Actueel - Historie - Antecedentenregister juristen - Tweede Kamer - Raad vd rechtspraak - De Wit kiest hazenpad - Bolhaar volgt hem op

Amsterdam, februari 2007 

Geachte lezer,

Uit het oogpunt van journalistiek-politieke controle op het functioneren van de uitvoerende organen van de overheid is het zeer dringend noodzakelijk, dat aan de Minister van Justitie de hiernavolgende vragen worden gesteld.

Tweede Kamervragen aan, voor en door beëdigde volksvertegenwoordigers, en voorgelegd aan de schrijvende pers, de omroepende media en op internet.

  1. Is het juist dat het Openbaar Ministerie, hierna gemakshalve te noemen het OM als Wetshandhaver ex. art. 4 Ro. formeel de stelling heeft betrokken, dat het veelvuldig plegen van meineed ter aanranding van een behoorlijke procesgang c.q. de Nederlandse rechtsorde ondanks art. 207 lid 1 en 2 Sr. niet strafrechtelijk dient te worden vervolgd?

  2. Is het juist dat het OM hierover als Wetshandhaver ex. art. 4 Ro. ruim tien jaar een bittere strijd heeft gevoerd met de aannemer de Werd, en dat op diens verzoek daarbij de Officier van Justitie tot drie keer toe een bevel ex. art. 12i Sv heeft bekomen, waarvan deze de tenuitvoerlegging consequent heeft genegeerd?

  3. Bent u niet met mij van mening dat zelfs bij het verkrijgen van één zo'n bevel tot het strafrechtelijk vervolgen van meineed al blijkt hoe nalatig en onwettig het OM als wetshandhaver ex. art. 4 Ro heeft gefunctioneerd?

  4. Is het juist dat de Officier van Justitie in zijn schrijven 9 juli 1981, gericht aan de Procureur-generaal bij het Gerechtshof, formeel de stelling heeft betrokken dat niet uit te sluiten valt dat er verzachtende omstandigheden voor de meinedige verdachten aanwezig kunnen zijn, die in omgekeerde zin ten laste kunnen komen van het Gerechtshof?

  5. Hebt u bij de Nationale Ombudsman formeel bekend, dat de Officier van Justitie middels justitiële fraude, in ieder geval in strijd met de Formele Wet, de bevelen van het Gerechtshof aan hem gegeven tot het strafrechterlijk vervolgen van meineed heeft laten verdwijnen; en genoemde bevelen daartoe zonder de vereiste toestemming van het Gerechtshof ter verjaring heeft opgelegd?

  6. De hiernavolgende zinsnede gebruikt het College van Procureurs-generaal als motivering en ik citeer: "In de archieven van het OM is niets aangetroffen waaruit blijkt dat de bevelen van het Gerechtshof niet werden opgevolgd", (einde citaat) Geen enkele jurist zou het aandurven, tenzij er sprake is van juridisch zelfmoord en/of kwade trouw, de voorgaande juridische onzin die de sfeer ademt van arglistig bedrog te onderschrijven. Zowel u Minister Donner, als Procureur-generaal de Wijkerslooth de Weerdesteyn hadden daar geen enkele moeite mee. Kunt u aan de Tweede Kamer uitleggen, waarom dat het geval is geweest? Immers: U hebt wel iets in de archieven van het OM aangetroffen, namelijk niets waaruit zou kunnen blijken dat de bevelen van het Gerechthof wel zouden zijn opgevolgd. Waarom suggureren u en de Wijkerslooth op gespannen voet met de waarheid het tegendeel?

  7. Is het juist dat u bij de Nationale Ombudsman een smaadschrift heeft overlegd, in die zin dat de inhoudelijke strekking daarvan door u onbewezen is gebleven, c.q. deze door de klager bij de Nationale Ombudsman geheel is weerlegd?

  8. U, mr. P.H.J. Donner als Minister van Justitie staat evenals de voorzitter van het College van Procureurs-generaal Jhr. mr. de Wijkerslooth de Weerdesteyn met uw medeweten al geruime tijd op het internet met Hitlersnor en bijbehoren, zonder dat beiden in staat is zijn gebleken, ondanks herhaalde uitnodiging daartoe, daartegen juridische actie te ondernemen? Hoe verdraagt zich deze gang van zaken met uw geloofwaardigheid en/of de waardigheid van het ambt dat u pretendeert te kunnen bekleden? Begrijpt u dat de Staat der Nederlanden zich niet kan laten vertegenwoordigen door een Minister van Justitie en/of een Voorzitter van een College van Procureurs-generaal die niet in staat zijn gebleken hun eigen eer en/of goede naam (voorzover aanwezig) te verdedigen? Vindt u het zelf niet in en in triest, dat u beiden zichzelf in deze deporabele positie heeft gemanoeuvreerd?

  9. Hebt u daarom informeel getracht de homepage van de heer de Werd van het internet te laten verwijderen; zo ja, op welke wijze; en waarom is dat niet gelukt?

  10. Tot twee keer toe is de heer De Werd informeel geconfronteerd geweest met de Criminele Inlichtingendienst, zonder dat hij kon worden aangemerkt als zijnde een verdachte in de zin van art. 27 Sv; in ieder geval niet als zodanig werd aangemerkt volgens het inspecteur van die dienst de heer Veldman. Wat is de aanleiding daartoe? en wat is de wettelijke basis?

  11. Bent u niet met mij van mening, dat de individuele burger niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het al dan niet integer en/of goed functioneren van de uitvoerende organen van de Formele Wetgever? Zo ja, waarom wordt er met de benadeelde dan geen regeling getroffen voor de schade die werd veroorzaakt door het ambtshalve ernstig falen van het Openbaar Ministerie als Wetshandhaver?

  12. Is het juist dat het OM vergeefse pogingen heeft ondernomen tot het strafrechtelijk vervolgen van enkelvoudige belediging van een ambtenaar in functie, en dat daarbij de verdachte tot drie keer toe op rij de politierechter met succes wraakte met het argument, dat er in het geheel geen strafrechtelijke procedure kon en kan plaatsvinden, omdat de Officier van Justitie op de stoel van de Zittende Magistratuur heeft plaatsgenomen?

  13. Op welke wijze denkt u de schade te kunnen regelen met de heer K.H. de Werd, rechtstreeks voortvloeiende uit het feit dat de bevelen van het Gerechtshof niet werden opgevolgd?

  14. Kunt u bevestigen dat het OM vervolgens de strafrechterlijke vervolging onrechtmatig heeft afgebroken door in het geheel niets meer van zich te laten horen, inplaats van de verdachte te informeren over een nieuwe zittingsdatum waarop de strafrechtelijke vervolging zou worden hervat?

  15. 14. Wat vindt u er van, dat de Politierechters berusten in het wrakingsargument, dat er geen strafrechterlijke procedure kan plaatsvinden, omdat het Openbaar Ministerie middels het niet opvolgen van de bevelen van het Gerechthof ex. art. 12i Sv heeft plaatsgenomen op de stoel van de Formele Wetgever en de Zittende Magistratuur?

  16. Zowel Officier van Justitie mr. R.W. Asser als Procureur-generaal mr. C.A.P.C. van Riel hebben formeel, ja zelfs in de media zeer zware kritiek geuit op de Zittende Magistratuur. De Officier van Justitie maakt daarbij kenbaar, dat hij niet uitsluit dat tijdens het vervolgen van de meinedige verdachten verzachtende omstandigheden aan het licht zouden kunnen komen, die in omgekeerde zin ten laste komen van het Gerechthof, omdat volgens de genoemde Officier van Justitie het Gerechthof zelf die meinedige verklaringen heeft uitgelokt. Minister, wat is hiet gaande?

  17. De Procureur generaal staat in glanzende toga bij het Gerechthof resort Amsterdam te pleiten voor de opheffing van onze democratische rechtstaat als volgt: "Naar mijn stellige overtuiging is er door drie verschillende verdachten meineed gepleegd." Vervolgens komt de Procureur-generaal die eveneens tijdens die gelegenheid zware kritiek uit op het functioneren van de Zittende Magistratuur ondanks art. 207 lid 1 en 2 Sr tot de eindconclussie, dat de meinedige verdachten niet strafrechtelijk dienen te worden vervolgd. Dat resulteerde in een derde bevel ex. art. 12i Sv aan de Officier van Justitie tot het strafrechtelijk vervolgen van meineed, welk eveneens in strijd met de Formele Wet door de Officier van Justitie te verjaring werd opgelegd. Minister, waarom zijn de Officier van Justitie en de Procureur-generaal nota bene als wetshandhavers ex.art. 4 Ro met geen tien trekpaarden er toe te bewegen tot het strafrechterlijk vervolgen van meineed over te gaan? Met welk recht neemt de Officier van Justitie zelf plaats op de stoel van de Formele Wetgever en de Zittende Magistratuur?

  18. Minister, op verzoek ex. art. 12 Sv heeft het Gerechtshof binnenkort te beslissen of aan de Officier van Justitie een vierde bevel ex. art. 12i Sv dient te worden gegeven. Dit keer niet tot het strafrechtelijk vervolgen van meineed, maar tot het strafrechtelijke vervolgen van procureur-generaal de Wijkerslooth de Weerdesteyn wegens deelneming aan een criminele organisatie ex. art. 140 Sr. en dat in samenspanning ex. art. 80 Sr met u, de Minister van Justitie, onder de verzwarende omstandigheid ex. art. 44 Sr ter aanranding van de Nederlandse Rechtsorde gepleegd, wat is uw reactie hierop?

  19. Minister, de inspecteur van de Criminele Inlichtingendienst (CRI), de heer Veldman, is van mening dat u en de Wijkerslooth, gelet op de publicaties op het internet en het voorgaande onherstelbaar zijn beschadigd, deelt u die mening en bent u bereid daaruit met de Wijkerslooth de enig juiste consequentie te trekken?