bijgevoegd (bijlage K)(12 pagina's).


      Hoogachtend,

      Ecologisch Kennis Centrum BV
      Voor deze

      ing.A.M.L. van Rooij, veiligheids- en milieudeskundige

      Ing. A.M.L. van Rooij,
      veiligheids- en milieudeskundige

    
    
    
    
    
    C.c.